Toelatingsnummer 12723 N

     

 

FANDANGO  

 

12723 N

 

 

 

 

 

 

 

Het College voor de Toelating

van Bestrijdingsmiddelen,

 

 

beslissende op de aanvraag d.d. 29 juni 2004 (aanvraagnummer 20040227 TG) van

 

            Bayer CropScience B.V.

            Energieweg 1

            3641 RT  MIJDRECHT

             

 

 

tot verkrijging van een toelating als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Bestrij­dings­middelen­wet 1962 (Stb. 288) voor het middel

 

FANDANGO,

 

gelet op de artikelen 3, 3a, 4 en 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962,

 

BESLUIT:

 

 

§ I        Toelating

  1. Het bestrijdingsmiddel FANDANGO wordt toegelaten in de zin van artikel 2,
    eerste lid, van de Bestrij­dings­middelen­wet 1962, onder nummer en datum dezes. 
  2. De toelating geldt tot 1 augustus 2008.

 

 

§ II  Samenstelling, vorm en afwerking

Onverminderd hetgeen omtrent de samenstelling, vorm en afwerking bij de Regeling samenstelling bestrij­dingsmiddelen is bepaald, moeten:

  1. de samenstelling, vorm en fysische toestand van het middel alsmede de chemische en fysische eigenschappen daarvan overeenkomen met de bij de aanvraag tot toelating verstrekte gegevens, alsmede met het bij de aanvraag tot toelating verstrekte monster.

 

§ III  Gebruik

Het bestrijdingsmiddel mag slechts worden gebruikt met inachtneming van hetgeen in bijlage I dezes onder A. is voorgeschreven.

 

 


 

§ IV Verpakking en etikettering

 

  1. De aanduidingen, welke ingevolge artikel 36 van de Wet milieugevaarlijke stoffen en artikelen 14, 15a, 15b, 15c en 15e van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten (voor gewasbeschermingsmiddelen, voor biociden 15e is 15d) op de verpakking moeten worden vermeld, worden hierbij vastgesteld als volgt:

 

Overeenkomstig artikel 15c, lid 1, onder b van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:

 

-          aard van het preparaat: Emulgeerbaar concentraat

 

Overeenkomstig artikel 15d, lid 1 (biociden) en artikel 15e, onder b (gewasbeschermingsmiddelen) van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:

 

-    Werkzame stof:

-    Gehalte:

 

 

prothioconazool

100 g/l

 

 

fluoxastrobin

100 g/l

 

Overeenkomstig artikel 14, lid 1 tot en met lid 3 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:

 

-          andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stof(fen):  

-

 

 

  1. Behalve de onder 1. bedoelde en de overige bij de Wet Milieugevaarlijke Stoffen en de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten voorge­schreven aanduidingen en vermeldingen moeten op de verpakking voorkomen:

 

a.      hetgeen in bijlage I onder A. is vermeld.

 

b.      de in bijlage I dezes onder B. opgenomen tekst, met dien verstande, dat niet alle daarin aangegeven toepassingen behoeven te worden vermeld en de inhoud dier tekst slechts mag worden aangevuld met technische aanwijzingen voor een goede bestrijding, mits deze niet met die tekst in strijd zijn.

 

c.      overeenkomstig artikel 14, lid 4 tot en met lid 13 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, letterlijk en zonder enige aanvulling, tenzij bij de veiligheidsaanbeveling cursief is aangegeven dat een keuze moet worden gemaakt; dan dient de optie die van toepassing is op het etiket te worden vermeld:

 

-    Gevaarsymbool:

-    Aanduiding:

 

 

N

Milieugevaarlijk

 

-          Waarschuwingszinnen:

Vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

 

-          Veiligheidsaanbevelingen:

Niet roken tijdens gebruik.

Draag geschikte handschoenen.

Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies / veiligheidsgegevenskaart.

 

d.      overeenkomstig artikel 14, lid 13 en lid 14 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, letterlijk en zonder enige aanvulling:

 

-          Specifieke vermeldingen:

 

Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen.

 

e.   - 

 

f.    n.v.t. 

 

g.   n.v.t. 

 

h.   n.v.t. 

 

 

Degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan gelet op artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Een dergelijk bezwaarschrift dient te worden geadresseerd aan: Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Postbus 217, 6700 AE WAGENINGEN.

 

 

Wageningen, 29 juli 2005

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,




(voorzitter)

 



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

 

BIJLAGE I  bij het toelatingsbesluit van het middel FANDANGO,

toelatingsnummer 12723 N

A.

Wettelijk gebruiksvoorschrift

 

Toegestaan is uitsluitend het gebruik als schimmelbestrijdingsmiddel door een gewasbehandeling in de teelt van:

a. winter- en zomertarwe en triticale;

b. winter- en zomergerst.

 

Om resistentieopbouw te voorkomen mag dit product of andere producten die fluoxastrobine of een strobilurine bevatten niet vaker gebruikt worden dan tweemaal per seizoen.

 

Veiligheidstermijn

6 weken voor winter- en zomertarwe, triticale en winter- en zomergerst.

 

Het middel is uitsluitend bestemd voor beroepsmatig gebruik.

 

 

B.

Gebruiksaanwijzing

 

TOEPASSINGEN

 

Winter- en zomertarwe, en triticale, ter voorkoming van aantasting door voetziekte (Pseudocercosporella herpotrichoides) en blad- en aarziekten, veroorzaakt door bladvlekkenziekte (Septoria tritici), echte meeldauw (Erysiphe graminis), DTR (Pyrenophora tritici-repentis), bruine roest (Puccinia recondita), gele roest (Puccinia striiformis), kafjesbruin (Septoria nodorum) en aarfusarium (Fusarium spp.).

-          Voetziekte: bij de aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf begin strekking tot tweede knop voelbaar (BBCH 30-32).

-          Bladziekten: bij de aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf tweede knop voelbaar tot het in de aar komen (BBCH 32-55). Indien nodig de behandeling herhalen.

-          Aarziekten: een behandeling uitvoeren vanaf het in de aar komen tot einde bloei (BBCH 55-69).

Dosering: 1,5 liter per hectare.

 

Winter- en zomergerst, ter voorkoming van aantasting door netvlekkenziekte (Pyrenophora teres), bladvlekkenziekte (Phynchosporium secalis), dwergroest (Puccinia hordei) en echte meeldauw (Erysiphe graminis).

Bij aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf tweede knoop voelbaar tot het in de aar komen (BBCH 32-55). Indien nodig de behandeling herhalen.

Dosering: 1,25 l/ha per hectare

 

Wageningen, 29 juli 2005

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,



(voorzitter)



HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN

BIJLAGE II bij het toelatingsbesluit van het middel FANDANGO,

toelatingsnummer 12723 N

 

Het betreft een aanvraag tot voorlopige toelating van het middel FANDANGO,
20040227 TG, een middel op basis van de werkzame stoffen fluoxastrobin en prothioconazool. Het middel is uitsluitend aangevraagd als een schimmelbestrijdingsmiddel in de teelt van:

a)                  winter- en zomertarwe en triticale;

b)                  winter- en zomergerst.

 

Fluoxastrobin is een nieuwe stof. De Rapporteur Member State is Engeland. Er is een concept-monografie beschikbaar.

 

Prothioconazool is een nieuwe stof. De Rapporteur Member State is Engeland. Er is een concept-monografie beschikbaar.

 

 

Stand van zaken met betrekking tot de aanvraag

 

De aanvraag is op 30 juni 2004 ontvangen; op 30 juni 2004 zijn de verschuldigde aanvraagkosten ontvangen. De aanvraag is op 16 december 2004 in behandeling genomen. Op 28 januari 2005 werden de verschuldigde beoordelingskosten ontvangen.

De 34-weken termijn eindigt op 23 september 2005.

 

Toepassingsoverzicht

 

In tabel 1 is het toepassingsoverzicht van het middel FANDANGO weergegeven.

 

Tabel 1 Toepassingsoverzicht

Nr. toep.

Toepassing

Dosering w.s. [kg/ha]*

Freq.

Interval [dag]

Tijdstip toepassing

1

Winter- en zomertarwe, triticale en spelt

0,150 + 0,150

1-2

21

Maart-juni

2

Winter- en zomergerst

0,125 + 0,125

1-2

21

Apr-juni

* fluoxastrobin + prothioconazool

 

 

Profiel fysische en chemische eigenschappen

 

Werkzame stof prothioconazool

 

Voor de fysisch-chemische eigenschappen wordt gebruik gemaakt van de eindpuntentabel zoals die als onderdeel van de concept monografie, gecorrigeerd op 8 november 2004, is opgesteld en besproken in de ECCO/EPCO bijeenkomsten. Nederland heeft commentaar geleverd, verwerkt in dit stuk.


Identity

Active substance (ISO Common Name)

Prothioconazole

Chemical name (IUPAC)

(R,S) 2-[2-(1-chlorocyclopropyl)-3-(2-chlorophenyl)-2-hydroxypropyl]-2,4-dihydro-1,2,4-triazole-3-thione

Chemical name (CA)

(R,S)3H-1,2,4-triazole-3-thione, 2-[2-(1-chlorocyclopropyl)-3-(2-chlorophenyl)-2-hydorxypropyl]-1,2-dihydro-

CIPAC No

745

CAS No

178928-70-6

EEC No (EINECS or ELINCS)

Not available.

FAO Specification
(including year of                            publication)

Not available.

Minimum purity of the active substance as manufactured (g/kg)

965 g/kg

Identity of relevant impurities (of toxicological, environmental and/or other significance) in the active substance as manufactured (g/kg)

None

Molecular formula

C14H15Cl2N3OS

Molecular mass

344.26

Structural formula

 

Metabolite of concern

Desthio-prothioconazole (JAU 6476-desthio, SXX 0665)

 

Physical-chemical properties

Melting point (state purity)

139.1 oC – 144.5 oC (99.4%)

Boiling point (state purity)

487 oC ± 50 oC (calculation)

Temperature of decomposition

Thermally stable at ambient temperature under air

Appearance (state purity)

Colourless to faintly beige powder (99.4%)

Relative density (state purity)

1.36 g/ml at 20 oC (99.4%)

Surface tension

67 mN/m at 20 oC

Vapour pressure (in Pa, state temperature)

<< 4 x 10-7 Pa at 20 oC

<< 4 x 10-7 Pa at 25 oC

Henry’s law constant (in Pa·m3·mol-1)

<< 3 x 10-5 Pa x m3 / mole at 20 oC

Solubility in water (in g/l or mg/l, state                                   temperature)

0.005 g/L at 20 oC at pH 4

0.3 g/L at 20 oC at pH 8

2.0 g/L at 20 oC at pH 9

Solubility in organic solvents (in g/l or

 mg/l, state temperature)

n-heptane

xylene

1-octanol

2-propanol

ethyl acetate

polyethylene glycol (PEG)

acetonitrile

acetone

dimethylsulfoxide

dichloromethane

< 0.1

8

58

87

>250

>250

69

>250

126

88

g/L at 20 oC

g/L at 20 oC

g/L at 20 oC

g/L at 20 oC

g/L at 20 oC

g/L at 20 oC

g/L at 20 oC

g/L at 20 oC

g/L at 20 oC

g/L at 20 oC

Partition co-efficient (log Pow) (state pH and temperature)

 

Unbuffered

pH 4

pH 7

pH 9

Log Pow

4.05

4.16

3.82

2.0     all at 20 oC

Hydrolytic stability (DT50) (state pH and temperature)

DT50 at 50 oC: pH 9 and 7: > 1 year, pH 4: 120 days

DT50 at 25 oC: pH 9, 7 and 4: > 1 year

Dissociation constant

pKa = 6.9

UV/VIS absorption (max.) (if absorption >290 nm state ε at wavelength)

Typical maximum absorption at:

pH 4: 252 nm

pH 9: 196 nm and 244 nm

Photostability (DT50) (aqueous, sunlight,  state pH)

DT50­ at pH 7 (sterile aqueous phosphate buffer), exposed to simulated sunlight (Suntest® at 25 oC: experimental half-life: 47.7 hours (n=2), corresponding to a predicted environmental half-life under solar summer conditions (June) of Phoenix, AZ, USA of 7.1 days and 11 days at Athens.

Quantum yield of direct photo-

transformation in water at λ > 290 nm

The mean quantum yield was calculated to be

F = 0.0638 (pH 4) and 0.0047 (pH 9).

Photochemical oxidative degradation in air

Chemical lifetime in the air < 3 hours with respect to the OH radical reaction, only.

Flammability

Not flammable

Auto-flammability

Not submitted.

Oxidative properties

Not oxidative

Explosive properties

Not explosive

 

De ‘metabolite of concern’, desthio-prothioconazole is geen relevante onzuiverheid in de technische werkzame stof. Een rapport van de MA-studie is onderweg en zal worden geleverd aan de RMS. In afwachting van dit rapport kan worden volstaan met het statement van de aanvrager dat de stof in kwestie geen relevante onzuiverheid in de werkzame stof is.

 

Werkzame stof fluoxastrobin

 

Voor de fysisch-chemische eigenschappen wordt gebruik gemaakt van de eindpuntentabel zoals die als onderdeel van de concept monografie, laatst bijgewerkt op 24 juni 2005, is opgesteld en besproken in de ECCO/EPCO bijeenkomsten. Er is commentaar geleverd door Nederland op 17 juni 2004.

Identity

Active substance (ISO Common Name)

fluoxastrobin

Chemical name (IUPAC)

(E)-{2-[6-(2-chlorophenoxy)-5-fluoropyrimidin-4-yloxy]phenyl}(5,6-dihydro-1,4,2-dioxazin-3-yl)methanone O-methyloxime

Chemical name (CA)

(E) Methanone, [2-[[6-(2-chlorophenoxy)-5-fluoro-4-pyrimidinyl]oxy]phenyl]5,6-dihydro-1,4,2-dioxazin-3-yl)-, O-methyloxime (9CI)

CIPAC No

746

CAS No

361377-29-9

[The name fluoxastrobin was provisionally approved for the (EZ)-isomer [193740-76-0] in April 2002. The definition was changed to the (E)-isomer in January 2003]

EEC No (EINECS or ELINCS)

Not available

FAO Specification (including year of                                publication)

Not available.

Minimum purity of the active substance as manufactured (g/kg)

940 g/kg

Identity of relevant impurities (of toxicological, environmental and/or other significance) in the active substance as manufactured (g/kg)

Not applicable.

Molecular formula

C21H16ClFN4O5

Molecular mass

458.8 g/mole

Structural formula

 

Physical-chemical properties

Melting point (state purity)

103-108 oC (99.5%)

Boiling point (state purity)

Estimated to be 497 oC (Pure active substance (99.5%) decomposes at temperatures above 230°C)

Temperature of decomposition

>230°C (99.5%)

Appearance (state purity)

White solid (98.5%)

Relative density (state purity)

1.422 (99.5%)

Surface tension

68 mN/m

Vapour pressure
(
in Pa, state temperature)

5.6 x 10-10 Pa at 20 oC

Henry’s law constant (in Pa·m3·mol-1)

1 x 10-7 Pa m3 / mole at 20 oC

Solubility in water (in g/l or mg/l, state                                   temperature)

PH 4: 2.43 mg/l at 20 oC

pH 7: 2.29 mg/l at 20 oC

pH 9: 2.27 mg/l at 20 oC

Solubility in organic solvents (in g/l or

 mg/l, state temperature)

n-heptane

1-octanol

2-propanol

xylene

polyethylene glycol

ethyl acetate

acetonitrile

acetone

dichloromethane

dimethylsulfoxide

0.04 g/l at 20 oC

1.1  g/l at 20 oC

6.7 g/l at 20 oC

38 g/l at 20 oC

120 g/l at 20 oC

>250 g/l at 20 oC

>250 g/l at 20 oC

>250 g/l at 20 oC

>250 g/l at 20 oC

>250 g/l at 20 oC

Partition co-efficient (log Pow) (state pH and temperature)

Log Pow = 2.86 at 20oC

The range of pHs was not investigated as fluoxastrobin does not dissociate.

Hydrolytic stability (DT50)
(
state pH and temperature)

Stable to hydrolysis for at least 7 days at pH 4-9 and 50oC. The applicant stated that this indicated that at environmental pH’s and temperatures, fluoxastrobin is hydrolytically stable.

Dissociation constant

Fluoxastrobin has no acid or basic properties in aqueous solutions.  It is therefore impossible to specify dissociation constants of the active ingredient in water.

UV/VIS absorption (max.)
(if absorption >290 nm state ε at wavelength)

UV absorb 250 nm (e = 193581 mol-1 cm-1)

No absorbance was above 290 nm.

Photostability (DT50)
(aqueous, sunlight,  state pH)

31 days at pH 7 in sterile aqueous buffered solution, based on sunlight in Athens in June

Quantum yield of direct photo-

transformation in water at λ > 290 nm

0.00098 (E-isomer)

0.00089 (Sum of E and Z-isomers)

Photochemical oxidative degradation in air

Not submitted. Not required for environmental fate.

Flammability

Not considered (highly) flammable

Auto-flammability

Not submitted.

Oxidative properties

Not oxidising.

Explosive properties

Not explosive.

 

Middel FANDANGO

 

Formulation type (GIFAP code)

EC (emulsifiable concentrate).

Appearance

Clear, yellowish liquid with an aromatic odour.

Explosive properties

Not explosive.

Oxidative properties

Not oxidising.

Autoflammability

415 oC

Flashpoint

105 oC

pH 1% solution

pH 4.3

Particle size distribution

Not applicable.

Surface tension

34.1 mN/m (2.0% in water) at 20 oC

Viscosity

h = 91.0 mPa.s at 20 oC and sheer rate of 100 s-1

Relative density

D420 = 1.141

Storage stability/Shelf life/Packaging

FANDANGO was stable for a period of 2 years at ambient temperatures in commercial HDPE packaging.

Content active substance (g/l or g/kg)

Prothioconazole : 100g/l

Fluoxastrobin : 100 g/l

Physical and chemical compatibility

Not required. No mixing is proposed.

 

Het middel FANDANGO wordt geleverd in HDPE verpakkingen van 1, 5, 10 en 50 liter.

 

Naast de fysisch-chemische eigenschappen opgenomen in bovenstaande tabel voldoen ook de volgende eigenschappen aan de gestelde eisen: schuimvorming, emulgeerbaarheid, emulsie stabiliteit en heremulgeerbaarheid.

 

       Conclusie fysisch chemische eigenschappen

 

De geleverde gegevens geven in voldoende mate de mogelijkheid weer om de identiteit van de stof en het middel te kunnen vaststellen, specificeren en karakteriseren. Er is vastgesteld dat de standaardgegevens voor milieu, toxicologische aspecten en risico’s met betrekking tot de fysisch-chemische eigenschappen volledig zijn.

 

       Gegevens benodigd voor een volgende beoordeling

 

De aanvrager dient het gegeven statement met betrekking tot de metaboliet desthio-prothioconazool te onderbouwen met een MA-studie die geleverd zal worden aan de RMS. Dit rapport zal dan in de concept monografie opgenomen worden.

 

           

Etikettering fysische en chemische eigenschappen

 

Voorstel voor classificatie van prothioconazool met betrekking tot fysisch/ chemische eigenschappen

 

2c)

Gevaarsymbool:

-

Aanduiding:

-

 

R-zinnen

-

-

 

 

 

 

 

S-zinnen

21

Niet roken tijdens gebruik.

 

 

 

 

 

Deze classificatie wijkt af van de classificatie zoals voorgesteld in de conceptmonografie.

 

Voorstel voor classificatie van fluoxastrobin met betrekking tot fysisch/ chemische eigenschappen

 

2c)

Gevaarsymbool:

-

aanduiding:

-

 

R-zinnen

-

-

 

 

 

 

 

S-zinnen

21

Niet roken tijdens gebruik.

 

 

 

 

 

Deze classificatie wijkt af van de classificatie zoals voorgesteld in de conceptmonografie.

 

Voorstel voor classificatie en etikettering formulering met betrekking tot fysisch/ chemische eigenschappen

 

Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de eigenschappen van de hulpcomponenten en de wijze van toepassen wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:

 

1

Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen):

 

-

2c)

Gevaarsymbool:

-

aanduiding:

-

 

R-zinnen

-

-

 

 

 

 

 

S-zinnen

S21

Niet roken tijdens gebruik.

 

 

 

 

2d)

Specifieke vermeldingen:

DPD-zinnen

-

-

 

 

 

 

2f)

Gewasbeschermings-middelenzin:

DPD-zin

DPD01

-

2h)

Kinderveilige sluiting verplicht?

Nee

 

Voelbare gevaarsaanduiding verplicht?

Nee

 

Eventuele toelichting op verschil met voorstel aanvrager/huidige etikettering:

Gevaarsaanduiding:

-

R-zinnen:

-

S-zinnen

S21, de werkzame stoffen bevatten halogenen waardoor per de werkafspraak de S21 zin toegekend wordt.

Overige:

-

 

 

Analysemethoden in technisch materiaal en product

 

Technical as (principle of method)

Prothioconazole

HPLC and UV detection with internal standard.

Fluoxastronbin

HPLC and UV detection.

Impurities in technical as
(principle of  method)

Prothioconazole

HPLC and UV detection with external standard.

Fluoxastrobin

HPLC and UV detection.

Preparation (principle of method)

Prothioconazole and Fluxoastrobin

HPLC-UV method with external standard.

 

De analysemethoden voor de werkzame stof en de onzuiverheden in het technisch materiaal zijn afdoende beoordeeld in de conceptmonograph.

 

Voor de analysemethoden met betrekking tot het middel zijn door de aanvrager methoden geleverd. De validatie van deze methode is niet volledig met betrekking tot de nauwkeurigheid.

 

Residuanalysemethoden

 

Food/feed of plant origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring purposes)

Prothioconazole

Weeren, Pelz 2000 (GC-MS, JAU6467-desthio)

LOQ wheat, barley (forage, straw): 0.05 mg/kg

LOQ wheat, barley (grain), canola (seed), tomato, orange (fruit): 0.02 mg/kg

 

Heinemann 2000a/b (HPLC-MS/MS, JAU6476, JAU6476-desthio)

LOQ wheat and barley (grain) = 0.01 mg/kg

LOQ wheat and barley (starw, forage) = 0.05 mg/kg

 

Fluoxastrobin

Extraction of fluoxastrobin (E and Z isomers) from cereals and beer with acetone/water or methanol/water followed by clean up on a solid phase extraction column. The eluents were analysed by HPLC-MS/MS.

LOQ = 0.02 – 0.05 mg/kg

Food/feed of animal origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring purposes)

Prothioconazole

Heinemann 2001b (HPLC-MS/MS, JAU6476-desthio, JAU6576-3-hydroxy-desthio, JAU6476-4-hydroxy-desthio).

LOQ milk: 0.004 mg/kg

LOQ meat, liver, kidney, fat: 0.01 mg/kg

 

Fluoxastrobin

Fluoxastrobin residues (fluoxastrobin E and Z isomers and its metabolite phenoxy-hydroxy-pyrimidine [M55]) in animal products were determined by extraction with acetonitrile/water and the resulting extracs were cleaned up on a solid phase extraction column and the resulting eluents analysed by HPLC-MS/MS.

LOQ = 0.01 – 0.01 mg/kg

Soil (principle of method and LOQ)

Prothioconazole

Schramel 2000 (HPLC-MS/MS, JAU6476,
JAU6476-desthio, JAU6476-S-methyl)

Not necessary for monitoring.

LOQ soil: 0.006 mg/kg

Additional method :

Steinhauer 2001 (GC-MS, JAU6476-desthio)

LOQ soil : 0.01 mg/kg

 

Fluoxastrobin

Fluoxastrobin residues (fluoxastrobin E and Z isomers, des-chlorophenyl-fluoxastrobin [M48] (and fluoxastrobin carboxylic acid [M40]) in soil were determined by extraction with acetonitirile/water and the resulting extracts were analysed HPLC-MS/MS.

LOQ = 0.0045 – 0.01 mg/kg.

Water (principle of method and LOQ)

Prothioconazole

Sommor 2001b (HPLC-MS/MS, JAU6476, JAU6476-desthio)

LOQ surface and drinking water: 0.1 mg/kg for JAU6476 and 0.05 mg/kg for JAU6476-desthio.

 

Fluoxastrobin

Fluoxastrobin residues (fluoxastrobin E and Z isomers) in water were determined by direct injection into a HPLC-MS/MS.

LOQ = 0.05 mg/kg for surface water.

Air (principle of method and LOQ)

Prothioconazole

Maasfeld 2002a (HPLC-MS/MS, JAU6476)

LOQ air: 0.015 mg/m3

Additional method :

Maasfeld 2002b (HPLC-MS/MS, JAU6476-desthio)

LOQ air: 0.0006 mg/m3.




Fluoxastrobin

Fluoxastrobin residues (fluoxastrobin E and Z) in air were determined by solid phase extraction and the resulting eluents analysed by HPLC-UV-DAD.

LOQ 4 mg/m3.

Body fluids and tissues (principle of method and LOQ)

Not required, both prothioconazole and fluoxastrobin are non toxic compounds.

 

Vanuit de toepassing (Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing) dient voor de volgende typen gewassen een residuanalysemethode te worden geleverd: droge (winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst). De residuanalysemethoden voor plantaardige producten zijn gevalideerd voor droge matrices.

 

De residudefinitie voor prothioconazool in plantaardige producten, bodem, grond- en oppervlaktewater is prothioconazool en prothioconazool-desthio (M04) en in dierlijke producten is de residudefinitie prothioconazool-desthio. Voor lucht is de residudefinitie prothioconazool.

 

De voorgestelde MRL van prothioconazool volgens de concepmonografie is 0,01 mg/kg voor winter- en zomertarwe en triticale en 0,05 mg/kg voor winter- en zomergerst.

 

De residudefinitie voor fluoxastrobin in plantaardige producten is fluoxastrobin en de

Z isomeer, voor alleen granen.

 

De residudefinitie in lucht, bodem, oppervlakte water en grondwater is fluoxastrobin.

 

Voor dierlijke producten is de residudefinitie fluoxastrobin en zijn Z isomeer en de metaboliet phenoxy-hydroxy-pyrimidime (M55) uitgedrukt in totaal fluoxastrobin.

 

De voorgestelde MRL voor fluoxastrobin volgens de concept monografie is 0,05 mg/kg voor winter- en zomertarwe en triticale en 0,5 mg/kg voor winter- en zomergerst. Voor triticale is geen MRL gegeven, maar vanwege de overeenkomsten tussen tarwe en triticale en de dosering van het middel op beide gewassen wordt voor triticale dezelfde MRL aangehouden als voor tarwe. De MRL voor dierlijke producten is 0,02mg/kg voor melk en vlees, 0,05mg/kg in vet en lever en 0,1mg/kg in nieren.

 

De residuanalysemethoden voor de werkzame stof zijn als afdoende beoordeeld in de concept monografie, en de voorgestelde MRL kan met de voorgestelde methoden worden gemeten.

 

       Conclusie analysemethoden

 

De geleverde analysemethoden voldoen aan de vereisten. De residuanalysemethoden zijn specifiek en gevoelig genoeg om te kunnen worden gebruikt voor het controleren van de betreffende plantaardige en dierlijke producten op het maximaal toegestane gehalte, en het monitoren van de verspreiding van de residuen in het milieu.

 


Profiel werkzaamheid

 

Claim

 

FANDANGO wordt geclaimd ter bestrijding van diverse schimmelziekten in granen.

 

Tabel W.1 Geclaimde toepassingen van het middel FANDANGO

Toepassingsgebieden/ gewassen

werkingsspectrum

dosering

Winter- en zomertarwe en triticale

voetziekte (Pseudocercosporella herpotrichoides)

bladvlekkenziekte (Septoria tritici)

meeldauw (Erysiphe graminis)

DTR (Pyrenophora tritici-repentis)

bruine roest (Puccinia recondita)

gele roest (Puccinia striiformis)

kafjesbruin (Septoria nodorum)

aarfusarium (Fusarium spp.)

1,5 l/ha

Winter- en zomergerst

netvlekkenziekte (Pyrenophora teres)

bladvlekkenziekte (Rhynchosporium secalis)

dwergroest (Puccinia hordei)

meeldauw (Erysiphe graminis)

1,25 l/ha

 

Winter- en zomertarwe en triticale:

-            Voetziekte: bij de aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf begin strekking tot tweede knoop voelbaar (BBCH 30-32)

-            Bladziekten: bij de aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf dat de tweede knoop voelbaar is tot het in de aar komen (BBCH 32-55). Indien nodig de behandeling herhalen

-            Aarziekten: een behandeling uitvoeren vanaf het in de aar komen tot einde bloei
(BBCH 55-69).

Winter- en zomergerst:

Bij de aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf dat de tweede knoop voelbaar is tot het in de aar komen (BBCH 32-55). Indien nodig de behandeling herhalen.

 

FANDANGO mag in het kader van resistentiemanagement maximaal 2 keer per seizoen worden toegepast.

 

Karakterisering van het middel

 

FANDANGO is een middel op basis van de werkzame stoffen fluoxastrobin en prothioconazool. Dit zijn nieuwe werkzame stoffen. Prothioconazool behoort tot de groep van de triazolen en fluoxastrobin behoort tot de groep van stobilurinen. Prothioconazool is een systemisch en selectief fungicide met een preventieve en curatieve werking op een breed scala van schimmelziekten in graangewassen. Het middel heeft een goede duurwerking. Het werkingsmechanisme berust op ergosterol biosynthese remming. De triazolen vallen wat betreft het werkingsmechanisme onder de zogenaamde demethylatie inhibitoren ofwel DMI fungiciden.

Fluoxastrobin is eveneens een breedwerkend fungicide dat zowel een preventieve als een curatieve werking heeft. Van de strobilurinen is bekend dat deze een goede duurwerking hebben. De werking van fluoxastrobin bestaat o.a. uit remming van de sporenkieming en remming van de myceliumgroei. Fluoxastrobin heeft een systemische werking in het blad.

Aantaster/teelt

 

Blad- en aarziekten in de graanteelt kunnen door verschillende schimmels worden veroorzaakt zoals gele en bruine roest, echte meeldauw en bladvlekkenziekten. Deze schimmels kunnen al vanaf het begin van de stengelstrekking voorkomen.

In het algemeen geldt dat een aantasting van de bovenste bladeren, met name het vlagblad, en de aar door blad- en aarziekten een sterke opbrengstreductie kan geven, omdat het vlagblad een belangrijke rol speelt bij de korrelzetting en korrelvulling. Daarnaast verminderen bladziekten het assimilerend vermogen van het gewas. Voor de blad- en aarziekten geldt dat een dichte stand en een zwaar gewas het optreden van een aantasting bevordert.

 

Wijze van bestrijding

 

De kans op aantasting van blad- en aarziekten kan worden verminderd door de stoppel en opslagplanten goed onder te ploegen, te kiezen voor minder vatbare rassen, wintergranen zaaien na half oktober en een dichte, zware stand van het gewas voorkomen.

Voor blad- en aarziekten in tarwe  en gerst geldt dat een gewasbehandeling vooral gewenst is bij uitbreiding van de aantasting op de bovenste drie bladeren, omdat de bovenste bladeren van groot belang zijn bij de productie van assimilatieproducten die nodig zijn voor de vulling van de aren.

Tegen de verschillende blad- en aarziekten wordt in het algemeen een eenmalige behandeling uitgevoerd vanaf het verschijnen van het vlagblad (BBCH 39) tot het in aar komen (BBCH 59).

De inzet van de verschillende middelen verandert de laatste jaren steeds meer van een behandeling op vaste tijdstippen naar een geïntegreerde bestrijdingsstrategie met een middelkeuze en middeldosering die sterk op de ziektedruk en tijdstip van infectie is afgestemd. Veel gebruikte middelen in tarwe, triticale en gerst zijn onder te verdelen in de drie fungicidegroepen: morfolinen, triazolen en strobilurines, bijvoorbeeld middelen op basis van fenpropimorf, tebuconazool/triadimenol, propiconazool, azoxystrobin en trifloxystobin. De middelen worden zowel solo als in combinatieproducten met meerdere werkzame stoffen ingezet. Doel van het mengen is om de werking te versterken of te verbreden en ter voorkoming van resistentie. Bij eenzijdig gebruik van middelen bestaat het gevaar op resistentie. Met name bij de groepen der triazolen en de strobilurines is het gevaar op resistentie bij eenzijdig gebruik groot.

De kans op voetziekte in tarwe kan onder andere worden verminderd met een ruime vruchtwisseling (1 op 4), door niet te vroeg te zaaien en te zorgen voor een goed ontwatering.

 

Beoordeling werkzaamheid

 

Benodigd onderzoek

 

FANDANGO is een combinatieproduct op basis van de twee nieuwe werkzame stoffen fluoxastrobin en prothioconazool. Voor de beoordeling van de werking en de schadelijke effecten zijn gegevens van minimaal van 2 teeltseizoenen nodig zijn, met minimaal de gegevens van 3 á 4 geslaagde proeven per teeltseizoen en per schimmel. Daarnaast moet ook de meerwaarde van het combinatieproduct worden aangetoond. Aangezien prothioconazool sec in granen reeds in aanvraag is voor een toelating en voor fluoxastrobin sec geen aanvraag zal komen zal de meerwaarde van het combinatieproduct ten opzichte van prothioconazool sec moeten worden aangetoond.

Er zijn in principe geen extrapolatiemogelijkheden tussen de schimmels. Indien echter een goede werking wordt verkregen tegen Septoria tritici kan met minder gegevens over Septoria nodorum worden volstaan.

Opbrengstgegevens zijn noodzakelijk om het middel goed te kunnen beoordelen. De schadelijke effecten kunnen in de werkingsproeven worden bepaald.

Vanuit de proefgegevens van wintertarwe kan, zowel voor wat betreft de werking als schadelijke effecten, worden geëxtrapoleerd naar zomertarwe. Van zomertarwe kan niet naar wintertarwe worden geëxtrapoleerd, omdat de ziektedruk in de teelt van zomertarwe lager is dan in wintertarwe. Vanuit de gegevens van wintergerst kan naar zomergerst worden geëxtrapoleerd en vice versa. Met uitzondering voor de werking op netvlekkenziekte, hier kan alleen vanuit wintergerst naar zomergerst worden geëxtrapoleerd.


Geleverde gegevens

 

Het geleverde dossier is in zijn geheel beoordeeld waarbij is gekeken naar de bruikbaarheid van de gegevens voor de beoordeling en naar de consistentie van de geleverde gegevens.

Gegevens van proeven uitgevoerd in het buitenland zijn in de beoordeling betrokken, voor zover bruikbaar voor de beoordeling van de werking van het middel onder Nederlandse omstandigheden.

Proef uitvoering

 

Het werkingsonderzoek is uitgevoerd door zes verschillende bedrijven in Nederland, België, Frankrijk, Duitsland en Engeland in de periode van 1998 tot en met 2002. Alle bedrijven zijn officieel erkend voor het uitvoeren van deugdelijkheidsonderzoek.

 

Richtlijnen en proefopzet

 

Uitvoering van de proeven was overeenkomstig de vereisten zoals vastgelegd in de Handleiding Toelating Bestrijdingsmiddelen.

De werking van het middel FANDANGO is vergeleken met een standaardmiddel op basis van epoxiconazool/kresoxim-methyl en referentiemiddelen op basis van  epoxiconazool/kresoxim-methyl/fenpropimorf, azoxystrobin, epoxiconazool, tebuconazool, cyproconazool/trifloxystrobin, cyprodinyl en epoxyconazool/pyraclostrobin

 

Effectiviteit

 

Vaststellen dosering

 

In een aantal werkingsproeven in tarwe en gerst zijn doseringsreeksen opgenomen. In deze proeven zijn de doseringseffecten beoordeeld. Voor voetziekte, bladvlekkenziekte, echte meeldauw, bruine en gele roest in tarwe en aarfusarium in tarwe is de werking van de aangevraagde dosering vergeleken met lagere doseringen variërend van 0,5-0,83 maal de aangevraagde dosering (0,5N-0,83N). Hieruit kwam naar voren dat de aangevraagde dosering de beste resultaten gaf, waarbij het verschil tussen de 0,83N en de aangevraagde dosering vaak niet significant was. In gerst is de werking tegen netvlekkenziekte, bladvlekkenziekte, dwergroest en echte meeldauw getoetst in doseringen van 0,6 tot
1,2 maal de aangevraagde dosering (0,6N-1,2N). Hieruit kwam naar voren dat de aangevraagde dosering betere resultaten gaf dan de lagere doseringen, maar dat de hoge dosering (1,2N) niet significant verschilde van de aangevraagde dosering.

Hiermee is vastgesteld dat de aangevraagde dosering de juiste dosering is.


 

Conclusie werkzaamheid

 

In een beperkt aantal werkingsproeven zijn doseringreeksen opgenomen. Zonder dat uit alle proeven een duidelijk doseringseffect naar voren kwam, is wel een trend waarneembaar dat de lagere doseringen iets minder werken dan de geclaimde doseringen in zowel tarwe als in gerst.

 

De werking van FANDANGO op voetziekte, bladvlekkenziekte, echte meeldauw, DTR, bruine roest, gele roest, kafjesbruin en aarfusarium in tarwe was goed en over het algemeen vergelijkbaar met, of beter, dan die van het standaardmiddel of de referentiemiddelen. De opbrengstgegevens ondersteunen deze conclusie. In de proeven met tarwe waren de opbrengsten bij FANDANGO hoger dan, of vergelijkbaar met die van het standaardmiddel of de referentiemiddelen.

Voor de beoordeling op bladvlekkenziekte, bruine roest en aarfusarium zijn hiervoor voldoende gegevens geleverd. Voor de beoordeling op voetziekte, echte meeldauw, DTR, gele roest en kafjesbruin zijn gezien de goede resultaten en de consistentie van de totaal geleverde gegevens in zowel tarwe als in gerst geconcludeerd worden dat de werking op voetziekte, echte meeldauw, DTR en gele roest voldoende onderbouwd is. Voor de werking tegen kafjesbruin wordt geconcludeerd, op grond van geleverde proeven en de consistente resultaten tegen bladvlekkenziekte, dat het middel ook hiertegen werkzaam is.

 

De werking van FANDANGO op netvlekkenziekte, bladvlekkenziekte, dwergroest en echte meeldauw in gerst was goed en over het algemeen vergelijkbaar met of beter dan die van het standaardmiddel of de referentiemiddelen. De opbrengsten ondersteunen deze conclusie. In de proeven met gerst waren de opbrengsten bij FANDANGO hoger dan of vergelijkbaar met die van het standaardmiddel of de referentiemiddelen.

Voor de beoordeling van netvlekkenziekte, bladvlekkenziekte en dwergroest zijn voldoende gegevens geleverd. De werking tegen echte meeldauw is, gezien de goede resultaten en de consistentie van de totaal geleverde gegevens in zowel tarwe als in gerst, voldoende onderbouwd.

Combinatieproducten

 

FANDANGO bestaat uit de werkzame stof fluoxastrobin en prothioconazool, deze stoffen hebben een verschillend werkingsmechanisme. De meerwaarde van het combinatieproduct ten opzichte van prothioconazool sec in een dosering van 0,8 l/ha, is in een groot  aantal werkingsproeven tegen de diverse ziektes beoordeeld.

 

In 19 opbrengstproeven in tarwe was de opbrengst bij FANDANGO hoger dan die van prothioconazool sec, waarbij in 11 proeven het verschil significant was. In 3 proeven was de opbrengst lager en in 6 proeven was de opbrengst vergelijkbaar met die van prothioconazool sec.  Verder zijn in de een voldoende aantal proeven de opbrengstgegevens van FANDANGO en prothioconazool sec in gerst bepaald. De opbrengstgegevens tussen FANDANGO en prothioconazool sec laten een wisselend resultaat zien met over het algemeen weinig significante verschillen.

 

FANDANGO laat een tendens zien dat het combinatieproduct een versterkende werking heeft ten opzichte van prothioconazool sec. Deze tendens is niet in alle proeven even consistent gebleken. De meerwaarde van het combinatieproduct is verder gelegen in de verminderde risico’s op resistentie, zoals beschreven in de paragraaf over resistentie.


 

Schadelijke effecten

 

Fytotoxiciteit

 

In een gedeelte van de werkingsproeven zijn waarnemingen verricht op de schadelijke effecten op wintertarwe, zomergerst en wintergerst.

Er staan 25 geslaagde proeven ter beschikking om de schadelijke effecten in wintertarwe op verschillende rassen op verschillende locaties in het noordwesten van Europa te kunnen beoordelen. In deze proeven heeft alleen de geclaimde dosering gelegen en deze is één- of tweemaal toegepast. In twee proeven is lichte necrose geconstateerd, die vrij snel verdween na de toepassing. De schade bleef op een acceptabele niveau. In de overige proeven werd met de geclaimde dosering geen schadelijke effecten geconstateerd.

Er staan 7 geslaagde proeven in wintergerst en 2 geslaagde proeven in zomergerst ter beschikking om de schadelijke effecten te kunnen beoordelen. In deze proeven heeft alleen de geclaimde dosering gelegen en deze is één- of tweemaal toegepast. Slechts in
1 proef werden lichte verschijnselen van fytotoxiciteit geconstateerd. De schade was niet statistisch betrouwbaar groter dan die van het referentiemiddel op basis van  epoxiconazool/ pyraclostrobine. De schade bleef op een acceptabel niveau. In de overige proeven werd met de geclaimde dosering geen schadelijke effecten geconstateerd.

 

Effecten op volggewassen/vervanggewassen

 

Om de effecten van FANDANGO op volggewassen te kunnen beoordelen is in 2001 in Duitsland onderzoek uitgevoerd in kassen. Van 11 gewassen van verschillende families (monocotylen en dycotylen) zijn de schadelijke effecten beoordeeld bij verschillende doseringen van de afzonderlijke werkzame stoffen prothioconazool (200 tot 600 g/ha werkzame stof) en fluoxastrobin (200 tot 2400 g/ha werkzame stof) en van de combinatie prothioconazool/fluoxastrobin (125 tot 1000 g/ha werkzame stof). De grond, waarin de verschillende gewassen zijn gezaaid, werd behandeld met verschillende doseringen. De beoordeling op fytotoxiciteit zijn na 21 dagen uitgevoerd. Bij de meeste gewassen werd in geen enkel object met de verschillende doseringen effect waargenomen. Slechts twee gewassen gaven een geringe fytotoxiciteit te zien bij prothioconazool bij een dosering van 300 g/ha aan werkzame stof. Alleen Amaranthus retroflus gaf een sterke reactie te zien bij een dosering van 600 g/ha aan werkzame stof. Maar het betreft een toepassing op grond direct na het zaaien, dit zal in de praktijk nooit plaatsvinden.
Bovendien is het geen soort dat een bepaald productiegewas vertegenwoordigt. Op basis van deze proefgegevens kan worden geconcludeerd dat in praktijksituaties geen nadelige effecten op volg- en/of vervanggewassen worden verwacht. 

 

Effecten op nateelt

 

Er zijn twee proeven geleverd met twee toepassingen met een 2n dosering op wintertarwe en wintergerst, waarbij de kieming is beoordeeld. De toepassing van FANDANGO had geen negatief effect op de kieming van de graankorrels.  Op basis van deze proeven is de verwachting dat geen nadelige effecten op de nateelt zullen optreden.

 

Effecten op naburige gewassen

 

Om de effecten op naburige gewassen te testen zijn met dezelfde gewassen als in de proef met de volggewassen bespuitingen uitgevoerd met de geclaimde dosering tot een
3n dosering. Het betrof weelderige planten die onder glas zijn opgekweekt en zijn behandeld in het 1 tot 3 blad stadium. Met de geclaimde dosering werd in geen enkel gewas enige vorm van fytotoxiciteit geconstateerd. Met de 2n dosering werd in twee gewassen lichte fytotoxiciteit geconstateerd. Het betrof hier onder andere het gewas Sinapsis album, dit gewas vertegenwoordigt de gewassen uit de familie van de cruciferen. Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het hier gaat om proeven op weelderige gewassen in een dosering die in praktijksituaties als gevolg van drift niet zullen optreden. Op basis van deze proeven is de verwachting dat geen nadelige effecten op naburige gewassen zullen optreden.

 

Conclusie schadelijke effecten

 

Er zijn voldoende gegevens beschikbaar om in wintertarwe, winter- en zomergerst de schadelijke effecten van een toepassing met FANDANGO te kunnen beoordelen. In geen van de werkingsproeven is onacceptabele fytotoxiciteit geconstateerd.

De toepassing van FANDANGO heeft geen nadelige effecten op volggewassen, de nateelt en op naburige gewassen

 

Resistentie-ontwikkeling

 

FANDANGO bestaat uit de werkzame stof fluoxastrobin en prothioconazool. Prothioconazool behoort tot de groep van de DMI fungiciden. Van stoffen uit deze groep is bekend dat resistentie kan optreden bij regelmatig gebruik gedurende het teeltseizoen, in hetzelfde gewas. Tussen de werkzame stoffen die behoren tot de DMI kan kruisresistentie ontstaan. Volgens de meest recente inzichten (2002) van de werkgroep FRAC (Fungicide Resistance Action Commitee) wordt het gevaar op resistentieontwikkeling bij de DMI fungiciden over het algemeen beschouwd als “medium”. Met name het risico van resistentieontwikkeling bij echte meeldauw in granen is vrij groot, bij bladvlekkenziekte en voetziekte is het risico matig en bij roestschimmels is het risico laag. Ondanks dat in de loop van de jaren, sinds de introductie van DMI fungiciden, de oorspronkelijke werking is afgenomen worden deze fungiciden wereldwijd nog steeds veel ingezet.

Fluoxastrobin behoort tot de chemische groep van strobilurinen. Tussen de werkzame stoffen die behoren tot de strobilurinen kan kruisresistentie ontstaan. Verder is bekend dat verschillende pathogenen waaronder echte meeldauw en bladvlekkenziekte in granen resistentie vertonen tegen strobilurinen. Volgens de meest recente inzichten (2003) van de werkgroep FRAC (Fungicide Resistance Action Commitee) wordt het gevaar op resistentieontwikkeling bij deze fungiciden over het algemeen beschouwd als “high risk”.  Voor deze groep is een effectief resistentiemanagement strategie noodzakelijk.

 De werkgroep FRAC heeft een aantal richtlijnen opgesteld voor de toepassing van strobilurinen in granen. Geadviseerd wordt om strobilurinen gecombineerd toe te passen met een fungicide uit een ander werkingsgroep. Verder moet het aantal toepassing van strobilurinen worden beperkt tot twee per teelt.

Tussen de twee werkzame stoffen prothioconazool en fluoxastrobin is tot op heden geen kruisresistentie bekend.

FANDANGO is een combinatieproduct en wordt geclaimd voor maximaal 2 toepassingen en voldoet hiermee aan de belangrijkste richtlijnen van de werkgroep FRAC. Als combinatieproduct heeft FANDANGO een meerwaarde in het verkleinen van resistentierisico’s.

Extrapolatiemogelijkheden

 

Conform het extrapolatiedocument "Extrapolatiemogelijkheden werkings- en fytotoxiciteitsgegevens gewasbeschermingsmiddelen", versie 2.0, CTB, mei 2004, zijn bepaalde extrapolaties in tarwe en gerst mogelijk. Hierna worden alle extrapolatiemogelijkheden benoemd, ook indien die niet geclaimd zijn.

In principe geldt dat geen extrapolatie van de ene geclaimde ziekte naar de andere geclaimde ziekte mogelijk is. Wel is op basis van ervaringen met een aantal middelen bekend dat als bladvlekkenziekte (Septoria tritici) in tarwe goed wordt bestreden, ook een goed werking tegen kafjesbruin (Septoria nodorum) wordt verkregen. Daarom kan bij een goede werking tegen bladvlekkenziekte volstaan worden met beperkt onderzoek tegen kafjesbruin. In deze situatie is de hoeveelheid onderzoek tegen kafjesbruin beperkt maar de resultaten van de werking tegen bladvlekkenziekte en kafjesbruin zijn consistent. Daarom kan in dit geval vanuit Septoria tritici geëxtrapoleerd worden naar Septoria nodorum.

Vanuit wintertarwe kan zowel voor de werking als voor fytotoxiciteit worden geëxtrapoleerd naar zomertarwe en triticale. Extrapolatie van wintertarwe naar teff is voor de werking wel mogelijk, maar voor fytotoxiciteit niet omdat er geen expertise bestaat over de gevoeligheid van teff voor gewasbeschermingsmiddelen.

Vanuit wintergerst kan wat betreft de werking en de schadelijke effecten geëxtrapoleerd worden naar zomergerst, andersom is ook mogelijk behalve voor netvlekkenziekte gaat, omdat wintergerst gevoeliger is voor aantasting door netvlekkenziekte dan zomergerst. Alle proeven met netvlekkenziekte zijn in wintergerst uitgevoerd. Op basis hiervan kan de volledige claim in winter- en zomergerst worden gehonoreerd.

 

Conclusie werkzaamheid

 

Op basis van de geleverde gegevens en extrapolatiemogelijkheden kan geconcludeerd worden dat FANDANGO werkzaam is ter bestrijding van voetziekte, blad- en aarziekten veroorzaakt door bladvlekkenziekte, echte meeldauw, DTR, bruine roest, gele roest, kafjesbruin en aarfusarium in winter- en zomertarwe, triticale en netvlekkenziekte, bladvlekkenziekte, dwergroest en echte meeldauw in winter- en zomergerst.

Verder veroorzaakt de toepassing geen neveneffecten op planten en plantaardige producten in een mate die niet aanvaardbaar is.

 

 

Profiel humane toxicologie

 

Het betreft een aanvraag tot voorlopige toelating van het middel FANDANGO, een middel op basis van de werkzame stoffen prothioconazool en fluoxastrobin. Het betreft een schimmelbestrijdingsmiddel in de teelt van winter-, zomer tarwe, triticale, winter- en zomergerst.

Prothioconazool is een nieuwe stof die in het kader van de Gewasbeschermingsrichtlijn (91/414 –EC) wordt beoordeeld. Engeland heeft een Draft Assessment Report (DAR) opgesteld. Nederland heeft onlangs commentaar geleverd op deze DAR. De eindpuntenlijst staat hieronder weergegeven.

 

Fluoxastrobin is een nieuwe stof die in het kader van de Gewasbeschermingsrichtlijn
(91/414 –EC) wordt beoordeeld. Engeland heeft een Draft Assessment Report (DAR)opgesteld. Nederland heeft onlangs commentaar geleverd op deze DAR. De eindpuntenlijst staat hieronder weergegeven.

 

Prothioconazool

 

JAU 6476 is prothioconazool en JAU 6476-desthio (M04) is een metaboliet van deze stof. De toepasser kan worden blootgesteld aan prothioconazool en metaboliet M04. De  algemene bevolking kan met name blootgesteld worden aan metaboliet M04.

In onderstaande eindpuntenlijst worden zowel prothioconazool als JAU 6476-desthio besproken.


 

Absorption, distribution, excretion and metabolism in mammals (Annex IIA, point 5.1)

Rate and extent of absorption:

JAU 6476:
Rapid and nearly complete
(peak plasma levels less than 1 h after dosing
> 90 % of dose absorbed within 48 h after dosing
JAU 6476-desthio (M04):
Rapid and nearly complete
(peak plasma levels at 1-1.5 h after dosing
> 90 % of dose absorbed within 48 h after dosing

Distribution:

JAU 6476:
Broad distribution, but primarily to liver and kidney
JAU 6476-desthio (M04):
Limited distribution to peripheral tissues; mainly to liver and renal cortex, intensive enterohepatic re-circulation

Potential for accumulation:

None

Rate and extent of excretion:

JAU 6476:
The excretion of radioactivity is almost complete within 48  hours of oral administration of [triazole- UL-14C]- and [phenyl-UL-14C]JAU 6476. Approximately 90 - 100 % of orally administered doses was excreted with urine, faeces, or bile within 7 days of treatment, and less than 5.82 % of the administered dose remained in the body. At sacrifice, 78 - 96 % of the administered dose had been excreted with the faeces and 4 -16 % in the urine.
JAU 6476-desthio (M04):
Between 68 and 74 % was excreted with the faeces and about 10 % in urine.

Metabolism in animals

JAU 6476:
JAU 6476 is extensively metabolised to 18 metabolites, with the major metabolic reactions being desulfuration, oxidative hydroxylation of the phenyl moiety, and conjugation with glucuronic acid. Two major metabolites formed, JAU 6476-desthio (M04) and JAU 6476-S- or O-glucuronides (M06 or M07), and parent JAU 6476, each account for
³10 % of the administered dose. 1,2,4-triazole (M13), occurs in urine at up to 2.3 % of the administered dose. M06 or M07 is detected in amounts of 3.9 - 7.7 % of the administered dose in the urine of females, but only in very minor amounts (ca. 0.1 %) in the urine of males. Thus, M06 or M07 represents the only metabolite with a sex-dependent occurrence in urine, although it is the main metabolite in the bile of males. With this exception, the metabolism of JAU 6476 is not influenced by dose level, dose regimen and sex.
JAU 6476-desthio (M04):
Metabolism proceeds via oxidation reactions on the phenyl moiety only with subsequent glucuronidation and methylation of the oxidation products.  The cyclopropyl and triazole ring structures of JAU 6476-desthio remain intact.

Toxicologically significant compounds
(animals, plants and environment)

All main metabolites identified in plants were also detected in the rat metabolism study.  For the following minor crop metabolites, further tests were conducted (acute oral toxicity test, Ames-test, and in some cases 90 d repeat dose/terato studies):
JAU 6476-triazolinone (M03), JAU 6476-
a-hydroxy-desthio (M18), JAU 6476-a-acetoxy-desthio (M19) and JAU 6476-benzylpropyldiol (M09).
The tests did not show they possessed more serious toxicological potential than the parent compound.

 

Acute toxicity (Annex IIA, point 5.2)

 

JAU 6476:

JAU 6476-desthio (M04):

Rat LD50 oral

> 6200mg/kg

>2500 mg/kg

Rat LD50 dermal

> 2000mg/kg

>5000 mg/kg

Rat LC50 inhalation

> 4990mg/m³

>5077 mg/m3
(dust)

Skin irritation

Non-irritant

Non-irritant

Eye irritation

Non-irritant

Slightly irritating

Skin sensitisation (test method used and result)

Non-sensitizer

Non-sensitizer

 

Short term toxicity (Annex IIA, point 5.3)

 

JAU 6476:

JAU 6476-desthio (M04):

Target / critical effect

Liver, kidney

Liver

Lowest relevant oral NOAEL / NOEL

25 mg/kg bw /day (dog)

1.6 mg/kg bw/day (dog)

 

 

JAU 6476:

JAU 6476-desthio (M04):

Lowest relevant dermal NOAEL / NOEL

>1000 mg/kg bw /day (rat)

No dermal study submitted – as this material is a metabolite.

Lowest relevant inhalation NOAEC/ NOEC

not relevant

 

Genotoxicity (Annex IIA, point 5.4)

JAU 6476:

Induces chromosome aberrations in Chinese hamster lung cells in vitro.

Inconsistent/equivocal results for induction of mutations in mammalian cells in vitro (considered to be positive on a precautionary basis).

Negative results in in vivo assays (rat liver UDS and two mouse bone marrow micronucleus assays).

JAU 6476-desthio (M04):

No genotoxic properties

 

Long term toxicity and carcinogenicity (Annex IIA, point 5.5)

 

JAU 6476:

JAU 6476-desthio (M04):

Target/critical effect

Liver, kidney

Liver

Lowest relevant NOAEL / NOEL

5 mg/kg bw /day (rat, dog)

1.1 mg/kg bw /day (rat)

Carcinogenicity

not carcinogenic

not carcinogenic

Reproductive toxicity JAU 6476 (Annex IIA, point 5.6)

Reproduction target / critical effect

parental: reduced - weight gain, thymus weight; increased -  food intake, liver weight;

reproductive: reduced - implantations and litter size.  Also disruption to the oestrus cycle.

Lowest relevant reproductive NOAEL / NOEL

parental:       9.7 mg/kg bw /day
reproductive:   95.6 mg/kg bw /day (NOAEL)

Developmental target / critical effect*

 

parental: mortality, body weight loss/ decreased gain, decreased food consumption.
pups: retarded ossification , reduced fetal weights, total litter losses, abortions.

Lowest relevant developmental NOAEL / NOEL*

 

maternal: 80 mg/kg bw /day (rabbit).
developmental: 80 mg/kg bw /day (rabbit).

* Eindpuntenlijst DAR n.a.v. commentaar lidstaten aangepast.

Aanvullende opmerking CTB: Er is geen sprake van teratogeniteit in de studies met ratten aangezien de incidentie van effecten binnen de historische controle waarden vallen. De effecten in het konijn zijn  het gevolg van maternale toxiciteit.

 

Reproductive toxicity JAU 6476-desthio (M04): (Annex IIA, point 5.6)

Reproduction target / critical effect

Dystocia

Lowest relevant reproductive NOAEL / NOEL

11 mg/kg bw (rat multigen)

Developmental target / critical effect

Increase in fetuses  arthrogryposis, and fetuses with multiple abnormalities.

Lowest relevant developmental NOAEL / NOEL

2 mg/kg bw/day (rabbit)

Aanvullende opmerking CTB: Er is sprake van ontwikkelingstoxiciteit.  Het verschil in toxiciteit tussen de moederstof en de metaboliet M04 wordt mogelijk veroorzaakt door het verschil in metabolisme. Een klein gedeelte van de moederstof wordt omgezet in de metaboliet.  De metaboliet wordt vervolgens niet in de circulatie opgenomen. De uitscheiding van de metaboliet vindt met name plaats via de faeces. Indien dieren direct oraal worden blootgesteld aan de metaboliet dan komt een  deel wel in de circulatie zonder detoxificatie in de lever.

 

Delayed neurotoxicity (Annex IIA, point 5.7)

 

Not relevant

 

 

Other toxicological studies (Annex IIA, point 5.8) Data for metabolites

Data for the main metabolite JAU 6476-desthio (M04) is displayed in parallel with that for the parent.

All the other main metabolites identified in plants were also detected in the rat metabolism study. For the following minor crop metabolites which were not found in rats, an acute oral toxicity test in rats and a muta­genicity test in vitro (Ames-test) were conducted:
JAU 6476-triazolinone (M03), JAU 6476-
a-hydroxy-desthio (M18), JAU 6476-a-acetoxy-desthio (M19) and JAU 6476-benzylpropyldiol (M09).
The tests showed that they are acutely less toxic than the parent compound and also do not exhibit a mutagenic potential.

JAU 6476-sulfonic acid (M02):
The acute oral LD50 value in the rat is 300 - 500mg/kg lower than both JAU 6476 (> 6200mg/kg) and M04 (2506 - 2806mg/kg). Therefore, further studies to elucidate the toxicological profile were performed:
M02 is not mutagenic in the Ames test either with or without metabolic activation. In a 13-week dietary toxicity study NOEL values of 34.3 and 163mg/kg bw/day were established in males and females, respectively. M02 has no significant potential for hepatic enzyme induction in the rat after 13 weeks treatment. M02 does not produce adverse toxicological effects in the liver at oral dose levels up to 136 and 163mg/kg bw/day in the rat. M02 does not produce an increased incidence of supernumerary ribs at 750mg/kg bw/day or any skeletal, visceral or external abnormalities. Effects are confined to reduced fetal weight gain associated with retarded ossification at 750mg/kg bw/day. Thus, the NOEL is 150mg/kg bw/day.  In comparison, the lowest NOEL in a developmental toxicity study with M04 is 1mg/kg bw/day.

 

Acute and subchronic neurotoxicity

no primary neurotoxic effects for JAU 6476 or JAU 6476-desthio (M04).

Medical data (Annex IIA, point 5.9)

 

no indication of special concern (further information required)

 

Summary (Annex IIA, point 5.10)

Value

Study

Safety factor

ADI (mg/kg bw/day)

JAU 6476

 

JAU 6476-desthio

0.05 mg/kg bw/day

0.01 mg/kg bw /day

rat – oncogenicity

rat – oncogenicity

100

 

 

100

AOEL (systemic) (mg/kg bw/day)

JAU 6476

JAU 6476-desthio*

0.25 mg/kg bw/day

0.01 mg/kg bw /day

13 week dog

Rabbit gavage

embryotoxicity study

100

 

200

Drinking water limit (mg/L)

JAU 6476

JAU 6476-desthio

0.1 mg/l

 

 

ARfD (acute reference dose) (mg/kg bw/day)

JAU 6476

JAU 6476-desthio*

0.5 mg/kg bw/day

0.01 mg/kg bw /day

Rat developmental

Rabbit gavage embryotoxicity study

1000

200

 * Eindpuntenlijst DAR n.a.v. commentaar lidstaten aangepast

 

Dermal absorption (Annex IIIA, point 7.3)

Prothioconazole

No studies conducted

100% assumed for concentrate and dilutions.

JAU 6476-desthio (Desthio-prothioconazole)

In vivo study with rhesus monkeys.  Test material was SC formulation containing 480 g/l of JAU 6476-desthio.  Exposure for 8 hours.  Single dose tested was 144 mg at 6.13 mg/cm2.  Dermal absorption was 26% (including tissue residues).  Given differences in permeability between monkey skin and human skin, 20% dermal absorption is appropriate for use in operator exposure calculations.

 

Ontbrekende gegevens werkzame stof

 

Er ontbreken geen gegevens.

 

Fluoxastrobin

 

List of end points (aangepast tijdens EPCO 14, okt. 2005 in York)



Absorption, distribution, excretion and metabolism in mammals (Annex IIA, point 5.1)

Rate and extent of absorption

80—92% within 24-30h  (ca. 80% biliary, remainder in urine)

Distribution

Highest concentrations in liver, kidneys and bladder

Potential for accumulation

No evidence of accumulation.

Rate and extent of excretion

84-100% within 48h (mostly via bile)

Metabolism in animals

Extensively metabolised (< 10% of administered dose recovered as parent at low dose).  50 metabolites identified.

Toxicologically significant compounds
(animals, plants and environment)

Parent compound and metabolites.  Metabolite 48 considered non-relevant for ground water.

 

Acute toxicity (Annex IIA, point 5.2)

Rat LD50 oral

> 2,000 mg/kg bw

Rat LD50 dermal

> 2,000 mg/kg bw

Rat LC50 inhalation

> 5 mg/l

Skin irritation

Non-irritant

Eye irritation

Slight but not classifiable.

Skin sensitization (test method used and result)

Non-sensitiser (Magnusson and Kligman) in test with HEC 5725 of high purity (98.1% pure) and HEC 5725 (93.6%).

 

Short term toxicity (Annex IIA, point 5.3)

Target / critical effect

Reduced body weight gain  and increased serum alkaline phosphatase (critical effects in dogs)

Liver (main target organ in dogs, mice and rats) Kidney/urethra/bladder lesions (at high dose in rats) 

Lowest relevant oral NOAEL / NOEL

90 day, dog: 3 mg/kg bw/day based on two 90 d dog and
90 day time point in 1 year dog studies.

1-year, dog: 50 ppm (1.5 mg/kg bw/d).

Lowest relevant dermal NOAEL / NOEL

>1,000 mg/kg bw/d

Lowest relevant inhalation NOAEL / NOEL

No data submitted (none required)

 

Genotoxicity (Annex IIA, point 5.4)

 

Not genotoxic

 

Long term toxicity and carcinogenicity (Annex IIA, point 5.5)

Target/critical effect

Reduced body weight gain in rats (= the critical effect)

Liver (target organ in rats and mice)

Altered calcium and phosphate metabolism (rats)

Lowest relevant NOAEL / NOEL

2 year, rat: 500 ppm (35 mg/kg bw/day)

Carcinogenicity

No carcinogenic potential.

 

Reproductive toxicity (Annex IIA, point 5.6)

Reproduction target / critical effect

No adverse effects on reproductive outcome.

Developmental effects ( reduced body weight gain, delayed development,  reduced weight of thymus and spleen ) at parentally toxic dose

Lowest relevant reproductive NOAEL / NOEL

10,000 ppm (742-764 mg/kg bw/d) for reproductive outcome

1000 ppm (171 mg/kg bw/day) for developmental effects

Developmental target / critical effect

Slight dilation of brain ventricles in rabbits at maternal toxic dose.

Minimal evidence for retarded skeletal ossification in rats (possible presence of altered maternal Ca/P homeostasis not investigated in this study).

No classification necessary.

Lowest relevant developmental NOAEL / NOEL

100 mg/kg bw/d (rabbit)

 

Neurotoxicity / Delayed neurotoxicity (Annex IIA, point 5.7)

 

 

Not neurotoxic in acute and subchronic studies in rats

 

Other toxicological studies (Annex IIA, point 5.8)

 

 

Specific investigations in rats and mice did not show any immunotoxic effects.

 

In rats, phosphate and calcium homeostasis disturbed as a result of reduced phosphate absorption from gut. Relative phosphate deficiency counter-regulated by reduced renal excretion of phosphate and renal hyper-excretion of calcium. At high doses, increased calcium excretion and increased urinary pH led to calculi formation and other lesions of urinary system.

 

Impurities 7, 15, 20, 21 and 22: rat oral LD50 >2500 mg/kg bw, not mutagenic in Ames test



Impurity 23: rat oral LD50 >300 <500 mg/kg bw, not mutagenic in Ames test

 

Metabolite 48: not mutagenic in Ames test. Toxicology addressed by production in rats at levels of 10-20% of administered dose. Not considered a relevant metabolite for ground water risk assessment.

 

Medical data (Annex IIA, point 5.9)

 

No detrimental effects on health in manufacturing personnel.

 

Summary (Annex IIA, point 5.10)

Value

Study

Safety factor

ADI

0.015 mg/kg bw

Dog, 1 year study

100

AOEL

0.03 mg/kg bw/d

Dog, 90-day, and 90 day time point from
1-year studies.

100

ARfD (acute reference dose)

0.3 mg/kg bw

Dog, first week of 90-day and 1-year studies

100

 

Dermal absorption (Annex IIIA, point 7.3)

 

 

4% for fluoxastrobin from the HEC5725 EC 100 formulation (concentrate and in-use dilution), based on an in vivo monkey study with this formulation.

 

 

Ontbrekende gegevens werkzame stof

 

Er ontbreken geen gegevens.

 

Formulering(en)

 

FANDANGO is een fungicide op basis van de nieuwe werkzame stoffen prothioconazool
(100 g/l) en fluoxastrobin (100 g/l). De aanvraag betreft de toelating in de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst (beroepsmatig gebruik). Het middel mag in het kader van resistentiemanagement maximaal 2 keer per seizoen worden toegepast.

Formuleringstoxicologie

 

FANDANGO behoeft geen classificatie voor acuut orale, dermale en inhalatoire toxiciteit (LD50 oraal rat > 2500 mg/kg lg, LD50 dermaal rat > 4000 mg/kg lg en LC50 rat > 5,077 mg/L).

 

FANDANGO is niet irriterend voor de huid en ogen. FANDANGO was negatief in een maximisation test voor huidsensibilisatie bij de cavia. De maximisatie test was niet geheel conform de OECD richtlijn 406 uitgevoerd, alvorens de topicale inductie uit te voeren had SDS moeten worden gebruikt. Echter gezien de eigenschappen van de werkzame stoffen en de overige bestanddelen van de formulering wordt niet verwacht dat de formulering FANDANGO sensibiliserende eigenschappen heeft.

 

Beoordeling van het risico voor de toepasser (beroepsmatig)

 

Overzicht toepassingen

Het betreft een aanvraag voor een voorlopige toelating van FANDANGO, een fungicide op basis van de nieuwe werkzame stoffen prothioconazool en fluoxastrobin. De aanvraag betreft de toelating in de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst (beroepsmatig gebruik). Het middel mag in het kader van resistentiemanagement maximaal 2 keer per seizoen worden toegepast met een dosering van 1,5l/ha (winter- en zomertarwe en triticale), en 1,25 l/ha (winter- en zomergerst).

Prothioconazool

 

Afleiden AOEL’s

FANDANGO wordt maximaal 2 keer per seizoen, in het voorjaar, toegepast. Voor de risicobeoordeling wordt daarom uitgegaan van een semi-chronische blootstelling (hiermee wordt ook rekening gehouden met loonwerkers). Een AOEL wordt afgeleid voor prothioconazool en de metaboliet prothioconazool-desthio. Deze metaboliet is namelijk toxischer dan de moederstof en de toepasser kan worden blootgesteld aan deze metaboliet aangezien deze kan worden gevormd in verdund FANDANGO, op kleding, huid of plantoppervlakken tijdens het drogen.

 

De AOELsystemisch voor prothioconazool wordt afleid van de NOAEL van 25 mg/kg lg/dag in de 13-14 weken studies in muis en hond. Onderstaande veiligheidsfactoren worden gebruikt om te compenseren voor de onzekerheid die voortvloeit uit de verschillen tussen de experimentele omstandigheden, de situatie op de werkplek en om de waarschijnlijkheid te vergroten dat er bij de toelaatbaar geachte blootstelling inderdaad geen nadelige effecten voor de gezondheid optreden.

Gebruikte factoren zijn:

·       extrapolatie  muis ® mens o.b.v. calorische behoefte:                                      7         

·       overige interspecies verschillen:                                                                         3

·       intraspecies verschillen:                                                                                      3         

·       biologische beschikbaarheid via de orale route:                                                 >90%

·       gewicht werker:                                                                                                   70 kg

 

AOELsystemisch Prothioconazool:  25x 70 / (7 x 3 x 3 ) = 27,8 mg/ persoon/dag

 

(De AOEL vastgesteld in de DAR/eindpuntenlijst is 0,25 mg/kg lg/dag;
17,5 mg/persoon/dag)

 

De AOELsystemisch voor prothioconazool-desthio wordt afleid van de NOAEL van
2 mg/kg lg/dag in de teratogeniteitstudie in het konijn (gavage). Onderstaande veiligheidsfactoren worden gebruikt om te compenseren voor de onzekerheid die voortvloeit uit de verschillen tussen de experimentele omstandigheden, de situatie op de werkplek en om de waarschijnlijkheid te vergroten dat er bij de toelaatbaar geachte blootstelling inderdaad geen nadelige effecten voor de gezondheid optreden.

Gebruikte factoren zijn:

·       extrapolatie  konijn ® mens op basis van calorische behoefte:                         2,4      

·       overige interspecies verschillen:                                                                         3

·       intraspecies verschillen:                                                                                      3

·       extra factor voor teratogene effecten                                                                  10                   

·       biologische beschikbaarheid via de orale route:                                                 >90%

·       gewicht werker:                                                                                                   70 kg

 

AOELsystemisch Prothioconazool-desthio:  2 x 70 / (2,4 x 3 x 3 x 10) = 0,65 mg/ persoon/dag

 

Schatting van de blootstelling/berekening Risico indices

 

Prothioconazool-desthio kan worden gevormd in verdund FANDANGO, in het bijzonder op kleding, huid of plantoppervlakten tijdens drogen. De blootstelling aan prothioconazool en prothioconazool-desthio tijdens mengen/laden en toepassen wordt gebaseerd op een veldstudie uitgevoerd in Duitsland met JAU 6476 EC250. In deze studie is uitgegaan van standaard beschermende kleding gedurende mengen/laden en toepassen. Handschoenen werden gedragen bij handelingen met het onverdunde product en gecontamineerde oppervlakten. Deze veldstudie is gebruikt om de blootstelling aan FANDANGO te schatten bij het gebruik zoals omschreven in het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing.

 

In onderstaande tabel wordt aangegeven hoe de interne blootstelling na dermale en inhalatoire blootstelling aan prothioconazool bij gebruik van FANDANGO zich verhoudt tot de systemische AOEL. Voor de totale dagblootstelling dienen de afzonderlijke handelingen (mengen/laden  en toepassen) te worden opgeteld.

Tabel T.1 Risicobeoordeling voor interne blootstelling aan prothioconazool bij beschermd gebruik van FANDANGO, via dermale en inhalatoire route

 

Route

Geschatte blootstelling (mg/dag)a

AOEL (mg/dag)

Risico index b

In de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst
Mengen/laden/toepassen

inhalatoir

0,001

27,8

<0,001

 

dermaal

0,036

27,8

0,001

Totaal

 

0,037

27,8

0,001

a blootstelling is geschat met behulp van een veldstudie waarbij handschoenen en beschermende coverall werd gedragen. Om de systemische blootstelling te bepalen is gebruik gemaakt van 100% dermale en inhalatoire absorptie.

b ratio van geschatte blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.


 

Tabel T.2 Risicobeoordeling voor interne blootstelling aan prothioconazool-desthio bij gebruik van FANDANGO, via dermale en inhalatoire route

 

 

 

Route

Geschatte blootstelling (mg/dag)a

AOEL (mg/dag)

Risico index b

In de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst
Mengen/laden/toepassen

inhalatoir

0,001

0,65

0,002

 

dermaal

0,003

0,65

0,005

Totaal

 

0,004

0,65

0,006

a blootstelling is geschat met behulp van een veldstudie waarbij handschoenen en beschermende coverall werd gedragen. Om de systemische blootstelling te bepalen is gebruik gemaakt van 20% dermale en 100% inhalatoire absorptie.

b ratio van geschatte blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.

 

Re-entry

 

Kort na toepassing hoeven geen werkzaamheden te worden uitgevoerd waarbij intensief contract met het gewas plaatsvindt. Er wordt derhalve geen risico verwacht voor herbetreders.

 

Conclusie

 

Op basis van deze arbeidstoxicologische risicobeoordeling kan worden geconcludeerd dat nadelige gezondheidseffecten niet worden verwacht als gevolg dermale en inhalatoire blootstelling aan prothioconazool, prothioconazool-desthio bij van beschermd gebruik van FANDANGO, in de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst. 

 

Deze conclusie wordt ondersteund door een uitgevoerde risicobeoordeling op basis van een blootstellingsberekening met betrekking tot EUROPOEM. Omdat EUROPOEM een onderscheid maakt tussen mengen/laden en toepassen, kan worden afgeleid dat met name mengen/laden een risico-index kan geven tussen 1-10. Op basis van risicomanagement is het gebruik van handschoenen bij mengen/laden dus voldoende.

 

Ontbrekende gegevens

 

Er ontbreken geen gegevens.


Fluoxastrobin

 

Afleiden AOEL’s

 

FANDANGO wordt 2 keer per seizoen, in het voorjaar, toegepast. Voor de risicobeoordeling wordt daarom uitgegaan van een semi-chronische blootstelling (hiermee wordt ook rekening gehouden met loonwerkers).

De AOELsystemisch voor fluoxastrobin wordt afleid van de NOAEL van 3 mg/kg lg/dag in de
90 dagen studie met de hond. Onderstaande veiligheidsfactoren worden gebruikt om te compenseren voor de onzekerheid die voortvloeit uit de verschillen tussen de experimentele omstandigheden, de situatie op de werkplek en om de waarschijnlijkheid te vergroten dat er bij de toelaatbaar geachte blootstelling inderdaad geen nadelige effecten voor de gezondheid optreden.


 

Gebruikte factoren zijn:

·       extrapolatie  hond ® mens op basis van calorische behoefte:                          1,4      

·       overige interspecies verschillen:                                                                         3

·       intraspecies verschillen:                                                                                      3         

·       biologische beschikbaarheid via de orale route:                                                 >90%

·       gewicht werker:                                                                                                   70 kg

 

AOELsystemisch fluoxastrobin:  3 x 70 /(1,4x3x3) = 16,7 mg/ persoon/dag

 

 

Schatting van de blootstelling/berekening Risico indices

 

De blootstelling aan fluoxastrobin tijdens mengen/laden en toepassen is geschat met behulp van modellen. Bij de blootstellingsschattingen is uitgegaan van een onbeschermde werker. In onderstaande tabel wordt aangegeven hoe de interne blootstelling na dermale en inhalatoire blootstelling aan fluoxastrobin bij gebruik van FANDANGO zich verhoudt tot de systemische AOEL. Voor de totale dagblootstelling dienen de afzonderlijke handelingen (mengen/laden  en toepassen) te worden opgeteld.

Tabel T.3 Risicobeoordeling voor interne blootstelling aan fluoxastrobin bij gebruik van FANDANGO, via dermale en inhalatoire route

 

Route

Geschatte blootstelling (mg/dag)a

AOEL (mg/dag)

Risico index b

In de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst

Mengen/laden/toepassen

inhalatoir

0,001

16,7

<0,001

 

dermaal

0,001

16,7

<0,001

Totaal

 

0,002

16,7

<0,001

a blootstelling is geschat met behulp van een veldstudie waarbij handschoenen en beschermende coverall werd gedragen. Om de systemische blootstelling te bepalen is gebruik gemaakt van 4% dermale en 100% inhalatoire absorptie.

b ratio van geschatte blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.

 

Re-entry

 

Kort na toepassing hoeven geen werkzaamheden te worden uitgevoerd waarbij intensief contract met het gewas plaatsvindt. Er wordt derhalve geen risico verwacht voor herbetreders.

 

Conclusie

 

Op basis van deze arbeidstoxicologische risicobeoordeling kan worden geconcludeerd dat nadelige gezondheidseffecten niet worden verwacht als gevolg dermale en inhalatoire blootstelling aan fluoxastorbine bij van beschermd gebruik van FANDANGO, in de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst. 

 

Ontbrekende gegevens

 

Er ontbreken geen gegevens.

 

Beoordeling van het risico voor de volksgezondheid

 

Overzicht toepassingen

 

Het betreft een aanvraag voor een voorlopige toelating van FANDANGO, een fungicide op basis van de nieuwe werkzame stoffen prothioconazool en fluoxastrobin. De aanvraag betreft de toelating in de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst (beroepsmatig gebruik). Het middel mag in het kader van resistentiemanagement maximaal 2 keer per seizoen worden toegepast.

Prothioconazool

 

Residues

Metabolism in plants (Annex IIA, point 6.1 and 6.7, Annex IIIA, point 8.1 and 8.6)

Plant groups covered

Cereals (wheat)
Oilseeds (peanut)

Rotational crops

Wheat / Swiss chard / Turnips

Plant residue definition for monitoring

Prothioconazole (JAU 6476) and prothioconazole-desthio. (JAU 6476-desthio, M04, SXX 0665)

Plant residue definition for risk assessment

JAU 6476-desthio (M04, SXX 0665)

Conversion factor (monitoring to risk assessment)

Not applicable

 

Metabolism in livestock (Annex IIA, point 6.2 and 6.7, Annex IIIA, point 8.1 and 8.6)

Animals covered

Lactating ruminants (goat)
laying hens (chicken)

Animal residue definition for monitoring

JAU 6476-desthio (M04, SXX 0665).

Animal residue definition for risk assessment

JAU 6476-desthio (M04, SXX 0665)

Conversion factor (monitoring to risk assessment)

Not applicable

Metabolism in rat and ruminant similar (yes/no)

Yes

Fat soluble residue: (yes/no)

No

 

Residues in succeeding crops (Annex IIA, point 6.6, Annex IIIA, point 8.5)

 

Wheat / Swiss chard / Turnips (cf. "Metabolism in plants")

 

Stability of residues (Annex IIA, point 6.0, Annex IIIA, point 8 introduction)

 

JAU 6476-desthio (M04):
> 1.5 years in wheat green matter
> 1.5 years in wheat grain
> 1.5 years in wheat straw

 

Residues from livestock feeding studies (Annex IIA, point 6.4, Annex IIIA, point 8.3)

Intakes by livestock ³ 0.1 mg/kg diet/day:

Ruminant:
yes/no

Poultry:
yes/no

Pig:
yes/no

 

Goat liver:        0.04 mg/kg
Goat kidney:     0.02 mg/kg
Goat muscle: < 0.01 mg/kg
Goat fat:        < 0.01 mg/kg
Goat milk:   < 0.004 mg/kg

 

Summary of critical residues data (Annex IIA, point 6.3, Annex IIIA, point 8.2)

Crop

Northern or Mediterranean Region

Trials results
relevant to the critical GAP (a)
(mg/kg)

Recommen-dation/ comments

MRL
(mg/kg)

STMR (b)
(mg/kg)

Wheat

Northern EU

10: all < 0.01

 

0.01

< 0.01

Southern EU

8: all < 0.01

 

Barley

Northern EU

9: all < 0.01

 

0.05

0.01

Southern EU

8: 3 x 0.02, 3 x 0.01, 2 x < 0.01

 

Rape

Northern EU

8: 2 x 0.02, 1 x 0.01, 5 x < 0.01

 

0.05

< 0.01

Southern EU

4: 2 x 0.01, 2 x < 0.01

 

(a)       Numbers of trials in which particular residue levels were reported
     e.g. 4 x <0.01, 3 x 0.01, 1 x 0.02

(b)       Supervised Trials Median Residue i.e. the median residue level estimated on the basis of supervised trials relating to the critical GAP

 

Consumer risk assessment (Annex IIA, point 6.9, Annex IIIA, point 8.8)

As prothioconazole-desthio (M04) was the major constituent identified in crop residues, it is proposed that the ADI and ArfD for prothioconazole-desthio should be used for the consumer risk assessment.

ADI (JAU 6476-desthio, M04, SXX0665)

0.01 mg/kg bw/day

ARfD (JAU 6476-desthio, M04, SXX0665)

0.01 mg/kg bw/day

 

Processing factors (Annex IIA, point 6.5, Annex IIIA, point 8.4)

Crop/processed crop

Number of studies

Transfer factor

% Transference

Not applicable (na), no residues

 

 

 

 

Residuen

Er zijn residuproeven geleverd in winter tarwe en gerst, uitgevoerd met de formulering FANDANGO. De resultaten uit deze proeven zijn in lijn met de resultaten van de proeven die worden beschreven in de monografie. De Good Agricultural Practice (GAP) uit de monografie kan worden gezien als meer kritisch dan de GAP voor de Nederlandse aanvraag, derhalve kunnen de residugegevens uit de monografie worden beschouwd als worst case.

 

Voorgestelde MRL’s

 

Op basis van de geleverde residustudies kan worden aangesloten bij de residugegevens in de monografie en de eindpuntenlijst. Voor de aangevraagde toepassing in Nederland kunnen de volgende voorlopige MRL’s worden vastgesteld:

Tarwe:                                                           0,02 mg/kg*

Triticale                                                          0,02 mg/kg*

Gerst:                                                             0,02 mg/kg* (Noord-Europese toepassing)

Vlees, vet & lever, nieren van slachtdieren   0,05 mg/kg

Melk:                                                              0,01 mg/kg

 

Dieetberekening

 

Teneinde de toelaatbaarheid van de voorgestelde residutoleranties te toetsen aan de Nederlandse consumptiegegevens en aan de voorgestelde ADI werden NTMDI-berekeningen uitgevoerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van Nederlandse consumptiegegevens. De NTMDI-berekening laat zien dat de het risico voor de volksgezondheid door chronische inname verwaarloosbaar is (<2% voor volwassenen en <5% voor kinderen van 1-6 jaar). De NESTI-berekeningen laten eveneens zien dat de het risico op de volksgezondheid na acute inname verwaarloosbaar is (<3% voor volwassenen en kinderen van 1-6 jaar).

 

Conclusie

 

Het risico voor de volksgezondheid wordt verwaarloosbaar geacht.

Ontbrekende gegevens

Er ontbreken geen gegevens

 

Fluoxastrobin

 

Residues

 

Metabolism in plants (Annex IIA, point 6.1 and 6.7, Annex IIIA, point 8.1 and 8.6)

Plant groups covered

Cereals

Rotational crops

Wheat, Turnip and Swiss Chard

Plant residue definition for monitoring

Fluoxastrobin (Sum of E and Z-isomers)

Plant residue definition for risk assessment

Fluoxastrobin (Sum of E and Z-isomers)

Conversion factor (monitoring to risk assessment)

1

 

Metabolism in livestock (Annex IIA, point 6.2 and 6.7, Annex IIIA, point 8.1 and 8.6)

Animals covered

Lactating goat and hen

Animal residue definition for monitoring

Sum of fluoxastrobin (E and Z-isomers) and its metabolite phenoxy-hydroxy-pyrimidine (M55) expressed as fluoxastrobin

Animal residue definition for risk assessment

Sum of fluoxastrobin (E and Z-isomers) and its metabolite phenoxy-hydroxy-pyrimidine (M55) expressed as fluoxastrobin

Conversion factor (monitoring to risk assessment)

1

Metabolism in rat and ruminant similar (yes/no)

Yes

Fat soluble residue: (yes/no)

No, based on partition coefficient.

 

Residues in succeeding crops (Annex IIA, point 6.6, Annex IIIA, point 8.5)

 

 

No data were submitted or required, due to residues of parent and individual metabolites in rotational crops being less than 0.1 mg/kg in the rotational crop metabolism study, with the exception of fluoxastrobin and fluoxastrobin-4-hydroxyphenyl in wheat straw planted in
30 and 162 aged soil.  However, as fluoxastrobin is for use on cereals, it is unlikely that residues of fluoxastrobin in the soil would contribute significantly to the residue in following cereal crops treated with fluoxastrobin for the following reasons:

a)                                          the metabolism study was conducted at 2N

b)                                          radiolabelled fluoxastrobin was applied to bare soil instead of a crop

c)                                          the proposed application being three treatments and not one as in the metabolism study – seedtreatment (12 months before following crop planted) and two foliar treatments at GS 32 (5 months year before following crop planted) and 69 (3 months before following crop planted).

 

 

Stability of residues (Annex IIA, point 6 introduction, Annex IIIA, point 8 introduction)

 

 

Residues of fluoxastrobin are stable for up to 24 months in tomatoes, lettuce, wheat forage, wheat grain, wheat straw and potatoes.

 

Residues from livestock feeding studies (Annex IIA, point 6.4, Annex IIIA, point 8.3)

Intakes by livestock ³ 0.1 mg/kg diet/day:

Ruminant:

yes

Poultry:

No

Pig:

no

Muscle

Mean residue = 0.01 mg/kg

Highest residue = 0.01 mg/kg

-

-

Liver

Mean residue = 0.02 mg/kg

Highest residue = 0.02

-

-

Kidney

Mean residue = 0.04 mg/kg

Highest residue = 0.05 mg/kg

-

-

Fat

Mean residue = 0.01

Highest residue = 0.02

-

-

Milk

Mean residue = 0.01

Highest residue = 0.01

-

-

Eggs

-

 

-

-

 


 

Summary of critical residues data (Annex IIA, point 6.3, Annex IIIA, point 8.2)

Crop

Northern or Mediterranean Region

Trials results relevant to the critical GAP

 

(a)

Recommendation/comments

MRL

STMR

 

(b)

Wheat and rye

 

N

S

8x<0.02

7x<0.02, 1x0.02

Acceptable

0.05

0.02

Barley

 

N

S

3x<0.02, 1x0.02, 3x0.03, 1x0.04

1x<0.02, 1x0.02, 1x0.05, 1x0.24, 1x0.27

Acceptable

0.5

0.05

(a) Numbers of trials in which particular residue levels were reported e.g. 3 x <0.01, 1 x 0.01, 6 x 0.02, 1 x 0.04, 1 x 0.08, 2 x 0.1, 2 x 0.15, 1 x 0.17.

(b) Supervised Trials Median Residue i.e. the median residue level estimated on the basis of supervised trials relating to the critical GAP.

Consumer risk assessment (Annex IIA, point 6.9, Annex IIIA, point 8.8)

ADI

0.015

ARfD

0.3

 

Processing factors (Annex IIA, point 6.5, Annex IIIA, point 8.4)

Crop/processed crop

 

Number of studies

Transfer factor

% Transference

Barley/Barley rub

2

3

300

Barley/Pearl barley

2

1*

100*

Barley/Malted sprout

2

1.6

160

Barley/Brewers malt

2

1.6

160

Barley/Brewers grain

2

1.5

150

Barley/Hops draft

2

1*

100*

Barley/Brewers yeast

2

1*

100*

Barley/Beer

2

1*

100*

Limit of determination (0.05 mg/kg) was greater than the residue in the barley
(0,03-0,04 mg/kg).

 

Residuen

Er zijn residuproeven geleverd in wintertarwe en gerst, uitgevoerd met de formulering FANDANGO. De resultaten uit deze proeven zijn in lijn met de resultaten van de proeven die worden beschreven in de monografie van fluoxastrobin. De GAP uit de monografie is gelijk aan de GAP voor de Nederlandse aanvraag.

 

Voorgestelde MRL’s

Op basis van de geleverde residustudies kan worden aangesloten bij de residugegevens in de monografie en de eindpuntenlijst. Voor de aangevraagde toepassing in Nederland kunnen de volgende voorlopige MRL’s worden vastgesteld:

tarwe, triticale:                        0,05 mg/kg*

gerst:                                      0,5 mg/kg*

melk:                                      0,02*

vlees:                                      0,02*

vet:                                         0,05

nieren van slachtdieren:         0,1

lever:                                      0,05

 

Dieetberekening

 

Teneinde de toelaatbaarheid van de voorgestelde residutoleranties te toetsen aan de Nederlandse consumptiegegevens en aan de voorgestelde ADI werden NTMDI-berekeningen uitgevoerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van Nederlandse consumptiegegevens. De NTMDI-berekening laat zien dat de het risico voor de volksgezondheid door chronische inname verwaarloosbaar is (2,6% voor de algehele bevolking en 4,1% voor kinderen van 1-6 jaar). De NESTI-berekeningen laten eveneens zien dat de het risico op de volksgezondheid na acute inname verwaarloosbaar is (0,1% voor de algemene bevolking en 0,2% voor kinderen van 1-6 jaar).

 

Conclusie

Het risico voor de volksgezondheid wordt verwaarloosbaar geacht.

Ontbrekende gegevens

Er ontbreken geen gegevens.

 

Combinatietoxicologie

Het middel FANDANGO is een mengsel met 2 werkzame stoffen. Het is niet onderzocht wat de toxicologische werking van deze 2 stoffen in combinatie met elkaar is.

Het is mogelijk dat gecombineerde blootstelling aan deze stoffen leidt tot een ander toxicologisch profiel dan het profiel dat is afgeleid van de individuele stoffen, omdat ze elkaars werking kunnen beïnvloeden. Hiervoor is het echter nodig dat blootstelling plaatsvindt op of nabij het niveau waarbij ongewenste effecten van de individuele stoffen kunnen worden verwacht, tenzij als gevolg van een identiek toxicologisch aangrijpingspunt met een additief effect rekening moet worden gehouden

 

De 2 werkzame stoffen in FANDANGO hebben beide effecten op de lever (enzyminductie). Bij gelijktijdige blootstelling aan deze stoffen kunnen deze elkaars werking beïnvloeden. Gezien het feit dat de ingeschatte blootstelling (bij beschermd gebruik) van deze stoffen maar een kleine fractie is van de toelaatbaar geachte blootstelling (AOEL, ADI, ARfD) worden ook bij een additief effect geen risico’s ingeschat van gelijktijdige blootstelling aan prothioconazool en fluoxastrobin.

 

Etikettering humane toxicologie

 

Voorstel voor classificatie prothioconazool (symbolen en R-zinnen)
(EU classificatie)

 

Symbool:

-

met als onderschrift: -

 

R-zinnen

-

-


Voorstel voor classificatie fluoxastrobin (symbolen en R-zinnen)
(EU classificatie)

 

Symbool:

-

met als onderschrift: -

 

R-zinnen

-

-



Voorstel voor classificatie en etikettering formulering(en) met betrekking tot de gezondheid

Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de geleverde formuleringstoxicologie voor het middel, de eigenschappen van de hulpcomponenten, de wijze van toepassen en de risicoschatting voor de  toepasser wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:

 

 1

Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen):

 

-

2c)

Gevaarsymbool:

-

aanduiding:

-

 

R-zinnen

-

-

 

 

 

 

 

S-zinnen

37

Draag geschikte handschoenen

 

 

 

 

2d)

Specifieke vermeldingen:

DPD-zinnen

14*

Inlichtingenblad aangaande de veiligheid is voor de professionele gebruiker op aanvraag verkrijgbaar

 

 

 

 

2f)

Gewasbeschermings-middelenzin:

DPD-zin

DPD01

Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen

2h)

Kinderveilige sluiting verplicht?

nvt

 

Voelbare gevaarsaanduiding verplicht?

nvt

*Deze zin vervalt indien aan het middel voor één van de andere aspecten wél een gevaarsaanduiding is toegekend.

 

Eventuele toelichting op verschil met voorstel aanvrager/huidige etikettering:

Gevaarsaanduiding:

-

R-zinnen:

-

S-zinnen

S37 wordt toegekend op basis van een blootstelling veldstudie en de risicoschatting, S36 is niet nodig.

Overige:

DPD-01 wordt standaard aan alle gewasbeschermingsmiddelen toegekend

DPD-14 wordt toegekend aan preparaten welke niet voor het grote publiek bestemd zijn welke geen classificatie hebben.

 

 

Profiel milieuchemie en –toxicologie

 

Achtergrond

Het betreft een aanvraag tot de voorlopige toelating van FANDANGO
(100 g prothioconazole/L + 100 g fluoxastrobin) als schimmelbestrijdingsmiddel tegen blad- voet- en aarziekten in de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst
(1 of 2 x 1,50 of 1,25 L/ha).

 

Tabel M.1 Toepassingsoverzicht

Nr. toep.

Toepassing

Dosering w.s. [kg/ha]*

Freq.

Interval [dag]

Tijdstip toepassing

1

Winter- en zomertarwe, triticale en spelt

0,150 + 0,150

1-2

21

Maart-juni

2

Winter- en zomergerst

0,125 + 0,125

1-2

21

Apr-juni

* fluoxastrobin + prothioconazool

 

Profiel Fluoxastrobin

 

Fluoxastrobin is een nieuwe stof, die nog niet op Annex I van Richtlijn 91/414/EEG geplaatst is. Er is een concept-monografie beschikbaar. RMS is Engeland. Voor de risicobeoordeling van milieuaspecten is gebruik gemaakt van de laatste eindpuntenlijst van augustus 2004. Commentaar is cursief toegevoegd.

 

Fate and Behaviour in the Environment

 


Route of degradation (aerobic) in soil (Annex IIA, point 7.1.1.1.1)

Mineralisation after 100 days

 

0.7-10% after 91-98 days ring 3 label (n = 4)

3.6-34.1% after 91 days ring 2 label (n=2)

Non-extractable residues after 100 days

 

13.4-69.3% after 91-98 days ring 3 label (n = 4)

10.7-34.8 % after 91 days ring 2 label (n=2)

Relevant metabolites - name and/or code, % of applied (range and maximum)

 

Major metabolites (>10% AR)

M48 18.9-30.2 % after 30-270 days ring 3 label
(n = 4)

M48 10.3-32.2% after 30-365 days ring 2 label (n=2)

 

Route of degradation in soil - Supplemental studies (Annex IIA, point 7.1.1.1.2)

Anaerobic degradation

 

Non standard anaerobic water sediment study using ring 3 label showed:

Negligible mineralisation after 91 days

23.4% unextracted residues after 91 days

M40 seen at 12.7% in total system after 120 days

Soil photolysis

 

2.3-4.4% mineralisation after 15 days irradiation ring 2 label (n = 2)

4.8% mineralisation after 15 days irradiation ring 3 label (n=1)

8.3-8.6% unextracted residue after 15 days ring 2 label (n=2)

10.3% unextracted residue after 15 days ring 3 label (n=1)

 

Z-isomer of fluoxastrobin increased to 17.1% after 15 days ring 3 label and 16.4-22.2% after 15 days ring 2 label. 

 

Overall the effect of light on degradation in the environment is likely to be low as the photolytic DT50s of sum of E+Z isomers are not significantly different to dark control DT50s.

 

Rate of degradation in soil (Annex IIA, point 7.1.1.2, Annex IIIA, point 9.1.1)

Method of calculation

Parent: first order kinetics (Model Maker) for both lab and field data

M48: first order kinetics (ACSL Optimize 1996) for lab data; insufficient data from field

Laboratory studies (range or median, with n value,

with r2 value)

DT50lab (20°C, aerobic):

parent: 12-356 days (n=6, r2 = 0.87-0.99)

M48: 33.8-99.8 days (n=3, r2 = 0.96-0.99)

M40: 10.9-25.1 days (n=3, r2 = 0.97-0.99) For FOCUS gw modelling for M48-Geometric mean 54.2 days used (Not normalised for soil moisture)

 

DT90lab (20°C, aerobic):

parent: 40-1180 days (n=6, r2 = 0.87-0.99)

M48: 113-333 days (n = 3, r2 = 0.96-0.99)

M40: 36-84 days (n=3, r2 = 0.97-0.99)

 

DT50lab (10°C, aerobic) parent: From 20°C aerobic values above as 26.4-783.2 days using Q10 of 2.2.

Laboratory studies (range or median, with n value,

with r2 value)

DT50lab (20°C, anaerobic): Anaerobic data not required for intended use.

 

Non-standard anaerobic water sediment study showed DT50 (first order) as 146 days

 

degradation in the saturated zone:

not submitted, not required.

Field studies (state location, range or median with n value)

DT50f (Parent):

Northern Europe                    Southern Europe16-119 days (n=6)      77-97 days (n=2) For FOCUS gw modelling for parent -Used geometric mean from all studies 39.1 days normalised to 20°C (56% transformed to M48 with 44% transformed to other compounds).

 

DT90f (Parent):

Northern Europe         Southern Europe

54-395 days (n=6)      256-323 days (n=2)

Soil accumulation and plateau concentration

Fluoxastrobin could accumulate if used year on year.  Plateau concentration after three years worth of applications is calculated as 0.032 mg/kg assuming a DT50 of 119 days and a total annual application of 97.5 g/ha (seed treatment plus 2 foliar treatments with crop interceptions of 50% and 70% respectively)

 


Soil adsorption/desorption (Annex IIA, point 7.1.2)

Kf /Koc (ml/g)

Kd

pH dependence (yes / no) (if yes type of

dependence)

Koc parent 424-1582 (mean 848, 1/n=0.84-0.87 mean 0.86, n=4)

M48 14-181.5 (mean 60.25, 1/n = 0.92-0.98, mean 0.95 n =4)

M40 37-87 (mean 59, 1/n = 0.86-0.95, mean 0.9, n = 4)

M48 adsorption appeared to decrease with increasing soil pH.  No evidence that parent or M40 adsorption influenced by soil pH.

 For FOCUS gw modelling-

Mean values used.  For M48 and high pH soils, Koc 14, 1/n = 0.94 is appropriate.

 


 

Mobility in soil (Annex IIA, point 7.1.3, Annex IIIA, point 9.1.2)

Column leaching

 

No data submitted, not required as satisfactory batch sorption data are available.

Aged residues leaching

 

No data submitted, batch adsorption and modelling used to address this area.

Lysimeter/ field leaching studies

 

No data submitted, batch adsorption and modelling used to address this area.

 

Route and rate of degradation in water (Annex IIA, point 7.2.1)

Hydrolysis of active substance and relevant metabolites (DT50) (state pH and temperature)

pH 4: Stable to hydrolysis

 

pH 7: Stable to hydrolysis

 

pH 9: Stable to hydrolysis

Photolytic degradation of active substance and

relevant metabolites

Artificial radiation was equated to summer days in Athens (Greece, 38°N): fluoxastrobin DT50s:
33 days (ring 1) and 30 days (ring 3). 

Under sterile conditions M36 formed at 23.6% (ring 1) and 17.1% (ring 3) after 8 days continuous experimental irradiation.

In a microbially active aqueous photolysis laboratory study with sediment present M36 was not detectable.

Readily biodegradable (yes/no)

No data submitted, therefore not readily biodegradable.

Degradation in    - DT50 water

water/sediment    - DT90 water

 

 

                            - DT50 whole system

                            - DT90 whole system

26-42 days

85-140 days (1st order, r2 = 0.97-0.98, n=2)

Modelled water degradation (excludes dissipation through partitioning to sediment).

144-182 days

477-603 days (1st order, r2=0.94, n=2)

Mineralisation

1.4-2.4% AR after 101 days (n=2)

Non-extractable residues

10.7-11.0% AR (at 101 days, n=2)

Distribution in water / sediment systems (active substance)

Maximum of 60.4-73.3% AR in sediment after 14 days (n=2).

Distribution in water / sediment systems (metabolites)

M48 2.6-15.9% AR in water after 122 days (n=2)

 

Fate and behaviour in air (Annex IIA, point 7.2.2, Annex III, point 9.3)

Direct photolysis in air

 

Not submitted.

Quantum yield of direct phototransformation

Mean quantum yield of 0.00098 (E isomer).

Photochemical oxidative degradation in air (DT50)

DT50 of 9.9 hours in air derived by the Atkinson method of calculation assuming a global 12 hour concentration of OH radicals of 1.5 x 106 radicals per cm3..

Volatilisation

from plant surfaces:

Not submitted, not required.

 

from soil:

Not submitted, not required.





Definition of the Residue (Annex IIA, point 7.3)

Relevant to the environment

 

 

Residue definition including major (>10% AR) metabolites or those > 0.1 mg/l in soil water at 1.1m depth:

Soil and surface water: parent and M48

Sediment: parent.

Groundwater: M48

 

Relevant residue definition:

Soil, surface water, sediment and ground water: Fluoxastrobin (i.e E-isomer only).

 

Monitoring data, if available (Annex IIA, point 7.4)

Soil (indicate location and type of study)

New substance.  Not available, not required.

Surface water (indicate location and type of study)

New substance.  Not available, not required.

Ground water (indicate location and type of study)

New substance.  Not available, not required.

Air (indicate location and type of study)

New substance.  Not available, not required.

 

Classification and proposed labelling (Annex IIA, point 10)

with regard to fate and behaviour data

 

Possible candidate for R53

 

M48 = HEC 5725-E-des-chlorophenyl.

M40 = HEC 4725 carboxylic acid

 

Effects on Non-target Species

 

Effects on terrestrial vertebrates (Annex IIA, point 8.1, Annex IIIA, points 10.1 and 10.3)

Acute toxicity to mammals

Rat LD50 (oral) > 2000 mg a.s. /kg bw

Reproductive toxicity to mammals

Rat NOEC 10,000 ppm a.s. in diet (742-764 mg a.s. /kg bw /day)

Acute toxicity to birds

Colinus virginianus (Bobwhite quail):

LD50 (oral) > 2000 mg a.s. / kg bw, NOEL 2000 mg a.s. / kg bw

Dietary toxicity to birds

Colinus virginianus (Bobwhite quail):

5 day LC50 (oral) > 5000 ppm a.s. in diet (966 mg a.s. /kg bw /day), NOEC 625 ppm a.s. in diet (151 mg a.s. /kg bw /day).

Anas platyrhynchos (Mallard duck):

5 day LC50 (oral) > 5000 ppm a.s. in diet (2194 mg a.s. /kg bw /day), NOEC 625 mg a.s. in diet (285 mg a.s. /kg bw /day).

Reproductive toxicity to birds

Colinus virginianus (Bobwhite quail):

NOEC 1000 ppm a.s. in diet (76 mg a.s. / kg bw / day)

Anas platyrhynchos (Mallard duck):

NOEC 461 ppm a.s. in diet (51 mg a.s. / kg bw / day)

 


 

Toxicity data for aquatic species (most sensitive species of each group) (Annex IIA, point 8.2, Annex IIIA, point 10.2)

Group

Test substance

Time-scale

Endpoint

Toxicity

(mg/l)

Laboratory tests

Oncorhychus mykiss (Rainbow trout)

Technical fluoxastrobin

Acute

96h LC50

0.435 mg a.s./l

Daphnia magna (water flea)

Technical fluoxastrobin

Acute

48h EC50 (immobilisation)

0.48 mg a.s./l

Americamysis bahia

(saltwater mysid)

Technical fluoxastrobin

Acute

96h LC50

0.0604 mg a.s./l

Gammarus pulex

Technical fluoxastrobin

Acute

48h EC50 (immobilisation)

0.15 mg a.s./l

Pseudo-kirchneriella subcapitata (alga)

Technical fluoxastrobin

Acute

72h EbC50 (cell density)

0.35 mg a.s./l

Lemna gibba

Technical fluoxastrobin

Acute

7 day ErC50

(growth rate)

> 6.0 mg a.s./l

Oncorhychus mykiss (ELS)

Technical fluoxastrobin

Long-term

95 day NOEC

0.0286 mg a.s./l

Daphnia magna

Technical fluoxastrobin

Long-term

21 day NOEC

0.18 mg a.s./l

Americamysis bahia

(saltwater mysid shrimp)

Technical fluoxastrobin

Long-term

28 day NOEC

0.00061 mg a.s./l

Chironomus riparius (sediment dwelling midge)

Technical fluoxastrobin

Long-term

28 day EC5 (development rate)

1.2 mg a.s./l

Oncorhychus mykiss (Rainbow trout)

HEC 5725-deschlorophenyl

Acute

96h LC50

> 102 mg metabolite /l

Daphnia magna

HEC 5725-deschlorophenyl

Acute

48h EC50 (immobilisation)

> 100 mg metabolite /l

Pseudo-kirchneriella subcapitata

HEC 5725-deschlorophenyl

Acute

72h EbC50
(cell density)

 100 mg metabolite /l

Oncorhychus mykiss

HEC 5725-carboxylic acid

Acute

96h LC50

> 95.7 mg metabolite /l

Daphnia magna

HEC 5725-carboxylic acid

Acute

48h EC50 (immobilisation)

> 100 mg metabolite /l

Pseudo-kirchneriella subcapitata

HEC 5725-carboxylic acid

Acute

72h EbC50
(cell density)

 115 mg metabolite /l

Chironomus riparius

HEC 5725-carboxylic acid

Long-term

28 day EC5 (emergence)

28.4 mg metabolite/l

Oncorhychus mykiss

HEC 5725 EC100

Acute

96h LC50

3.29 mg product/l

Daphnia magna

HEC 5725 EC100

Acute

48h EC50 (immobilisation)

5.0 mg product/l

Pseudo-kirchneriella subcapitata

HEC 5725 EC100

Acute

72h EbC50 (cell density)

4.8 mg product/l

Microcosm or mesocosm tests

Gammarus pulex (water sediment single species laboratory study)

HEC 5725 EC100

Long-term

28 day NOEC

0.0316 mg a.s./l

 

Bioconcentration

Bioconcentration factor (BCF)

52.1

Annex VI Trigger: for the bioconcentration factor

100

Clearance time           (CT50)

                      (CT90)

Level of residues (%) in organisms after the 14 day depuration phase

0.41-0.45 days (whole fish)

 

Not calculated

 

95-96% depuration after 14 days

 

Effects on honeybees (Annex IIA, point 8.3.1, Annex IIIA, point 10.4)

Acute oral toxicity

48h LD50 (technical fluoxastrobin): > 0.843 mg a.s./bee

48h LD50 (HEC 5725 EC100):  0.255 mg product /bee

96h LD50 (HEC 5725 EC100): 0.144 mg product /bee

Acute contact toxicity

48h LD50 (technical fluoxastrobin): > 0.2 mg a.s./bee

48h LD50 (HEC 5725 EC100):  0.297 mg product /bee

 

Effects on other arthropod species (Annex IIA, point 8.3.2, Annex IIIA, point 10.5)

Species

Stage exposed

Test

Substance1

Dose

(kg as/ha)

Endpoint

Adverse Effect2

Annex VI

Trigger

Laboratory tests

Aphidius rhopalo-siphi

Adult

HEC 5725 EC100(glass plate substrate)

80g a.s./ha

Corrected mortality (2DAT)

58%

LR50 68.1g a.s./ha

30%

Aphidius rhopalo-siphi

Adult

HEC 5725 EC100 (leaf substrate)

200g a.s./ha

Corrected mortality (2DAT)

82%

LR50 34.1g a.s./ha

30%

Typhlo-dromus pyri

Proto-nymph

HEC 5725 EC100(glass plate substrate)

200g a.s./ha

 

Corrected mortality (7DAT)

77%*

LR50 > 122.2g a.s./ha

30%

Typhlo-dromus pyri

Proto-nymph

HEC 5725 EC100 (leaf substrate)

200g & 400g a.s./ha

 

Corrected mortality (7DAT)

Eggs laid / female (8-14DAT)

0% & 25% *

-6% & +20% (both N/S)

LR50 > 400g a.s./ha

30%

Aloechara bilineata (rove beetle)

Adult

HEC 5725 EC100

(soil substrate)

200 & 400 g a.s./ha

 

Reproduc-tion (no. of F1 adults)

-3% & -15% reduction

(no mortality effects)

30%

Poecilus cupreus (carabid beetle)

Adult

HEC 5725 EC100, (soil substrate)

200 & 400 g a.s./ha

Mortality & food consump-tion (up to 14 DAT)

No mortality

No difference in food consumption

30%

Coccinella septem-punctata (ladybird)

Larvae

HEC 5725 EC100

(glass plate substrate)

35g a.s./ha

Corrected mortality (17DAT)

59%*

LR50 12.4g a.s./ha

30%

Coccinella septem-punctata (ladybird)

Larvae

HEC 5725 EC100

(leaf substrate)

200g a.s./ha

Corrected mortality (17DAT)

75%*

LR50 71.7g a.s./ha

30%

Chryso-perla carnea (lacewing)

Larvae

HEC 5725 EC100 (glass plate substrate)

200 & 400 g a.s./ha

 

 

Corrected mortality

Eggs laid / female

F1 egg fertility

52%* & 26%*

 

-10% & -7.7% (N/S)

+5.9 & +3.75 increase (N/S)

LR50> 500g a.s./ha

30%

*      significantly different from control (t-test p <0.05)

1 EC 250: emulsifiable concentrate containing 100 g fluoxastrobin/ litre of formulation.

2 Adverse effect:

x % effect on mortality = x % increase of mortality compared to control

y % effect on a sublethal parameter = y % decrease of sublethal paramether compared to control

(sublethal parameters are e.g. reproduction, parasitism, food consumption)

When effects are favourable for the test organisms, a + sign is used for the sublethal effectpercentages (i.e. increase compared to control) and a – sign for mortality effectspercentages (i.e. decrease compared to control).

Field or semi-field tests

In a semi-field trial using potted wheat plants effects of exposure to ‘HEC 5725 EC100’ treated leaves on the reproductive capacity of Aphidius rhopalosiphi were examined by counting the numbers of subsequently parasitised (mummified) aphids per exposed female (aphids being introduced 24 hours after exposure).  ‘HEC 5725 EC100’ was applied twice with a 14 day spray interval at the recommended individual dose of 200g a.s./ha. Reproductive capacity was reduced by 32% following exposure to freshly sprayed dried deposits but by only 13% following exposure to aged deposits (14DAT2).

 

Effects on earthworms (Annex IIA, point 8.4, Annex IIIA, point 10.6)

Acute toxicity

LC50 for fluoxastrobin, HEC 5725-des-chlorophenyl (M48), & HEC 5725-carboxylic acid (M40):

All >500 mg a.s. or 1000 mg metabolite /kg dry soil #

Reproductive toxicity

NOEL fluoxastrobin: >1000g a.s./ha (º1.33 mg a.s./kg dry soil)

NOEL HEC 5725-des-chlorophenyl: >1000 mg metabolite/ kg dry soil #

# Includes EPPO correction factor for the active substance of 2 - due to high organic matter content of test soil and log Kow of > 2 (to allow for possible increased adsorption of active / metabolite in test soil). The log Kow of the metabolites is < 2 and therefore no correction factor required for these.


 

Effects on other soil macro-organisms that contribute to organic matter breakdown (IIIA 10.6.2)

Species & study type

Test substance

Ecological endpoint

Soil PEC #

TER

Folsomia candida: 28 day chronic study

Technical fluoxastrobin

NOEC: 5 mg a.s. / kg dry soil *

0.242

21

Folsomia candida: 28 day chronic study

HEC 5725-deschlorophenyl

NOEC: 100 mg metabolite / kg dry soil

0.0149

6711

Hypoaspis aculeifer: 21 day chronic study

Bayer UK 831 (100g fluoxastrobin / litre)

NOEC: 10 mg a.s. /kg dry soil

0.242

41

*  Includes EPPO correction factor of 2 due to high organic matter content of test soil and log Kow of > 2

# Combined initial soil PEC following seed treatment with ‘Bayer UKA 148’ and the maximum proposed spray dose of ‘Bayer UK 831’ – for details see Section B.8.3.

Note: Current EC terrestrial ecotoxicology guidance includes TER trigger of 5 for collembola / mites, values of less than this indicating need for a litter bag study (SANCO 2002)

 

Results of litter bag study: Litter degradation in soil was not inhibited from seed treatment with ‘HEC 5725 FS050’ followed by spray treatment with ‘HEC 5725 EC100’  (% straw degradation in both treated and untreated plots was 90% 154DAT). It was noted that the measured concentration in soil samples taken 6 days after spray application was 0,121 mg a.s./kg dry soil – equivalent to 50% of the estimated maximum (initial ) soil PEC of 0,242 mg a.s./kg dry soil.  However, given the lack of significant effects in this study, together with the acceptable risk demonstrated for earthworms, soil macro-organisms, and soil micro-organisms, the evidence is considered sufficient to indicate an acceptable risk to soil organic matter decomposition processes.

 

Effects on soil micro-organisms (Annex IIA, point 8.5, Annex IIIA, point 10.7)

Nitrogen mineralization

Technical fluoxastrobin: Use at up to 2.83 mg fluoxastrobin / kg dry soil had no statistically significant effects on nitrogen mineralization when assessed 28 DAT

Carbon mineralization

Technical fluoxastrobin & HEC 5725-des-chlorophenyl (M48): Use at up to 2.83 mg fluoxastrobin / kg dry soil or of 2.73 mg HEC 5725-des-chlorophenyl / kg dry soil had no statistically significant effects on carbon mineralization when assessed 28 DAT

Note: Maximum soil PEC from proposed use (seed treatment plus foliar applications) = 0.242mg a.s. /kg dry soil.

 

 

Profiel prothioconazool

 

Prothioconazool is een nieuwe stof die nog niet geplaatst is op Annex I van Richtlijn 91/414/EEG. Er is een concept-monografie beschikbaar. De RMS is Engeland.

Voor de risicobeoordeling van milieu-aspecten is gebruik gemaakt van de laatste eindpuntenlijst van november 2004. Nederlands commentaar (januari 2005) is cursief toegevoegd.

 

Fate and Behaviour in the Environment

Route of degradation (aerobic) in soil (Annex IIA, point 7.1.1.1.1)

Mineralization after 100 days at 20°C

values are given for day 120:
range: 3.0 to 10.7%; median: 5.8% (n = 4) (phenyl-label)
range: 0.3 to 2.0%; median: 1.2% (n = 2) (triazole-label)

Non-extractable residues after 100 days at 20°C

values are given for day 120:
range: 35.6 to 46.2%; median: 41.0% (n = 4) (phenyl-label)
range: 42.6 to 48.3%; median: 45.5% (n = 2) (triazole-label)

Major metabolites - name and/or code, % of applied (range and maximum) at 20°C after 100 days

prothioconazole-S-methyl (M01):
range at day 120: 1.5 to 10.8% (n = 6)
(both labels)
max.:   13.7% (phenyl-label, day 7)
          14.6% (triazole-label, day 7)

prothioconazole-desthio (M04):
range at day 120: 15.1 to 42.3% (n = 6)
(both labels)
max.: 46.5% (phenyl-label, day 7)
          49.4% (triazole-label, day 7)

Route of degradation in soil - Supplemental studies (Annex IIA, point 7.1.1.1.2)

Anaerobic degradation

Not applicable
(A case was presented that due to the proposed use patterns as a foliar fungicide prothioconazole will not, in general, be exposed to anaerobic conditions. However, due to the fact that a seed treatment formulation is also being considered, an anaerobic aquatic metabolism study was submitted. The anaerobic study indicated relatively rapid breakdown of parent to prothioconazole-S-methyl  (M01), which seems to accumulate. This might indicate that if prothioconazole was applied to an anaerobic soil there would be significant formation of M01. However, the only major period of anaerobic conditions is likely to be in the winter, i.e. following autumn seed treatment. Drilling will only take place in relatively good aerobic conditions under which there will be relatively rapid degradation of the parent compound. Therefore, it is unlikely that there would be significant formation of M01 under field conditions.)

Soil photolysis

phenyl-label

Mineralisation at day 15: 0.7%

Non-extractable residues at day 15: 25.5%

Major metabolite:
prothioconazole-desthio (M04):
max. of 38.5% at day 7  (38.0% at day 15)

 


 

Rate of degradation in soil (Annex IIA, point 7.1.1.2, Annex IIIA, point 9.1.1)

Method of calculation

ÒModelManager, Version 1.1, 1st order kinetics

Laboratory studies (range or median, with n value, with r2 value)

DT50lab (soil, aerobic, 20°C):

prothioconazole (1st order):
range: 0.30 to 1.27 days; median: 0.785 days,
r²: range: 0.987 to 0.990 (n = 2)

prothioconazole-S-methyl (M01) (1st order)
range: 5.9 to 46.0; median: 17.7 days,
r2: range: 0.955 to 0.970 (n=4). Mean value of
15.7 days used for PELMOgw modelling.

prothioconazole-desthio (M04) (1st order)
range: 7.0 to 34.0; median: 24.1 days
r2: range: 0.820 to 0.987 (n=4)

 

DT90lab (soil, aerobic, 20°C):

prothioconazole (1st order):
range: 0.99 to 4.22 days; median: 2.605 days,
r²: range: 0.987 to 0.990 (n = 2)

prothioconazole-S-methyl (M01) (1st order)
range: 19.6 to 153.0; median: 58.7 days,
r2: range: 0.955 to 0.970 (n=4)

prothioconazole-desthio (M04) (1st order)
range: 23.2 to 113.0; median: 60.55 days
r2: range: 0.820 to 0.987 (n=4)

 

DT50/DT90 (soil anaerobic):
Not applicable
(See case under ‘Route of degradation in soil - Supplemental studies’)

Field studies (state location, range or median with n value)

Location: southern (two sites) and northern (four sites) Europe, 1st order calculation

prothioconazole:
DT50f: range: 1.3 to 2.8 days, median: 1.7 days (n = 6), r2: range: 0.99 – 1.00. Maximum 2.8 day value used for PECsoil calculations.
DT90f: range: 4.4 to 9.3 days, median: 5.8 days (n = 6), r2: range: 0.99 – 1.00

prothioconazole-desthio (M04):

DT50f:  range: 16.3 to 72.3 days, median: 42.0 days (n = 6), r2: range: 0.91 – 0.98. (Maximum 72.3 days value and 57.1% conversion rate used for PECsoil calculations).

 

DT90f:  range: 54.1 to 240 days, median: 140 days (n = 6), r2: range: 0.91 – 0.98

prothioconazole (normalised for 20oC):
DT50 20oC: range: 0.6 to 1.6 days, median: 1.3 days (n = 6), r2: range: 0.995 to 1.000. Geometric mean: 1.2 days, used for PELMOgw modelling.

prothioconazole-desthio (M04) (normalised for 20oC):

DT50 20oC:     range: 10.3 to 61.9 days, median: 22.05 days (n = 6), r2: range: 0.859 to 0.996. Geometric mean: 22.7 days, used for PELMOgw modelling. (57.1% conversion rate used for PELMOgw calculations)

Soil accumulation and plateau concentration

Not applicable
(Soil accumulation testing is not necessary since DT90f values of prothioconazole and prothioconazole-desthio (M04) are less than one year.)

 

Soil adsorption/desorption (Annex IIA, point 7.1.2)

a) Active substance:

 

Kd and Koc values of prothioconazole determined in batch column leaching studies due to the instability of the compound in these systems.

Koc

Koc:
1765 mL/g (aged leaching study, value used for PELMOgw modelling; 1/n set to 0.90)

Kd

Kd:
15.2 mL/g (aged leaching study)

pH dependence (yes / no) (if yes type of dependence)

No

 

b) Major metabolites:

Two major metabolites were performed during soil metabolism

1.: prothioconazole-S-methyl (M01)

Koc


Kd


pH dependence (yes / no) (if yes type of dependence)

Koc:
Adsorption: 1974 – 2995 mL/g (n = 4), mean = 2556.3. Mean value used for PELMOgw modelling.
Desorption: 2532 – 3359 mL/g (n = 4), mean = 2985.3

Kd:
Adsorption: 15.6 – 64.1 mL/g (n = 4)
Desorption: 20.0 – 71.9 mL/g (n = 4)

1/n:
Adsorption: 0.85 – 0.91 (n=4), mean = 0.88. Mean value used for PELMOgw modelling.
Desorption: 0.85 – 0.91 (n=4), mean = 0.88

No pH dependence

 


 

2.: prothioconazole-desthio (M04)

Koc


Kd


pH dependence (yes / no) (if yes type of dependence)

Koc:
Adsorption: 523 – 625 mL/g (n = 4), mean = 575.4. Mean value used for PELMOgw modelling.
Desorption: 562 – 876 mL/g (n = 4), mean = 687.2

Kd:
Adsorption: 4.1 – 13.4 mL/g (n = 4)
Desorption: 6.9 – 14.8 mL/g (n = 4)

1/n:
Adsorption: 0.79 – 0.83 (n=4), mean = 0.81. Mean value used for PELMOgw modelling.
Desorption: 0.77 – 0.84 (n=4), mean = 0.82

No pH dependence

Mobility in soil (Annex IIA, point 7.1.3, Annex IIIA, point 9.1.2)

Column leaching

Guideline: SETAC (1995), BBA Part IV, 6-2 (1986)
Precipitation: 200mm
Time period: 2days
Leachate: <1% AR; fractions not investigated

Aged residues leaching

Guideline: US EPA 163-1 (1982)
Aged for: 30 hours
Precipitation: 1000 ml

The total radioactivity in the leachate accounted for only 1.1% of the AR, and no individual leachate fraction resulted in a radioactivity content >0.2% of the AR. Therefore the leachate fractions were not analysed for parent compound or metabolites.

Lysimeter/ field leaching studies

No data submitted, none required.

 

Route and rate of degradation in water (Annex IIA, point 7.2.1)

Hydrolysis of active substance and major metabolites (DT50) (state pH and temperature)

prothioconazole:
DT50 at 50°C: pH 9 and 7: > 1 year
            pH 4: 120 days

DT50 at 25°C:  pH 9, 7 and 4: > 1 year

Stable with respect to hydrolysis under environmental conditions.

Photolytic degradation of active substance and major metabolites

prothioconazole:
DT50 at pH 7 (sterile aqueous phosphate buffer), exposed to simulated sunlight (Suntest
Ò) at 25°C:
experimental half-life: 47.7 hours (n = 2), corresponding to a predicted environmental half-life under solar summer conditions (June) of Phoenix, AZ, USA of 7.1 days and 11 days at Athens.

prothioconazole-desthio (M04):
A quantum yield of F of 0.00449 was calculated. The resulting quantum yield and the UV absorption were used to estimate the environmental half-life of prothioconazole-desthio (M04) concerning direct photodegradation in water by two different simulation models (GC-SOLAR, half-life at 500 latitude and
0-1cm depth 269 days and Frank & Klöpffer, half-life at 500 latitude and 0-1cm depth > 1 year). Based on the results of the study the photodegradation of prothioconazole-desthio (M04) in water is not expected to contribute to overall degradation in the environment.

1,2,4-triazole (M13):
The UV-absorption data in the environmentally relevant pH range showed that 1,2,4‑triazole (M13) dissolved in aqueous solution does not absorb any light at wavelengths above 290 nm. Therefore aqueous photolysis of this metabolite is not expected.

Readily biodegradable (yes/no)

No data submitted, none required.

 

Degradation in           
water/sediment         
(2 systems, natural water and sediment)


 

 


Mineralisation:

 

 

 

 

Non-extractable residues in sediment:

 

 

Aerobic lab sediment/water at 20oC

DT50 water  - 0.8 and 1.0 days, 1st Order (1.0 day value used for PECsw calculation)
DT90 water - 2.7 and 3.4 days (1st Order, r2 = 0.947 and 0.999, respectively, n = 2)

DT50 whole system  - 2.8 and 1.6 days
DT90 whole system  - 76.4 and 23.6 days (‘hockey stick’, r2 = 0.953 and 0.998, respectively, n = 2)

Hönniger Weiher: 14.7% AR at study end (121 days, phenyl-label). 1.9% AR at study end (121 days, triazole-label).

Angler Weiher: 29.0% AR at study end (121 days, phenyl-label). 1.9% AR at study end (121 days, triazole-label).

Hönniger Weiher: 50.8% AR at study end (121 days, phenyl-label). 52.5% AR at study end (121 days, triazole-label).

Angler Weiher: 31.3% AR at study end (121 days, phenyl-label). 18.9% AR at study end (121 days, triazole-label).

 

Distribution in water / sediment systems
(active substance)

System Hönniger Weiher:
 
Water layer:



Sediment:

 

day

phenyl-label

triazole-label

day

phenyl-label

triazole-label

 

0

52.7

59.8

0

7.2

12.6

 

1

19.1

18.3

1

23.4

22.6

 

3

12.7

12.5

3

21.7

14.4

 

7

4.9

7.1

7

21.0

20.9

 

14

2.0

1.9

14

23.0

18.4

 

29

0.8

2.0

29

19.0

15.3

 

59

0.4

0.1

59

7.5

14.7

 

121

n.d.

n.d.

121

9.5

6.8

Distribution in water / sediment systems
(active substance)

System Angler Weiher:

Water layer:



Sediment:

 

day

phenyl-label

triazole-label

day

phenyl-label

triazole-label

 

0

68.7

76.3

0

17.0

13.6

 

1

32.9

39.2

1

21.0

18.3

 

3

9.9

11.0

3

15.3

14.7

 

7

1.7

1.7

7

11.8

10.4

 

14

0.8

0.9

14

8.0

7.7

 

29

0.4

0.7

29

5.8

6.9

 

59

0.2

0.4

59

5.1

4.4

 

121

0.4

n.d.

121

3.4

3.3

Distribution in water / sediment systems (metabolites)

 

Five metabolites found in the water/sediment systems. Prothioconazole-desthio (M04) and 1,2,4-triazole (M13) were found in relevant amounts in the water layer. Conversion rates 32.3% and 37.2%, respectively, used for the PECsw (spray drift) calculations. In the sediment extracts prothioconazole-desthio (M04) occurred as the only major metabolites.
Prothioconazole-S-methyl (M01), prothioconazole-triazolinone (M03) and prothioconazole-triazolylketone (M42) were found in amounts below 10% of the applied radioactivity in the water layer or sediment extracts.

 

Fate and behaviour in air (Annex IIA, point 7.2.2, Annex III, point 9.3)

Direct photolysis in air

Not studied – no data requested

Photochemical oxidative degradation in air (DT50)

prothioconazole:
Half-life: 1.1 hours
Chemical lifetime: 1.6 hours
Calculated according to Atkinson

prothioconazole-desthio (M04):
Half-life: 14.2 hours
Chemical lifetime: 20.5 hours
Calculated according to Atkinson

Volatilization

Laboratory route and rate soil studies indicated that volatilisation of prothioconazole and prothioconazole-desthio (M04) is unlikely to take place because no volatiles were detected at levels above 0.1% AR..

 


 

Definition of the Residue (Annex IIA, point 7.3)

Relevant to the environment

Soil

Prothioconazole and prothioconazole-desthio (M04)

 

Ground water

Prothioconazole and prothioconazole-desthio (M04)

 

Surface water

Prothioconazole and prothioconazole-desthio (M04)

1,2,4-triazole (M13)

 

Sediment

Prothioconazole and prothioconazole-desthio (M04)

 

Monitoring data, if available (Annex IIA, point 7.4)

Soil (indicate location and type of study)

No data provided – none requested

Surface water (indicate location and type of study)

No data provided – none requested

Ground water (indicate location and type of study)

No data provided – none requested

Air (indicate location and type of study)

No data provided – none requested

 

Effects on Non-target Species

 

Effects on birds (Annex IIA, point 8.1, Annex IIIA, points 10.1)

Organisms

Duration

Test-substance

Ecotoxicological endpoint*

Bobwhite quail

Acute

a.s.

LD50             > 2000 mg a.s./kg bw

Bobwhite quail

5 d dietary

a.s.

LC50                 > 5000 mg a.s./kg diet

calc. LD50    > 1413 mg a.s./ kg bw/day

Mallard duck

5 d dietary

a.s.

LC50             > 5000 mg a.s./kg diet

calc. LD50    > 2457 mg a.s./kg bw/day

Bobwhite quail

Reproduction
22 w dietary

a.s.

NOEC          ³ 1000 mg a.s./kg diet

calc. NOEL      ³ 86 mg a.s./kg bw/day

Mallard duck

Reproduction
21 w dietary

a.s.

NOEC               700 mg a.s./kg diet

calc. NOEL         78 mg a.s./kg bw/day

Bobwhite quail

Acute

JAU 6476-desthio

LD50             > 2000 mg p.m./kg b.w.

Bobwhite quail

5 d dietary

JAU 6476-desthio

LC50                      4090 mg p.m./kg diet
calc. LD50         1250 mg p.m./kg bw/d

Bobwhite quail

Reproduction
20 w dietary

JAU 6476-desthio

NOEC               173 mg p.m./kg diet

calc. NOEL     14.8 mg p.m./kg bw/day

Mallard duck

Reproduction
20 w dietary

JAU 6476-desthio

NOEC             ³ 500 mg p.m./kg diet

calc. NOEL        63 mg p.m./kg bw/day

(*) Bold values are relevant for risk assessment


 

Effects on mammals (Annex IIIA, points 10.3)

Organism

Duration, Exposure

Test-substance

Ecotoxicological endpoint1

Rat

acute, oral

a.s.

LD50(male, female) > 6200 mg a.s./kg bw/d

Rat

acute, oral

EC 250

LD50(male, female) > 2500 mg a.s./kg bw/d

Rat

acute, oral

FS 100

LD50(male, female) > 2500 mg a.s./kg bw/d

Rat

long-term
(2-generation), gavage

a.s.

NOELparental       9.7 mg a.s./kg bw/d

NOELreproduction     95.6 mg a.s./kg bw/d2

                            (=800mg/kg diet)

Rat

acute, oral

JAU 6476-desthio

LD50(female)   2506 mg p.m./kg bw/d

LD50(male)      2806 mg p.m./kg bw/d

Mouse

acute, oral

JAU 6476-desthio

LD50(female)   3459 mg p.m./kg bw/d

LD50(male)    2235 mg p.m./kg bw/d

Rat

long-term

(2-generation), oral

JAU 6476-desthio

NOELparental    2.5 mg p.m./kg bw/d

NOELreproduction 10 mg p.m./kg bw/d3

                           (=160mg/kg diet)

1 Values in bold are appropriate for use in risk assessment for wild mammals

2 The observed decrease in thymus weight in this study was not associated with any histopathological changes, suggesting that the function of the thymus was not impeded.  These differences are considered unlikely to be of ecological concern.  The thymus was not identified as a target organ for prothioconazole or desthio.  Section B.6.4 concludes that “Prothioconazole was not associated with the selective effects on the reproductive system or developing offspring in the absence of toxicity in parent animals.” The Rapporteur therefore considers that it is appropriate in this case to use the reproductive NOEC to assess the long term risk to wild mammals at the population level.

3 This endpoint is based on differences in the number of ribs at 10 mg desthio bw/d. These effects are not considered likely to result in impacts at the population level, hence for first tier risk assessment the reproductive NOEC will be used


 

Toxicity data for aquatic species (Annex IIA, point 8.2, Annex IIIA, point 10.2)

JAU 6476

Target species / Test substance

Time-scale

Toxicological Endpoint

 

TER

TER risk assessment trigger

Result of refined risk assessment

Fish

Oncorhynchus mykiss, a.s.

acute

LC50     1.83 mg a.s./L

9941

100

not necessary

Oncorhynchus mykiss, EC 250

acute

LC50    1.00 mg a.s./L

5431

100

not necessary

Lepomis macrochirus, a.s.

acute

LC50    4.59 mg a.s./L

24941

100

not necessary

Cyprinus carpio, a.s.

acute

LC50    6.91 mg a.s./L

38391

100

not necessary

Cyprinus carpio, EC 250

acute

LC50    3.72 mg a.s./L

20671

100

not necessary

Oncorhynchus mykiss (ELS), a.s.     

chronic

NOEC 0.308 mg a.s./L

1671

10

not necessary

Daphnia

Daphnia magna, a.s.

acute

EC50     1.3 mg a.s./L

7221

100

not necessary

Daphnia magna, EC 250

acute

EC50     0.71 mg a.s./L

3941

100

not necessary

Daphnia magna, a.s.

chronic

NOEC 0.56 mg a.s./L

3041

10

not necessary

Freshwater Algae

Pseudokirchneriella subcapitata, a.s.

sub-chronic

EbC50  1.10 mg a.s./L

5981

10

not necessary

Pseudokirchneriella subcapitata, EC250

sub-chronic

EbC50  2.92 mg a.s./L

15871

10

not necessary

Sediment organisms

Chironomus riparius a.s.

chronic

NOEC 9.14 mg a.s./L

49671

10

not necessary

Fish, Bioconcentration

Lepomis macrochirus

BCF parent (whole fish, normalised to 6% lipid content)   18.8

not necessary

1 Based on a PEC of 0.00184 mg a.s./l (single application: 200 g a.s./ha cereals, using SANCO/3628/2001 drift values)


 

Consideration of effects of metabolites of JAU 6476 on aquatic organisms

JAU 6476-desthio

Target species

Time-scale

Toxicological Endpoint

TER

TER risk assessment trigger

Result of refined risk assessment

 

Fish

Oncorhynchus mykiss

acute

LC50    6.63 mg p.m./L

5666

100

not necessary

Leuciscus idus melanotus

acute

LC50    13.2 mg p.m./L

112821

100

not necessary

Oncorhynchus mykiss (ELS)

chronic

NOEC 3.34 µg p.m./L

2.91

10

TER = 14.12

Daphnia

Daphnia magna

acute

EC50    > 10 mg p.m./L

>85471

100

not necessary

Daphnia magna         

chronic

NOEC 0.10 mg p.m./L

85.41

10

not necessary

Freshwater Algae

Scenedesmus subspicatus  

sub-chronic

EbC50  0.073 mg p.m./L

59.81

10

not necessary

Sediment organisms

Chironomus riparius

chronic

NOEC 2.0 mg p.m./L

25641

10

not necessary

Fish, Bioconcentration

Lepomis macrochirus

BCF parent (whole fish, normalised to 6% lipid content)   45

not necessary

1 Based on PEC of 0.00117 mg/l (3 @ 200 g a.s./ha, spray drift at 1 m distance using SANCO/3628/2001 drift values)

2 Based of PEC at 5 m distance (0.00024 mg/l)

 

JAU 6476-S-methyl

Target species

Time-scale

Toxicological Endpoint

TER

TER risk assessment trigger

Result of refined risk assessment

Fish

Oncorhynchus mykiss           

acute

LC50   1.8 mg p.m./L

Not required1

100

not necessary

Daphnia

Daphnia magna         

acute

EC50     2.8 mg p.m./L

Not required1

100

not necessary

Freshwater Algae

Pseudokirchneriella subcapitata

sub-chronic

EbC50      3.77 mg p.m./L

Not required1

10

not necessary

1 TER values not calculated since JAU 6476-S-methyl was not identified as a major metabolite in fate & behaviour section.


 

1,2,4-Triazole

Target species

Time-scale

Toxicological Endpoint

TER

TER risk assessment trigger

Result of refined risk assessment

Fish

Oncorhynchus mykiss           

acute

LC50    498 mg p.m./L

16600001

100

not necessary

Oncorhynchus mykiss           

chronic

NOErC            3.2 mg a.s./L

106661

10

not necessary

 

Daphnia

 

Daphnia magna         

acute

EC50    900 mg p.m./L

30000001

100

not necessary

 

Freshwater Algae

 

Pseudokirchneriella subcapitata

sub-chronic

EbC50  14 mg p.m./L

466661

10

not necessary

 

1 Based on initial PEC of 0.0003 mg/l (3 x 200 g a.s./ha, cereals at 1 m distance using SANCO/3628/2001 drift values)

 

Effects on honeybees (Annex IIA, point 8.3.1, Annex IIIA, point 10.4)

Time-scale

Species / Formulation

Endpoint

QHO, QHC  

(crop)

QHO, QHC

Trigger value

Result of refined risk assessment

acute (oral)

Apis mellifera a.s.

LD50         > 71 µg a.s./bee

2.8

50

Not necessary

acute (contact)

Apis mellifera a.s.

LD50       > 200 µg a.s./bee

1.0

50

Not necessary

acute (oral)

Apis mellifera

EC 250

LD50> 48.7 µg a.s./bee

4.1 (cereals)

50

Not necessary

acute (contact)

Apis mellifera

EC 250

LD50       > 200 µg a.s./bee

1 (cereals)

50

Not necessary

Maximum application rate in cereals (200 g a.s./ha) is greater than for oilseed rape, therefore due to low HQ values a separate risk assessment is not required for oilseed rape

 

Effects on other arthropod species (Annex IIA, point 8.3.2, Annex IIIA, point 10.5)

Species

Stage

Test sub-stance1

Exposure, Application rate

Results2

Outcome of the risk assessment

Predatory mites

Typhlodromus pyri

larvae/ adults

EC 250

 


l
ab., coffin cells, 14 d

  2      g a.s./ha
  3.5   g a.s./ha
  6.25 g a.s./ha
11      g a.s./ha
20      g a.s./ha

LR50 = 18.7 g a.s./ha
 corrected             Effect on
 Mortality [%]   Repro. [%]

      11.2                  4
      18.5               -14
        4.0                 -6
      27.5*              19
      52.9*              n.a. 3

No adverse effects to be expected in the off-crop area.

Higher tier study required for the in-crop area.

Typhlodromus pyri

larvae/ adults

EC 250


E
xt. lab., bean leaves, 14 d

100    g a.s./ha
157    g a.s./ha
245    g a.s./ha
380    g a.s./ha
600    g a.s./ha

LR50 = 445.5 g a.s./ha

 corrected             Effect on
 Mortality [%]   Repro. [%]

       -2.3                 14
        1.5                   9
        9.1                 47*
      45.1*                40*
      67.8*              n.a. 3

No adverse effects to be expected in the off- and in the in-crop area.

Typhlodromus pyri

larvae/ adults

EC 250

Ext. lab., aged residues,
bean leaves, 300 g a.s./ha,
exposure 14 d (each test)

Test started 1 day after appl.
Test started 15 days after appl.

 



 Corrected             Effect on
 Mortality [%]    Repro. [%]

      14.5                  7.5
        6.4               -28.8

No adverse effects to be expected in the off- and in the in-crop area.

Parasitoids

Aphidius rhopalosiphi

adults

EC 250

 


l
ab., glass plates, 14d

1st run:
    2    g a.s./ha
    6.3 g a.s./ha
  20    g a.s./ha
  63    g a.s./ha
200    g a.s./ha

2nd run:
  63    g a.s./ha
  84    g a.s./ha
112    g a.s./ha
150    g a.s./ha
200    g a.s./ha

LR50 = 139.9 g a.s./ha

 Corrected           Effect on
 Mortality [%]   Repro. [%]

1st run:
          3.5               21
          6.9               10
          3.5               39
          3.5               34
      100.0             n.a. 3

2nd run:
        13.3               17
        13.3               36
        33.3*              44*
        33.3*              53*
        96.7*            n.a. 3

No adverse effects to be expected in the off-crop area.
According to the refined risk assessment, no adverse effects are to be expected in the in-crop area.

Aphidius rhopalosiphi

adults

EC 250

Ext. lab., wheat plants,
Control
                  17g a.s./ha
                  45g a.s./ha
                115g a.s./ha
                300g a.s./ha
                600g a.s./ha

48 h mortality <5% in any of test concentrations.

No significant effect on reproduction in any treatment

No adverse effects in the off-crop or in the in-crop area

Species

Stage

Test sub-stance

Exposure, Application rate

Results1

Outcome of the risk assessment



Foliage dwelling predators

Coccinella septempunc-tata

larvae

EC 250

EC 250

lab, glass plates, 46d

 

  control
  25    g a.s./ha
  50    g a.s./ha
  97.5 g a.s./ha
180    g a.s./ha
375    g a.s./ha

LR50 = 229.8 g a.s./ha

                       Larvae per
 corrected          egg laying
 Mortality [%]       female

         -                 147
       -9.6                 54
       -5.3                   0
      25.4                 84
      30.7               549
      73.7*              n.a. 3

effects on reproduction are not considered to be treatment related (no adverse effects on reproduction at the highest tested treatment rate).

No adverse effects to be expected in the off-crop area.
According to the refined risk assessment, no adverse effects are to be expected in the in-crop area.

Chrysoperla carnea

larvae

EC 250

Lab glass plates, 23 d

200    g a.s./ha
400    g a.s./ha
600    g a.s./ha

Corrected Mortality [%]
15.2*
28.3*
41.3*

no adverse effects on reproduction

No adverse effects to be expected in the off- and in the in-crop area.

Species

Stage

Test sub-stance

Exposure, Application rate

Results1

Outcome of the risk assessment

Ground dwelling predators

Poecilus cupreus

 

adults

EC 250

Quartz sand, 14 d

400    g a.s./ha
600    g a.s./ha

corrected Mortality [%]

0.0
3.3

no adverse effect on
feeding rate

No adverse effects to be expected in the off- and in the in-crop area.

Aleochara bilineata

adults / larvae

EC 250

Quartz sand, 87 d

  42     g a.s./ha
200      g a.s./ha
400      g a.s./ha

Effect on reproduction [%]

2.5
  9.9
24.6*

No adverse effects to be expected in the off- and in the in-crop area.

Poecilus cupreus

 

adults

FS 100

FS 100, ext. lab., 14 d, soil (Lufa 2.1), dressed seeds,

22.47    g a.s./ha

corrected Mortality [%]
            0         
Effect on feeding rate [%]

5.6 - 9.6

No adverse effects to be expected

Aleochara bilineata

 

adults / larvae

FS 100

FS 100, ext. lab., 90 d, soil (Lufa 2.1), dressed seeds,

19.34    g a.s./ha

Effect on reproduction [%]

7.6
(Reference treatment did not meet validity criterion)

Study not acceptable for risk assessment

Aleochara bilineata

 

adults / larvae

FS 100

FS 100, ext. lab., 82 d, soil (Lufa 2.1), dressed seeds,

19.34    g a.s./ha

Effect on reproduction [%]

11.2

No adverse effects to be expected

Pardosa spp.

 

adults

FS 100

FS 100, ext. Lab., 14 d, soil (Lufa 2.1), dressed seeds,

22.3      g a.s./ha

corrected Mortality [%]
-3.1
Effect on feeding rate [%]

-18

No adverse effects to be expected

 

*      significantly different from control (t-test p <0.05)

 

1 EC 250 (Proline): emulsifiable concentrate containing 250 g prothiaconazole/ litre of formulation, FS 100F flowable concentrate (FS) containing 100 g prothioconazole/ litre of formulation.

2 Results:

x % effect on mortality = x % increase of mortality compared to control

y % effect on a sublethal parameter = y % decrease of sublethal paramether compared to control

(sublethal parameters are e.g. reproduction, parasitism, food consumption)

When effects are favourable for the test organisms, a + sign is used for the sublethal effectpercentages (i.e. increase compared to control) and a – sign for mortality effectspercentages (i.e. decrease compared to control).

3not assessed due to mortality > 50 % at this concentration

 

Effects on earthworms and other soil non-target macro-organisms (Annex IIA, point 8.4 and point 8.6, Annex IIIA, point 10.6)

 

Effects on earthworms, JAU 6476 EC 250 (spray application scenario)

Species

Tested Formulation

Time-scale

Endpoint
[mg a.s./kg d.wt.s.]

TERcorr1, 2
(Peat cont. in soil)

TER risk assessment trigger

Result of
refined risk assessment

Eisenia fetida

a.s.

Acute

LC50     > 1000

> 3759
(10%)

10

Refined risk assessment
not necessary

Eisenia fetida

EC 250

Acute

LC50    > 249.3

> 1526
(10%)

10

Refined risk assessment
not necessary

Eisenia fetida

EC 250

long-term

NOEC    1.33
(1000 g a.s./ha)

8.25
(10%)

5

No adverse effects to be expected, see results of the field study.

Eisenia fetida

EC 250

field study

3 ´ 200 g a.s./ha
No adverse effect
after 5 month

1

No further refinement necessary

1 using toxicity values adjusted by a factor of 2 to correct for the lipophilic character of the test substance (log Pow > 2) and the high organic matter content (peat) of 10 % in the test substrate.

2 based on maximum PEC of 0.08 mg a.s./kg soil (200 g a.s./ha cereals)

 

Effects on other soil non-target macro-organisms, JAU 6476 EC 250 (spray application scenario)

Species

Tested Formulation
Time-scale

Endpoint
[mg a.s./kg d.wt.s.]

TER3
(Peat cont. in soil)

TER risk assessment trigger

Result of
refined risk assessment

Folsomia candida

a.s.
long-term

NOEC         64

2401
(10%)

5

Refined risk assessment
not necessary

Hypoaspis aculeifer

a.s.
long-term

NOEC      100

1250
(soil) 2)

5

Refined risk assessment
not necessary

1 using toxicity values adjusted by a factor of 2 to correct for the lipophilic character of the test substance (log Pow > 2) and the high organic matter content (peat) of 10 % in the test substrate.

2 Lufa 2.1 soil, ca. 0.9 % organic carbon therefore no need to correct toxicity endpoint

3 based on maximum PEC of 0.133 mg a.s./kg soil (200 g a.s./ha cereals)

 

Soil litter degradation study (combined spray application and seed treatment scenario)

Type of study

Time scale

Test-
substance

Ecotoxicological endpoint:
[%] field soil litter degradation

Result of
refined risk assessment

Field Soil Litter Degradation

126 days

FS 100 (23.2 g a.s./ha) followed by JAU 6476


EC 250 (3 x 200 g a.s./ha during 26 day period) 

after 34 days:
test item: 51.7; control: 52.1

after 95 days:
test item: 74.3; control: 78.4

after 126 days:

 

test item: 92.0; control 91.2

Not necessary

 

Consideration of effects of metabolites of JAU 6476 (spray application scenario)

 

Effects of metabolites on earthworms (spray application scenario)

Species

Test substance

Time-scale

Endpoint
[mg p.m./kg d.wt.s.]

TER
Peat cont. in soil

TER risk assessment trigger

Result of
refined risk assessment

Eisenia fetida

JAU 6476-desthio

acute

LC50      > 1000

> 34961, 2
10%

10

Not necessary

Eisenia fetida

JAU 6476-desthio

long-term

NOEC            1

3.51, 2
10%

5

No adverse effects to be expected, see results of the field study.

Eisenia fetida

JAU 6476-S-methyl

acute

LC50      > 1000


10 %

10

Not necessary

Eisenia fetida

JAU 6476-S-methyl

long-term

NOEC        100


10%

5

Not necessary

1 using toxicity values adjusted by a factor of 2 to correct for the lipophilic character of the test substance (log Pow > 2) and the high organic matter content (peat) of 10 % in the test substrate.

2 based on maximum PEC of 0.143 mg desthio/kg soil (assuming 3 x 200 g a.s./ha plus seed treatment (cereals))

 

Effects of metabolites on other soil non-target macro-organisms (spray application scenario)

Species

Test stubstance

Time-scale

Endpoint
[mg a.s./kg d.wt.s.]

TER1, 2
(Peat cont. in soil)

TER risk assessment trigger

Result of
refined risk assessment

Folsomia candida

JAU 6476-desthio

long-term

NOEC       62.5

218
10%

5

Not necessary

Folsomia candida

JAU 6476-S-methyl

long-term

NOEC         31.6

3 10%

5

Not necessary

1 using toxicity values adjusted by a factor of 2 to correct for the lipophilic character of the test substance (log Pow > 2) and the high organic matter content (peat) of 10 % in the test substrate.

2 based on maximum PEC of 0.082 mg desthio/kg soil (assuming 3 x 200 g a.s./ha plus seed treatment (cereals))

3 TER values not calculated since JAU 6476-S-methyl was not identified as a major metabolite in fate & behaviour section.

 

Effects on soil micro-organisms (Annex IIA, point 8.5, Annex IIIA, point 10.7)

JAU 6476 a.s.

Type of study

Duration

Endpoint / Outcome

Result of
refined risk assessment

C-cycle

28 d

2.0 kg a.s./ha        no influence

not necessary

N-cycle

28 d

2.0  kg a.s./ha       no influence

not necessary

 

Consideration of effects of metabolites of JAU 6476 on soil non-target micro-organisms

 

JAU 6476-desthio

Type of study

Duration

Endpoint / Outcome

Result of
refined risk assessment

N-cycle

28 d

0.2 kg p.m./ha       no influence

not necessary

N-cycle

28 d

1.0 kg p.m./ha       no influence

not necessary

 

JAU 6476-S-methyl

Type of study

Duration

Endpoint / Outcome

Result of
refined risk assessment

C-cycle

28 d

2.0 kg p.m./ha       no influence

not necessary

N-cycle

28 d

2.0 kg p.m./ha       no influence

not necessary

 

Effects on non-target terrestrial plants (Annex IIA, point 8.6, Annex IIIA, point 10.8)

 

Effects of JAU 6476 on non-target terrestrial plants

Type of test

Test substance

Most sensitive species

Tested application rate

Max. phytotoxic effect [%]

Result of
refined risk assessment

Pre-emergence

JAU 6476 a.s.

Amaranthus retroflexus

200 g a.s./ha

5

not necessary

Post-emergence

 

Amaranthus retroflexus, Beta vulgaris

250 g a.s./ha

10

not necessary

Pre-emergence

JAU 6476
EC 250

Amaranthus retroflexus

200 g a.s./ha

5

not necessary

Post-emergence

 

-

250 g a.s./ha

0

not necessary

 

 

Profiel middel FANDANGO

 

Ecotoxicologie

 

Toxiciteit voor aquatische organismen

 

algen:

FANDANGO is giftig voor algen: 96-uurs EC50: 0,60 mg w.s./L. Zie voor een overzicht van de algentoxiciteit tabel M.2.


 

Tabel M.2 Overzicht algentoxiciteit

Middel

Organisme

96-uurs EC50 [mg w.s./L]

Opmerkingen

FANDANGO

Pseudokirchneriella subcapitata

0,6

EbC50

Fluoxastrobin

Pseudokirchneriella subcapitata

0,3

Aandeel fluoxastrobin

Prothioconazool

Pseudokirchneriella subcapitata

0,3

Aandeel prothioconazool

 

kreeftachtigen:

FANDANGO  is acuut zeer giftig voor kreeftachtigen: 48-uurs LC50: 1,38 mg w.s./L. Zie voor een overzicht van de acute toxiciteit voor kreeftachtigen tabel M.3.

Tabel M.3 Overzicht acute toxiciteit voor kreeftachtigen

Middel

Organisme

48-uurs EC50 [mg w.s./L]

Opmerkingen

FANDANGO

Daphnia magna

1,38

Statisch

 

FANDANGO is acuut zeer giftig voor vissen: 96-uur LC50: 0,658 mg w.s./L. Zie voor een overzicht van de acute toxiciteit voor vissen tabel M.4.

 

Tabel M.4 Overzicht acute toxiciteit voor vissen

Middel

Organisme

96-uur LC50 [mg w.s./L]

Opmerkingen

FANDANGO

Oncorhynchus mykiss

0,658

Geen

 

Toxiciteit voor terrestrische organismen

 

bijen en hommels:

Het middel FANDANGO is acuut oraal weinig giftig voor bijen: acuut orale LD50: >108 µg/bij en voor acuut contact weinig giftig: acuut contact LD50: >100 µg/bij (Apis mellifera). Zie voor een overzicht van de acuut orale en acuut contact toxiciteit voor bijen en hommels tabel M.5.

 

Tabel M.5 Overzicht acuut orale en acuut contact toxiciteit voor bijen en
hommels

Middel

Organisme

 LD50 [mg w.s./bij]

LD50 [µg/bij]

FANDANGO

Apis mellifera

> 130,2 (oraal)

>651

 

 

262,6 (contact)

1313

 

niet-doelwit arthropoden:

Het middel FANDANGO is weinig schadelijk. Zie voor een overzicht van de reductiepercentage voor niet-doelwit arthropoden tabel M.6.


 

Tabel M.6 Overzicht reductiepercentages van FANDANGO voor niet-doelwit arthropoden

 

 

Organisme

Dosering (L/ha)

fluoxastrobin (kg/ha)

prothioconazool (kg/ha)

% adverse effect1

 

 

Extended lab

 

 

 

 

 

 

Exposure on barley leaves

Aphidius rhopalosiphi

3,0

 

0,300

0,300

10%

26%

LR50> 0,6 kg w.s./ha

Mortaliteit

Parasitisme

 

 

Exposure on maize leaves

Typhlodromus pyri

1,5

 

3,0

0,150

 

0,300

0,150

 

0,300

4%

46%

19%

85%

LR50> 0,6 kg w.s./ha

Mortaliteit

Reproduction

Mortaliteit

Reproduction

 

Test substance FANDANGO = 100g fluoxastrobin/L and 100g prothioconazool /L

 

1 Adverse effect means:

x % effect on mortality = x % increase of mortality compared to control

y % effect on a sublethal parameter = y % decrease of sublethal paramether compared to control

(sublethal parameters are e.g. reproduction, parasitism, food consumption)

 

When effects are favourable for the test organisms, a + sign is used for the sublethal effectpercentages (i.e. increase compared to control) and a – sign for mortality effectspercentages (i.e. decrease compared to control).

 

regenwormen:

Het middel FANDANGO is acuut weinig giftig voor regenwormen: 14-dagen LC50: > 200 mg w.s./kg bij 10% organische stof (Eisenia fetida), genormaliseerd naar 5% organische stof bedraagt de LC50: 100 mg w.s./kg. Zie voor een overzicht van de acute toxiciteit voor regenwormen tabel M.7.

 

Tabel M.7 Overzicht acute toxiciteit voor regenwormen

Middel + w.s.

Organisme

14-dagen LC50 [mg/kg]

Opmerkingen

FANDANGO

Eisenia fetida

>1000

Geen

Fluoxastrobin

Eisenia fetida

>100

Geen

Prothioconazool

Eisenia fetida

>100

Geen

 

FANDANGO is sublethaal weinig giftig voor regenwormen: 56-dagen NOEC: 7,5L/ha (Eisenia fetida). Zie voor een overzicht van de sublethale toxiciteit voor regenwormen tabel M.8.

 

Tabel M.8 Overzicht sublethale toxiciteit voor regenwormen

Middel + w.s.

Organisme

56-dagen NOEC [mg/kg]

Opmerkingen

FANDANGO

Eisenia fetida

7,5 L/ha

5 % o.m.

Fluoxastrobin

Eisenia fetida

750 g/ha

Geen

Prothioconazool

Eisenia fetida

750 g/ha

Geen

 

bodemmicro-organismen:

FANDANGO is weinig giftig voor bodemmicro-organismen: bij toepassing van een dosering van 4 kg w.s./ha, (4,56 mg/kg) met 1 grondsoorten (loamy sand) werd een maximaal effect waargenomen van respectievelijk 8% en 2%. Zie voor een overzicht van de effectpercentage voor bodemmicro-organismen tabel M.9.

 

Tabel M.9 Overzicht effectpercentages voor bodemmicro-organismen

Middel

Bodem

Proces

% effect

Opmerkingen

FANDANGO

sandy loam

Nitrificatie

8

Remming

 

 

Respiratie

2

Remming

 

 

Beoordeling van het risico voor het milieu

 

Persistentie en uitspoeling

 

Persistentie in de bodem

 

Beoordeling fluoxastrobin

Voor fluoxastrobin is een gemiddelde DT50-waarde van 122,7 dagen beschikbaar (range
12 – 356 dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat
fluoxastrobin een gemiddelde DT50-waarde heeft van >90 dagen. Er is een gemiddelde veld DT50-waarde voor Noord-Europa (gecorrigeerd naar 20°C) van 40,3 dagen (range 9,5 -56 dagen) en is daarmee < 90 dagen. De gemiddelde veld DT90 is 265 dagen (range 53,8 – 395 dagen) en is daarmee < 1 jaar.

Tevens kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70% grondgebonden residu van de begindosis in combinatie met minder dan 5% CO2 van de begindosis zal zijn gevormd. Daarmee wordt voldaan aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

Voor de metaboliet M48 (fluoxastrobin-des-chlorophenyl) is een gemiddelde DT50-waarde van 60,2 dagen beschikbaar (range 33,8 – 99,8 dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat M48 een gemiddelde DT50-waarde heeft van <90 dagen. Tevens kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70% grondgebonden residu van de begindosis in combinatie met minder dan 5% CO2 van de begindosis zal zijn gevormd. Daarmee wordt voldaan aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

Metaboliet M40 (fluoxastrobin-carboxyl-acid) is alleen gevonden bij anaerobe afbraak. Er is een gemiddelde DT50-waarde van 19,2 dagen beschikbaar (range 10,9 – 25,1dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat M40 een gemiddelde DT50-waarde heeft van <90 dagen. Tevens kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70% grondgebonden residu van de begindosis in combinatie met minder dan 5% CO2 van de begindosis zal zijn gevormd. Daarmee wordt voldaan aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Beoordeling prothioconazole

Voor prothioconazole is een gemiddelde DT50-waarde van 0,785 dagen beschikbaar (range 0,3 – 1,27 dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat prothioconazole een gemiddelde DT50-waarde heeft van <90 dagen. Tevens kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70% grondgebonden residu van de begindosis in combinatie met minder dan 5% CO2 van de begindosis zal zijn gevormd. Daarmee wordt voldaan aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

Voor de metaboliet prothioconazole-S-methyl is een gemiddelde DT50-waarde van 17,7 dagen beschikbaar (range 5,9 – 46 dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat prothioconazole-S-methyl een gemiddelde DT50-waarde heeft van <90 dagen. Tevens kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70% grondgebonden residu van de begindosis in combinatie met minder dan 5% CO2 van de begindosis zal zijn gevormd. Daarmee wordt voldaan aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

Voor de metaboliet protioconazole-desthio is een gemiddelde DT50-waarde van 24,1 dagen beschikbaar (range 7,0 – 34 dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat prothioconazole-desthio een gemiddelde DT50-waarde heeft van <90 dagen. Tevens kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70% grondgebonden residu van de begindosis in combinatie met minder dan 5% CO2 van de begindosis zal zijn gevormd. Daarmee wordt voldaan aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Uitspoeling naar het ondiepe grondwater

 

Beoordeling fluoxastrobin

 

Voor de berekening van uitspoeling en accumulatie is voor fluoxastrobin (en metabolieten) uitgegaan van de volgende invoergegevens:

 

PEARL:

DT50 voor afbraaksnelheid in grond (bij 20°C): 

·       Fluoxastrobin: 122,7 dagen (range 12 - x 356 dagen).

·       M48: 60,2 dagen (range 33,8 – 99,8 dagen).

·       M40: 19,2 dagen (range 10,9 – 25,1 dagen).

·        

Kom (pH-onafhankelijk):

·       Fluoxastrobin: 499 L/kg.

·       M48: 35 L/kg

·       M40: 35 L/kg

·        

Verzadigde dampspanning: 5,6 x 10-10 Pa (20°C)

Oplosbaarheid in water: 2,29 g/L (20°C)

Molecuulmassa:

Fluoxastrobin:458,8 g/mol.

M48:348,3 g/mol

M40: 417,8 g/mol

 

Maximale vormingspercentages:

M48: 32,2%

M40:12,7%

 

Dosering moederstof: 0,15 kg/ha

Frequentie: 2

Interval: 21

Interceptie gewas: 0,5

 

Overige parameters: standaard instelling PEARL

 

Op basis van de standaardberekening met het PEARL-model gelden voor fluoxastrobin de volgende verwachtingen voor voorjaarstoepassing:

-een concentratie in het ondiepe grondwater van <0,01 mg/L;

-een uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van 0% van de dosering

-een restant van de dosering in de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van

19,9 µg/kg.

 

Voor de metabolieten is er gecorrigeerd voor het maximale vormingspercentage en molecuulgewicht.

 

Voor de metaboliet M48 worden de volgende verwachtingen voor voorjaarstoepassing berekend:

-een concentratie in het ondiepe grondwater van 0,198 mg/L;

-een uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van 0% van de dosering;

-een restant van de dosering in de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van 0 µg/kg.

 

Voor de metaboliet M40 worden de volgende verwachtingen voor voorjaarstoepassing berekend:

-een concentratie in het ondiepe grondwater van <0,01 mg/L;

-een uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van 0,79% van de dosering;

-een restant van de dosering in de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van 1,3 µg/kg.

 

Uit bovenstaande blijkt dat de verwachte uitspoeling op grond van PEARL-modelberekeningen voor fluoxastrobin en de metaboliet M40, voor al deze toepassingen kleiner is dan 0,01 mg/L. Derhalve voldoen de toepassingen aan de norm voor uitspoeling conform de Uniforme Beginselen (UB). Voor metaboliet M48 wordt de norm wel overschreden en wordt hieronder een verfijnde risicobeoordeling uitgevoerd.

 

Verfijnde risicobeoordeling

 

De norm voor uitspoeling naar het grondwater, zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB) is 0,1 mg/L. Deze norm wordt in de eerste tier voor metaboliet M48 overschreden. Derhalve wordt een berekening met GeoPEARL uitgevoerd.

 

De nieuwe beslisboom uitspoeling inclusief het nieuwe model GeoPEARL zijn eind 2004 vrijgegeven voor gebruik in de toelatingsbeoordeling.

In een brief van minister Veerman van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de voorzitter van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), vraagt hij het CTB om te anticiperen op de revisie van de Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Rumb 2000) voor wat betreft de beoordeling van uitspoeling naar het grondwater.

Dit verzoek is gebaseerd op artikel 6 van de Bestrijdingsmiddelenwet (stand van de wetenschap) in combinatie met artikel 6 van de Regeling (nieuwe modellen).

De methodologie zoals beschreven in het rapport "The new decision tree for the evaluation of pesticide leaching from soils", A.M.A van der Linden, J.J.T.I. Boesten, A.A. Cornelese, R. Kruijne, M. Leistra, J.B.H.J Linders, J.W. Pol, A. Tiktak and A.J Verschoor, RIVM report 601450019/2004, RIVM, Bilthoven (2004) dient te worden gehanteerd.

 

Voor de berekening met GeoPEARL worden de onderstaande invoerwaarden gebruikt:

 

GeoPEARL

 

DT50 voor afbraaksnelheid in grond bij 20 °C:

·         60,2 d.

Kom:

·         35 L/kg.

 

Overige instellingen:

Verzadigde dampspanning: 5,6 · 10-10 Pa (20 °C).

Oplosbaarheid in water: 2,29 mg/L (20 °C).

Molaire massa: 348,3 g/mol.


Gewas: winter wheat

Toepassingstijdstip: 25 mei en 15 juni.

Dosering: 2 x 0,048 kg/ha (50% interceptie).

Overige parameters: standaard instelling GeoPEARL.

 

Op basis van de berekeningen met het GeoPEARL-model gelden voor metaboliet M48 de volgende verwachtingen voor de ruimtelijke 90-percentiel grondwaterconcentratie voor voorjaarstoepassingen:

·         een concentratie in het ondiepe grondwater van 0,20 mg/L.

Hiermee wordt vooralsnog niet voldaan aan de norm voor uitspoeling.

 

Relevantie metabolieten

 

In de EU-beoordeling is Metaboliet M48 toxicologisch niet relevant verklaard.

 

In de monografie van fluoxastrobin zijn studies opgenomen waaruit blijkt dat M48 weinig giftig is voor alg, kreeftachtige en vis (L(E)C50 > 100 mg/L) en voor regenwormen
(LC50 > 1000 mg/kg). In een studie met bodemmicro-organismen zijn geen effecten van EU waargenomen. De metaboliet vertoont geen werkzaamheid en is daarnaast humaan-toxicologisch niet relevant (zie profiel humane toxicologie). M48 kan derhalve ten aanzien van de milieueffecten als een niet relevante metaboliet worden aangemerkt en behoeft geen toetsing aan de norm voor uitspoeling volgens de Uniforme beginselen.

 

Beoordeling prothioconazool


Voor de berekening van uitspoeling en accumulatie is voor prothioconazole (en metabolieten) uitgegaan van de volgende invoergegevens:

 

PEARL:

DT50 voor afbraaksnelheid in grond (bij 20°C): 

·       Prothioconazole: 0,785 dagen (range 0,3 - x 1,27dagen).

·       Prothioconazole-S-methyl: 17,7 dagen (range 5,9 – 46 dagen).

·       Prothioconazole-desthio: 24,1 dagen (range 7,0 - 34 dagen).

·        

Kom (pH-onafhankelijk):

·       Prothioconazole: 1038 L/kg.

·       Prothioconazole-S-methyl: 338 L/kg

·       Prothioconazole-desthio:  1504 L/kg.

·        

Verzadigde dampspanning: <4,0 x 10-7 Pa (20°C)

Oplosbaarheid in water: 0,3 g/L (20°C)

Molecuulmassa:

Prothioconazole: 344,26 g/mol.

·       Prothioconazole-S-methyl: 358,3 g/mol

Prothioconazole-desthio:  313,3 g/mol

 

Maximale vormingspercentages:

·       Prothioconazole-S-methyl: 14,6%

Prothioconazole-desthio:  49,4%




Doseringmoederstof: 0,15 kg/ha

Frequentie: 2

Interval: 21

Interceptie gewas: 0,5

 

Overige parameters: standaard instelling PEARL

 

Op basis van de standaardberekening met het PEARL-model gelden voor prothioconazole de volgende verwachtingen voor voorjaarstoepassing:

-          een concentratie in het ondiepe grondwater van <0,01 mg/L;

-          een uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van 0% van de dosering;

-          een restant van de dosering in de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van 0 µg/kg.

 

Voor de metabolieten is er gecorrigeerd voor het maximale vormingspercentage en molecuulgewicht.

 

Voor de metaboliet prothioconazole-S-methyl worden de volgende verwachtingen voor voorjaarstoepassing berekend:

-          een concentratie in het ondiepe grondwater van <0,01 mg/L;

-          een uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van 0% van de dosering;

-          een restant van de dosering in de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van 0 µg/kg.

 

Voor de metaboliet prothioconazole-desthio worden de volgende verwachtingen voor voorjaarstoepassing berekend:

-          een concentratie in het ondiepe grondwater van <0,01 mg/L;

-          een uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van 0% van de dosering;

-          een restant van de dosering in de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van 0 µg/kg.

 

Uit bovenstaande blijkt dat de verwachte uitspoeling op grond van PEARL-modelberekeningen voor prothioconazole en de metabolieten, voor al deze toepassingen kleiner is dan 0,01 mg/L derhalve voldoen de toepassingen aan de norm voor uitspoeling conform de Uniforme Beginselen (UB).

 

Meetgegevens

Er zijn geen meetgevens van fluoxastrobin of prothioconazole bekend.

 

Risicobeoordeling voor aquatische organismen

 

Risicobeoordeling voor waterorganismen

 

In tabel M.10 zijn voor fluoxastrobin, metaboliet M48, prothioconazole, en de metabolieten prothioconazole-desthio en 1,2,4-triazole de normen voor toxiciteit waterorga­nismen afgeleid. De normen voor acute blootstelling zijn 0,01 maal de L(E)C50-waarde (kreeftachtigen en vissen) en 0,1 de laagste NOEC-waarde /EC50-waarde voor algen. Per organisme wordt de laagste waarde als norm genomen. De normen voor chronische blootstelling zijn 0,1 maal de laagste NOEC-waarde voor zowel kreeftachtigen als vissen. Per organisme wordt de laagste waarde als norm genomen.


 

Tabel M.10 Overzicht normen fluoxastrobin, prothioconazole en metabolieten

Stof

Organisme

Laagste

Veiligheids-factor

Norm

 

 

L(E)C50 [mg/L]

NOEC [mg/L]

 

[mg/L]

[mg/L]

Fluoxastrobin

Acuut

 

 

 

 

 

 

Alg

0,35

 

  10

0, 035

35

 

Kreeftachtigen

0,48

 

100

0,0048

4,8

 

Vissen

0,44

 

100

0,0044

4,4

 

Chronisch

 

 

 

 

 

 

Kreeftachtigen

 

0,18

10

0,018

18

 

Vissen

 

0,029

10

0,0029

2,9

 

Sediment organisme

 

1,2

10

0,12

120

M48

Acuut

 

 

 

 

 

 

Alg

100

 

  10

10

10000

 

Kreeftachtigen

>100

 

100

>1

>1000

 

Vissen

>102

 

100

>1

>1000

Prothioconazole

Acuut

 

 

 

 

 

 

Alg

1,1

 

  10

0,11

110

 

Kreeftachtigen

1,3

 

100

0,013

13

 

Vissen

1,83

 

100

0,018

18

 

Chronisch

 

 

 

 

 

 

Kreeftachtigen

 

0,56

10

0,056

46

 

Vissen

 

0,308

10

0,031

31

Prothioconazole-desthio

Acuut

 

 

 

 

 

 

Alg

0,073

 

  10

0,0073

73

 

Kreeftachtigen

10

 

100

0,1

100

 

Vissen

6,63

 

100

0,0663

66,3

 

Chronisch

 

 

 

 

 

 

Kreeftachtigen

 

0,1

10

0,01

10

 

Vissen

 

3,34

10

0,334

334

1,2,4-triazole

Acuut

 

 

 

 

 

 

Alg

14

 

  10

1,4

1400

 

Kreeftachtigen

900

 

100

9

9000

 

Vissen

498

 

100

4,98

4980

 

Chronisch

 

 

 

 

 

 

Vissen

 

3,2

10

0,32

320

 

In Tabel M.11 zijn de toxiciteitswaarden van fluoxastrobin en prothioconazole op basis van het middel FANDANGO weergegeven.

 

Tabel M.11 Overzicht normen FANDANGO

Middel

Organisme

Laagste

Veiligheids-factor

Norm

 

 

L(E)C50 [mg w.s./L]

NOEC [mg/L]

 

[mg/L]

[mg/L]

FANDANGO

Acuut

 

 

 

 

 

 

Alg

0,60

 

  10

0, 06

60

 

Kreeftachtigen

1,38

 

100

0,014

13,8

 

Vissen

0,66

 

100

0,0066

6,6

 

Het risico voor waterorganismen voor de verschillende toepassingen van fluoxastrobin wordt ingeschat met behulp van berekeningen van de concentraties in het opper­vlak­tewater (sloot van 30 cm diepte) die ontstaan door overwaaien van fluoxastrobin. Het over­waaipercen­tage is afhankelijk van de toepassing. De concentraties in het oppervlaktewater worden berekend m.b.v. het model TOXSWA, waarbij voor fluoxastrobin (en de metabolieten) de volgende gegevens worden ingevoerd:

 

TOXSWA:

DT50 voor afbraaksnelheid in water bij 20°C: 

Fluoxastrobin:    163 dagen

Prothioconazole: 2,8 dagen

DT50 voor afbraaksnelheid in sediment bij 20°C: 10.000 dagen.

 

Kom voor zwevend organische stof:

Fluoxastrobin:        449L/kg

Prothioconazole: 1038 L/kg

Kom voor sediment:

Fluoxastrobin: 449 L/kg

Prothioconazole: 1038 L/kg

 

Verzadigde dampspanning:

Fluoxastrobin:        5,6 x 10-10 Pa (20°C)

Prothioconazole : <4,0 x 10-7 Pa (20°C)

Oplosbaarheid in water:

Fluoxastrobin:    2,29 g/L (20°C)

Prothioconazole: 0,3 g/L (20°C)

 

Molecuulmassa:

Fluoxastrobin: 458,8 g/mol

M48:348,3 g/mol

Prothioconazole: 344,26 g/mol.

·       Prothioconazole-desthio: 312,2 g/mol

1,2,4-triazole: 69,07 g/mol.

 

Overige parameters: standaard instelling TOXSWA

 

Aangezien er nog geen standaard methode is om de afzonderlijke afbraaksnelheden in water en sediment uit de water/sedimentstudie te bepalen, wordt voorlopig de DT50 systeem in de waterfase ingevuld en wordt geen afbraak in het sediment verondersteld. Dit laatste wordt gesimuleerd door een DT50-waarde van 10.000 dagen in te voeren. Deze methode komt overeen met de methode zoals gebruikt in SLOOTBOX, er is als zodanig geen aanpassing van het toetsingskader.

 

In de tabel M.12 is voor fluoxastrobin, prothioconazole en de metabolieten het overwaaiper­centage en de berekende maximale concentra­tie in het oppervlaktewater aangege­ven. Voor M48 is het overwaaiper­centage en de berekende concentra­tie in het oppervlaktewater aangege­ven. Er is uitgegaan van een relatieve molecuulmassa van 91% en een vormingspercentage van maximaal 15,9%. Voor prothioconazole-desthio is het overwaaiper­centage en de berekende concentra­tie in het oppervlaktewater aangege­ven. Er is uitgegaan van een relatieve molecuulmassa van 76% en een vormingspercentage van maximaal 32,3%. Voor 1,2,4-triazole is het overwaaiper­centage en de berekende concentra­tie in het oppervlaktewater aangege­ven. Voor 1,2,4-triazole is uitgegaan van een relatieve molecuulmassa van 20% en een vormingspercentage van maximaal 37,2%.

Omdat voor de metabolieten de DT50 in water onbekend is, is de DT50 van de parent gebruikt en wordt hieraan getoetst.

 

In tabel M.13 is aangegeven of er en zo ja, in welke mate, overschrijding plaatsvindt van de normen voor waterorganismen.

 

Tabel M.12 Overzicht concentraties fluoxastrobin, fluoxastrobin-desthio en 1,2,4-triazole in opper­vlak­tewater  

Stof

Dosering w.s.

Freq.

Emissie

Corr.1

PIEC [mg/L]2

PEC212

PEC282

 

 [kg/ha]

 

[%]

 

voorjaar

voorjaar

voorjaar

Fluoxastrobin

0,15

2

10

1

1,24

0,88

0,80

M48

0,15

2

10

0,12

0,15

-

-

Prothioconazole

0,15

2

10

1

0,78

0,27

0,303

Prothioconazole-desthio

0,15

2

10

0,29

0,23

0,078

0,087

1,2,4-triazole

0,15

2

10

0,074

0,058

0,020

0,022

FANDANGO (Combinatie)4

0,3

2

10

 

2,02

1,15

1,10

1           Correctie factor voor vormingspercentage en relatieve molmassa

2           Berekend volgens TOXSWA

3           De hogere PEC28 komt door de TWA benadering het relatief lange interval van 21 dagen en    lage DT50.

4           Fluoxastrobin + Prothioconazole

 

Tabel M.13 Normoverschrijdingsfactoren fluoxastrobin, fluoxastrobin-desthio en 1,2,4-triazole in opper­vlak­tewater

Stof

PIEC1/ (0,1*NOEC)

PIEC1/ (0,01*LC50)

PIEC1/ (0,01*LC50)

PEC211/ (0,1*NOEC)

PEC281/ (0,1*NOEC)

 

Alg

kreeft

vis

kreeft

vis

Fluoxastrobin

0,035

0,29

0,28

0,049

0,28

M48

<0,001

<0,001

<0,001

-

-

Prothioconazole

0,0071

0,06

0,043

0,0059

0,0097

Prothioconazole-desthio

0,0031

0,0023

<0,001

<0,001

<0,001

1,2,4-triazole

<0,001

<0,001

<0,001

0,0078

<0,001

Combinatie2

0,042

0,35

0,32

0,055

0,29

FANDANGO

0,034

0,15

0,31

-

-

1           Berekend volgens TOXSWA

2           Fluoxastrobin + Prothioconazole

 

Wanneer de normoverschrijding factoren vermeld in tabel M.13 in ogenschouw wordt genomen blijkt dat de aangevraagde toepassingen voor FANDANGO voldoen aan de norm voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Risicobeoordeling voor bioconcentratie

 

Voor fluoxastrobin is een BCF-waarde van 52,1 L/kg beschikbaar. Aangezien de

BCF < 100 L/kg is er een gering risico voor bioconcentratie.Voor prothioconazole is een BCF-waarde van 18,8 L/kg beschikbaar. Aangezien de BCF < 100 L/kg is er een gering risico voor bioconcentratie. Hiermee voldoet FANDANGO aan de normen voor bioconcentratie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 


 

Risicobeoordeling voor sedimentorganismen

 

Voor fluoxastrobin zit na 14 dagen 73% in het sediment. Er is er een EC5 voor Chironomus van 1,2 mg/L. De norm 0,1 x de NOEC = 0,1 x 1200 = 120 µg/L. Indien de norm voor sediment organismen wordt getoetst aan de PIEC in water is de normoverschrijding 0,010. Verder zijn alleen prothioconazole en prothioconazole-desthio in het sediment aangetroffen.Voor prothioconazole is de NOEC voor Daphnia > 0,1. Hierdoor wordt er voor deze stof geen risico voor sedimentorganismen verwacht. Voor prothioconazole-desthio is de NOEC Daphnia 0,1. Er is een test Chironomus uitgevoerd.

De norm voor Chironomus bedraagt 0,1 x de NOEC = 0,1 x 9140 = 914 µg/L. Indien de norm voor sediment organismen wordt getoetst aan de PIEC in water is de normoverschrijding 0,0011. Fluoxastrobin, prothioconazole en metabolieten voldoen derhalve aan de norm voor sedimentorganismen van de UB.

 

Risicobeoordeling voor terrestrische organismen

 

Risicobeoordeling voor vogels

 

Vogels kunnen worden blootgesteld door voedsel (bespoten insecten, zaden, bladeren), het drinken van oppervlaktewater en als gevolg van doorvergiftiging.

 

Voedsel en drinkwater

In de Uniforme Beginselen (UB) is de norm voor acute blootstelling gesteld op 0,1*LD50-waarde, de norm voor korte termijn blootstelling 0,1*LC50-waarde en de norm voor chronische blootstelling gesteld op 0,2*NOEC-waarde. Zie tabel M.14 voor de toxiciteitswaarden van fluoxastrobin, prothioconazole en prothioconazole-desthio.

 

Tabel M.14 Overzicht toxiciteitswaarden prothioconazole en prothioconazole-desthio voor vogels

Stof

LD50

[mg/kg lg]

LC50

[mg/kg voer]

NOEC

[mg/kg voer]

Fluoxastrobin

>2000

>5000

461

Prothioconazole

>2000

>5000

700

Prothioconazole-desthio

>2000

4090

173

 

De concentratie in het voer is berekend door middel van de relatie opgesteld door Luttik (2001). Voor herhaalde toepassingen wordt de PIEC berekend als zijnde maximale totale dosering (worst case). Er wordt geen rekening gehouden met tussentijdse afbraak op voedsel. Zie tabel M.15 voor de PIEC in het voer en voor de normoverschrijdingsfactoren. De risico’s worden berekend voor een kleine vogelsoort met een lichaamsgewicht van 10 gram met een dagelijkse voedselopname (bladeren, bladrijk gewas, voedergewassen en kleine zaden) van 2,9 gram en een dagelijkse waterconsumptie van 3,0 gram.

 

Tabel M.15 Overzicht van concentraties prothioconazole en protioconazole-desthio in voedsel en normoverschrijding voor vogels

Werkzame stof

Dosering

[kg w.s./ha]

Freq.

PIECvoer

[mg/kg]2

PIECvoer*DFI/

(0,1*LD50)

PIECvoer/

(0,1*LC50)

PIECvoer/

(0,2*NOEC)

Fluoxastrobin

0,15

2

7,5

<0,011

<0,015

0,081

Prothioconazole

0,15

2

7,5

<0,011

<0,015

0,054

Prothioconazole-desthio

0,0861

2

4,3

<0,0062

0,011

0,12

Combinatie3

 

 

 

<0,022

<0,030

0,14

1kg prothioconazole x max. vormingspercentage metaboliet (57,1 % uit veldstudie)

2Dosering x RUD (25 voor bladeren en zaden)

3Fluoxastrobin + Prothioconazole

 

Voor drinkwater wordt de worst case situatie berekend. Zie tabel M.16 voor de normoverschrijdingsfactoren.

 

Tabel M.16 Normoverschrijdingsfactor fluoxastrobin, prothioconazole en prothioconazole-desthio via drinkwater

Werkzame stof

Dosering

(kg/ha)

Freq.

Drift

PIEC water1

(µg/L)

Normoverschrijding

PIEC*DWI/(0,1*LD50)

Normoverschrijding

PIEC/(0,1*LC50)

Fluoxastrobin

0,15

2

1%

1,24

<0,0018

<0,0025

Prothioconazole

0,15

2

1%

0,78

<0,0012

<0,0016

Prothioconazole-desthio

0,0482

2

1%

0,23

<0,001

<0,001

Totaal3

 

 

 

2,02

<0,0030

<0,0041

1berekend volgens TOXSWA

2kg prothioconazole x max. vormingspercentage metaboliet (32,3 % uit waterstudie)

3fluoxastrobin + prothioconazole

 

Uit de tabellen M.15 en M.16 blijkt dat de normen voor deze toepassingen voor fourageren en via het drinken van water niet overschreden worden. Derhalve wordt er voor de aangevraagde toepassing voldaan aan de norm voor vogels volgens de Uniforme Beginselen (UB).

 

Doorvergiftiging 

Het risico ten gevolge van doorvergiftiging wordt bepaald aan de hand van de bioconcentratie in vissen en in regenwormen.

Gezien de lage waarde voor de log Pow (2,86) voor fluoxastrobin is het risico van effecten als gevolg van doorvergiftiging gering.

 

Vissen

Voor prothioconazole en prothioconazole-desthio zijn BCFvissen waarden van respectievelijk 18,8 en 45 L/kg. Het risico voor vogels als gevolg van het eten van vissen wordt ingeschat met de formule PECwater,28d ´ BCFvissen/ NOEC x 0,2. Voor prothioconazole bedraagt de concentratie in de vis 0,30 ug/L x 18,8 L/kg = 5,64 ug/kg = 0,0056 mg/kg. De norm is gesteld op 140 mg/kg voer waardoor de normoverschrijding <0,0001 bedraagt.

Voor prothioconazole-desthio kan er slechts gerekend worden met PIECwater De concentraite in de vis bedraagt 0,23 ug/L x 45 L/kg = 10,4 ug/kg = 0,010 mg/kg. De norm is gesteld op 34,6 mg/kg voer waardoor de normoverschrijding 0,0003 bedraagt.

 

Regenwormen

Het risico voor vogels als gevolg van doorvergiftiging, via de opname van blootgestelde regenwormen, wordt bepaald door de concentratie prothioconazole in de regenworm te toetsen aan de chronische norm voor vogels. Vanwege het ontbreken van experimentele gegevens wordt de bioconcentratiefactor voor wormen (BCFworm) berekend met behulp van de formules zoals opgenomen in de HTB, onderdeel Risico voor vogels en zoogdieren, Module E Indirecte blootstelling. Uitgaande van log(KOW) = 3,82 en Kbodem-water = 73 L/kg (afgeleid van KOM = 1038 L/kg voor een bodem met 5% organische stof) wordt de BCF geschat op 6,12 kgwwt/kgwwt. De concentratie in de grond wordt berekend met behulp van de formules zoals opgenomen in de HTB, onderdeel Regenwormen, paragraaf 3 Beoordelingsmethodiek, en gecorrigeerd naar natgewicht grond. Het risico voor vogels als gevolg van het eten van wormen is dan aangezien (PEC(grond,lang) ´ BCF)/(0,2 x NOEC(vogels)) = (0,0057 x 6,12)/140 = 0,00025. Hiermee wordt er een gering risico verwacht voor vogels via eten van regenwormen.

Uit bovenstaande blijkt dat de huidige aanvraag van FANDANGO voldoet aan de norm op doorvergiftiging van vogels, zoals opgenomen in de Uniforme beginselen.

 

Risicobeoordeling voor zoogdieren

 

Zoogdieren kunnen worden blootgesteld door voedsel (bespoten insecten, zaden, bladeren), het drinken van oppervlaktewater en als gevolg van doorvergiftiging.

 

Voedsel en drinkwater

In de Uniforme Beginselen (UB) is de norm voor acute blootstelling gesteld op 0,1*LD50-waarde, de norm voor korte termijn blootstelling 0,1*LC50-waarde en de norm voor chronische blootstelling gesteld op 0,2*NOEC-waarde. Zie tabel M.17 voor de toxiciteitswaarden van fluoxastrobin, prothioconazole en prothioconazole-desthio.

 

Tabel M.17 Overzicht toxiciteitswaarden fluoxastrobin, prothioconazole en prothioconazole-desthio voor zoogdieren

Stof

LD50

[mg/kg lg]

NOEC

[mg/kg voer]

Fluoxastrobin

>2000

10000

Prothioconazole

>2500

800

Prothioconazole-desthio

2235

160

 

De concentratie in het voer is berekend door middel van de relatie opgesteld door middel van de relatie van Luttik voor zaden en kleine insecten.. Voor herhaalde toepassingen wordt de PIEC berekend als zijnde de maximale totale dosering (worst case). Er wordt geen rekening gehouden met tussentijdse afbraak op voedsel. Zie tabel M.18 voor de PIEC in het voer en voor de normoverschrijdingsfactoren. Bij de risicoschatting is uitgegaan van zoogdieren met een lichaamsgewicht van 6 gram, een dagelijkse voedselconsumptie (DFI) van 1,025 g en een dagelijkse waterconsumptie (DWI) van 1,8 g.

 

Tabel M.18 Overzicht van concentraties fluoxastrobin, prothioconazole en prothioconazole-desthio in voedsel en normoverschrijding voor zoogdieren

Werkzame stof

Dosering

[kg w.s./ha]

Frequentie

PIECvoer

[mg/kg]2

PIECvoer*DFI/

(0,1*LD50)

PIECvoer/

(0,2*NOEC)

Fluoxastrobin

0,15

2

7,5

<0,0064

0,0038

Prothioconazole

0,15

2

7,5

<0,0051

0,047

Prothioconazole-desthio

0,0861

2

4,3

0,0033

0,13

Combinatie3

0,3

2

 

<0,011

0,051

1kg prothioconazole x max. vormingspercentage metaboliet (57,1 % uit veldstudie)

2Dosering x RUD (25 voor bladeren en zaden)

3Fluoxastrobin + prothioconazole

 

Voor drinkwater wordt de worst case situatie berekend. Zie tabel M.19 voor de normoverschrijdingsfactoren.

 

Tabel M.19 Normoverschrijdingsfactor prothioconazole en prothioconazole-desthio via drinkwater

Werkzame stof

Dosering

(kg/ha)

Freq.

Drift

PIEC water1

(µg/L)

Normoverschrijding

PIEC*DWI/(0,1*LD50)

Fluoxastrobin

0,15

2

1%

1,24

<0,0019

Prothioconazole

0,15

2

1%

0,78

<0,001

Prothioconazole-desthio

0,0482

2

1%

0,23

<0,001

Totaal3

 

 

 

2,02

<0,01

1berekend volgens TOXSWA

2kg prothioconazole x max. vormingspercentage metaboliet (32,3 % uit waterstudie)

3Fluoxastrobin + prothioconazole

 

Uit de tabellen M.18 en M.19 blijkt dat de normen voor deze toepassing voor fourageren en via het drinken van water niet overschreden worden. Derhalve wordt er voor de aangevraagde toepassing voldaan aan de norm voor zoogdieren volgens de Uniforme Beginselen (UB).

 

Doorvergiftiging 

Het risico ten gevolge van doorvergiftiging wordt bepaald aan de hand van de bioconcentratie in vissen en in regenwormen. Gezien de lage waarde voor de log Pow (2,86) voor fluoxastrobin is het risico van effecten als gevolg van doorvergiftiging gering.

 

Vissen

Voor prothioconazole en prothioconazole-desthio zijn BCFvissen waarden van respectievelijk 18,8 en 45 L/kg. Het risico voor zoogdieren als gevolg van het eten van vissen wordt ingeschat met de formule PECwater,28d ´ BCFvissen/ NOEC x 0,2. Voor prothioconazole bedraagt de concentratie in de vis 0,30 ug/L x 18,8 L/kg = 5,64 ug/kg = 0,0056 mg/kg. De norm is gesteld op 160 mg/kg voer waardoor de normoverschrijding <0,0001 bedraagt.

Voor prothioconazole-desthio kan er slechts gerekend worden met PIECwater De concentraite in de vis bedraagt 0,23 ug/L x 45 L/kg = 10,4 ug/kg = 0,010 mg/kg. De norm is gesteld op
32 mg/kg voer waardoor de normoverschrijding 0,0003 bedraagt.

 

Regenwormen

Het risico voor zoogdieren als gevolg van doorvergiftiging, via de opname van blootgestelde regenwormen, wordt bepaald door de concentratie prothioconazole in de regenworm te toetsen aan de chronische norm voor zoogdieren. Vanwege het ontbreken van experimentele gegevens wordt de bioconcentratiefactor voor wormen (BCFworm) berekend met behulp van de formules zoals opgenomen in de HTB, onderdeel Risico voor vogels en zoogdieren, Module E Indirecte blootstelling. Uitgaande van log(KOW) = 3,82 en Kbodem-water = 73 L/kg (afgeleid van
KOM = 1038 L/kg voor een bodem met 5% organische stof) wordt de BCF geschat op
6,12 kgwwt/kgwwt. De concentratie in de grond wordt berekend met behulp van de formules zoals opgenomen in de HTB, onderdeel Regenwormen, paragraaf 3 Beoordelingsmethodiek, en gecorrigeerd naar natgewicht grond. Het risico voor zoogdieren als gevolg van het eten van wormen is dan aangezien (PEC(grond,lang) ´ BCF)/(0,2 x NOEC(zoogdieren)) =
(0,0057 x 6,12)/160 = 0,00021. Hiermee wordt er een gering risico verwacht voor zoogdieren via eten van regenwormen.

Uit bovenstaande blijkt dat de huidige aanvraag van FANDANGO voldoet aan de norm op doorvergiftiging van zoogdieren, zoals opgenomen in de Uniforme beginselen.

 

Risicobeoordeling voor bijen en hommels

Voor fluoxastrobin is de verhouding tussen dosering (150 g w.s./ha) en toxiciteit
(>200
mg w.s./bij), welke <0,75 bedraagt, en is hiermee < 50. Er sprake van een gering risico voor bijen voor fluoxastrobin.

Voor prothioconazool is de verhouding tussen dosering (150 g w.s./ha) en toxiciteit
(48,7
mg w.s./bij), welke 3,08 bedraagt, en is hiermee < 50. Er sprake van een gering risico voor bijen voor prothioconazool.

Voor het middel FANDANGO is de verhouding tussen dosering (300 g w.s./ha) en toxiciteit (>130 mg w.s./bij), welke <2,31 bedraagt, en is hiermee < 50. Er sprake van een gering risico voor bijen voor de formulering.

Hiermee voldoet deze toepassing aan de norm voor bijen en hommels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).


 

Risicobeoordeling voor niet-doelwit arthropoden

 

Beoordeling FANDANGO

 

Volgens de benadering van ESCORT2 kan voor T. pyri en A. rhopalosiphi het risico zowel ‘in-field’ als ‘off-field’ worden geschat. In tabel M.22 is de hazard quotiënt berekend op basis van de LR50. Vanwege het ontbreken van een DT50 waarde wordt er uitgegaan van een standaard MAF van 1,9.

De HQ’s van de in-field en off-field van standaard laboratorium studies moeten < 2. In een extended laboratorium studie moet dit < 1. Voor het middel zijn allen twee extended laboratorium studies beschikbaar.

 

Tabel M.20 Hazard quotiënt voor Typhlodromus pyri en Aphidius rhopalosiphi

soort

effect

dosering

freq.

interv.

MAF

LR50

in-field HQ

off-field HQ

 

 

 [kg w.s./ha]

 

 

 

[kg w.s./ha]

 

 

Extended laboratory studies

T. pyri

mortaliteit

0,30

2

21

1,9

>0,6

<0,95

<0,095

A. rhopalosiphi

mortaliteit

0,30

2

21

1,9

>0,6

<0,95

<0,095

 

Uit bovenstaande blijkt dat zowel T.pyri als A. rhopalosiphi bij de extended laboratorium studies zowel in-field als off-field voldoet.

 

De studies die geleverd zijn, zijn tweede tier studies (extended lab). Het is niet duidelijk of het middel ook in de eerste tier al zou hebben voldaan. Wanneer dit niet het geval zou zijn geweest, zou een extra soort getest moet worden. Omdat er geen extra gegevens geleverd zijn en omdat het onduidelijk is of het middel in de eerste tier zou hebben voldaan, is er ook nog een risicobeoordeling uitgevoerd op de afzonderlijke werkzame stoffen.

 

Beoordeling fluoxastrobin

 

Volgens de benadering van ESCORT2 kan voor T. pyri en A. rhopalosiphi het risico zowel ‘in-field’ als ‘off-field’ worden geschat. In tabel M.21 is de hazard quotiënt berekend op basis van de LR50. Er is een DT50waarde (bladeren) voor fluoxastrobin van 3 dagen (Preu & Heinemann 2001). Volgens de Escort 2 benadering is de MAF dan 1,1.

De HQ’s van de in-field en off-field van standaard laboratorium studies moeten < 2. In een extended laboratorium studie moet dit < 1.

 

Tabel M.21 Hazard quotiënt voor Typhlodromus pyri en Aphidius rhopalosiphi

Soort

Effect

Dosering

Freq.

Interv.

MAF

LR50

In-field HQ

Off-field HQ

 

 

 [kg/ha]

 

 

 

kg/ha

 

 

T. pyri

mortaliteit

0,15

2

21

1,1

>0,122

1,35

0,14

A. rhopalosiphi

mortaliteit

0,15

2

21

1,1

0,068

2,43

0,24

Extended laboratory studies

A. rhopalosiphi

mortaliteit

0,15

2

21

1,1

0,034

4,85

0,49

 

Uit bovenstaande blijkt dat alleen A. rhopalosiphi voor de in-field situatie de norm overschrijdt. Off-field wordt er wel voldaan. Met de extended laboratorium studie is er in-field nog steeds een risico voor A. rhopalosiphi. T.pyri voldoet zowel in-field als off-field.

Verder zijn er toxiciteitswaarden beschikbaar van Chrysoperla carnea, Poecilus cupreus en Aleochara bilineata, die bij relevante doseringen met fluoxastrobin geen effecten>30% vertonen. Voor Coccinella septempunctata is er bij een dosering van 35 g/ha een gecorrigeerde mortaliteit gevonden van 59%. Bij een extended laboratorium studie was er bij een dosering van 200 g w.s./ha een gecorrigeerde mortaliteit van 75%. Risico voor Coccinella septempunctata is aanwezig.

 

Er is een semi-veldtest uitgevoerd met de meest gevoelige soort (A. rhopalosiphi).

Hierbij werd A. rhopalosiphi blootgesteld aan bladeren, bespoten met 2 maal 200 g fluoxastrobin/ha. Reproductie werd onmiddellijk na blootstelling verminderd met 32%, maar was bij 2 weken oude bespoten bladeren verminderd tot 13%. Uit dit experiment blijkt dat er binnen een ecologische relevante periode herstel op kan treden van de populatie A. rhopalosiphi bij de aangevraagde dosering.

 

Derhalve voldoet de aangevraagde toepassing op basis van de huidig beschikbare gegevens voor fluoxastrobin aan de norm voor niet-doelwit arthropoden volgens de Uniforme Beginselen (UB).

 

Beoordeling prothioconazole

 

Volgens de benadering van ESCORT2 kan voor T. pyri en A. rhopalosiphi het risico zowel ‘in-field’ als ‘off-field’ worden geschat. In tabel M.22 is de hazard quotiënt berekend op basis van de LR50. Er is een DT50waarde (bladeren) voor prothioconazole van 2,96 dagen (Hall and Duah, 2002). Volgens de Escort 2 benadering is de MAF dan 1,1.

De HQ’s van de in-field en off-field van standaard laboratorium studies moeten < 2. In een extended laboratorium studie moet dit < 1.

 

Tabel M.22 Hazard quotiënt voor Typhlodromus pyri en Aphidius rhopalosiphi

Soort

Effect

Dosering

Freq.

Interv.

MAF

LR50

In-field HQ

Off-field HQ

 

 

 [kg/ha]

 

 

 

kg/ha

 

 

T. pyri

mortaliteit

0,15

2

21

1,1

0,019

8,68

0,87

A. rhopalosiphi

mortaliteit

0,15

2

21

1,1

0,140

1,18

0,12

Extended laboratory studies

T. pyri

mortaliteit

0,15

2

21

1,1

0,445

0,37

0,037

 

Uit bovenstaande blijkt dat alleen T.pyri voor de in-field situatie de norm overschrijdt. Off-field wordt er wel voldaan. De extended laboratorium studie laat zien dat ook in-field het risico voor T. pyri gering is. A. rhopalosiphi voldoet zowel in-field als off-field.

 

Verder zijn er toxiciteitswaarden beschikbaar van Chrysoperla carnea, Poecilus cupreus en Aleochara bilineata, die bij relevante doseringen met prothioconazole geen effecten>30% vertonen. Voor Coccinella septempunctata is er bij een dosering van 180 g/ha een gecorrigeerde mortaliteit gevonden van 30,7%, bij een dosering van 375 g/ha was de mortaliteit > 50%. Risico voor Coccinella septempunctata is aanwezig. Hierom is er een higher tier test (aged residue test) met de meest gevoelige soort (T. pyri) uitgevoerd. Na
1 dag aging was er bij een dosering van 300g/ha de mortaliteit 14,5%. Hiermee is aangetoond dat er op korte termijn herstel van de populatie op kan treden.

Omdat deze test is uitgevoerd met de meest gevoelige soort, wordt ook verondersteld dat populaties van Coccinella septempunctata binnen een ecologisch relevante periode herstellen.

 

Derhalve voldoet de aangevraagde toepassing op basis van de huidig beschikbare gegevens wat betreft prothioconazole aan de norm voor niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Conclusie FANDANGO  met betrekking tot niet-doelwit arthropoden

De beide werkzame stoffen voldoen aan de norm voor niet-doelwit arthropoden. Uit de gegevens van de beschikbare extended laboratorium studies van A. rhopalosiphi en T. pyri blijkt dat de afzonderlijke stoffen toxischer zijn dan de formulering. Derhalve wordt geconcludeerd dat er bij de aangevraagde toepassingen een gering risico is voor niet-doelwit arthropoden en wordt er voldaan aan de norm voor niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB). Voor een toekomstige beoordeling dient er echter een derde soort niet-doelwit arthropoden getest te worden met het middel FANDANGO. De soorten die daarbij de voorkeur verdienen zijn: Orius laevigatus, Chrysoperla carnea, Coccinella septempunctata en Aleochara bilineata, o.a. vanwege het feit dat de beschikbare gegevens er op duiden dat deze organismen relatief gevoelig zijn en er goede testmethoden beschikbaar zijn.

 

Risicobeoordeling voor regenwormen  

 

Beoordeling fluoxastrobin

 

De norm voor regenwormen wordt gebaseerd op de norm uit de Uniforme Beginselen (UB). Dat betekent dat de norm voor de PIEC gesteld wordt op 0,1 maal de LC50. De norm bedraagt op basis van de naar 5% organische stof genormaliseerde 14-dagen LC50 (> 500 mg w.s./kg) van fluoxastrobin voor regenwormen van 50 mg w.s./kg. Voor zowel M40 als M48 bedraagt de
LC50  >1000 mg/kg en is de norm dus 100 mg/kg (niet genormaliseerd: Log Kow < 2).

 

Tabel M.23 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding

Stof

Dosering [kg/ha]1

Freq.

Inter-val [dag]

Fractie op bodem

PIEC bodem [mg/kg]

Norm-overschrijding

Fluoxastrobin

0,15

2

21

0,8

0,17

<0,0034

M40

0,019

2

21

0,8

0,022

<0,001

M48

0,084

2

21

0,8

0,096

<0,001

1Voor de metabolieten is dit aangepast aan het maximale vormingpercentages van resp 12,7 en 56%.

 

De frequentie is 2 maal per seizoen maar de DT90-waarde van fluoxastrobin > 100 dagen, dus is sublethaalonderzoek noodzakelijk. De sublethale norm wordt gesteld op 0,2 maal de NOEC. Er is een gecorrigeerde NOEC beschikbaar van 1,33 mg w.s./kg. De norm is dan 0,27. De normoverschreiding is PIEC/0,2*NOEC = 0,56. Hiermee voldoet de genoemde toepassing voor fluoxastrobin aan de chronische norm voor regenwormen, zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen.

 

Beoordeling prothioconazole

 

De norm voor regenwormen wordt gebaseerd op de norm uit de Uniforme Beginselen (UB). Dat betekent dat de norm voor de PIEC gesteld wordt op 0,1 maal de LC50. De norm bedraagt op basis van de naar 5% organische stof genormaliseerde 14-dagen LC50 (125 mg/kg) van prothioconazole voor regenwormen van 12,5mg/kg. Voor zowel prothioconazole-desthio als prothioconazole-S-metyl bedraagt de genormaliseerd LC50 50 mg/kg


 

Tabel M.24 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding

Stof

Dosering [kg/ha]1

Freq.

Inter-val [dag]

Fractie op bodem

PIEC bodem [mg/kg]

Norm-overschrijding

Prothioconazole

0,15

2

21

0,8

0,17

0,014

Prothioconazole-S-methyl

0,022

2

21

0,8

0,025

0,00050

Prothioconazole-desthio

0,086

2

21

0,8

0,098

0,0020

1Voor de metabolieten is dit aangepast aan het maximale vormingpercentages van respectievelijk 14,6 en 57,1%

 

Wanneer tabel M.24 in ogenschouw genomen wordt en aangezien de frequentie 2 per seizoen is en de DT90-waarde van de stof <100 dagen is, is sublethaalonderzoek niet noodzakelijk en voldoet de genoemde toepassing voor prothioconazole aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Beoordeling FANDANGO

 

Voor het middel FANDANGO wordt de toxiciteit voor regenwormen zowel bepaald door combinatie additie van de werkzame stoffen, als door beoordeling met de toxiciteittswaarde van het middel. Voor het middel FANDANGO is een LC50 voor regenwormen beschikbaar. De norm voor regenwormen wordt gebaseerd op de norm uit de Uniforme Beginselen (UB). Dat betekent dat de norm voor de PIEC gesteld wordt op 0,1 maal de LC50. De norm bedraagt op basis van de naar 5% organische stof genormaliseerde 14-dagen LC50 (>100 mg w.s./kg) van FANDANGO voor regenwormen van >10 mg/kg.

 

Tabel M.25 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding

Stof

Dosering [kg/ha]1

Freq.

Inter-val [dag]

Fractie op bodem

PIEC bodem [mg/kg]

Norm-overschrijding

Fluoxastrobin

0,15

2

21

0,8

0,17

<0,0034

Prothioconazole

0,15

2

21

0,8

0,17

0,014

Combinatie

0,3

 

 

 

0,34

0,014

FANDANGO

0,3

2

21

0,8

0,34

<0,034

 

Wanneer tabel M.25 in ogenschouw genomen wordt en aangezien de frequentie 2 per seizoen is en de DT90-waarde van de stof < 100 dagen is, is sublethaalonderzoek niet noodzakelijk en voldoet de genoemde toepassing voor fandango aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Risicobeoordeling voor bodemmicro-organismen

 

Fluoxastrobin

 

In de geteste gronden zijn bij de relevante doseringen van 2,12 kg w.s./ha met fluoxastrobin en geen effecten op de respiratie en nitrificatieprocessen waargenomen. Aangezien het reductiepercentage < 25% na 100 dagen wordt voldaan aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Prothioconazole

 

In de geteste gronden zijn bij de relevante doseringen van 2 kg w.s./ha met prothioconazole en prothioconazole-S-metyl en doseringen van 0,2 kg w.s./ha met prothioconazole-desthio geen effecten op de respiratie en nitrificatieprocessen waargenomen. Aangezien het reductiepercentage < 25% na 100 dagen wordt voldaan aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

FANDANGO

In de geteste gronden zijn bij de relevante doseringen van 4 kg w.s./ha met FANDANGO geen effecten op de respiratie en nitrificatieprocessen waargenomen. Aangezien het reductiepercentage < 25% na 100 dagen wordt voldaan aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Effecten op ander niet-doelorganismen (flora en fauna)

Voor herbiciden en plant growth regulators zijn gegevens over mogelijke effecten op niet-doelwit planten in EU vereist. Voor de Nederlandse beoordeling is dit pas vereist met ingang van het nieuwe Handleiding Toelating Bestrijdingsmiddelen (versie 1.0). Aangezien de gegevens al beschikbaar zijn, wordt er in deze beoordeling wel gebruik van gemaakt. Echter, eventuele risico’s voor niet-doelwitplanten hebben nog geen gevolgen voor de huidige beoordeling.

 

Beoordeling fluoxastrobin

 

Voor de beoordeling van de toxiciteit van fluoxastrobin voor niet-doelwit planten zijn alleen gegevens van de screening trial uit de monografie beschikbaar. Tot 500 g w.s./ha zijn zowel voor opkomst als na opkomst geen effecten gevonden. Daar de gebruikte dosering beduidend hoger ligt dan de hier aangevraagde dosering, wordt er weinig risico verwacht en wordt er voldaan aan de norm voor niet-doelwit planten, zoals opgenomen in de UB.

 

Beoordeling prothioconazole

 

Bij de beoordeling van de effecten op niet-doelwit planten wordt rekening gehouden met de volgende afstanden en driftpercentages:

-1 meter voor volveldsteelten en bodemtoedieningen: 10%.

Volgens het Guidance document on terrestrial ecotoxicology is er weinig risico wanneer blootstelling (g/ha)/ER50 <0,2. De ER50 is >250 g/ha, de norm is dus <50.

 

Tabel M.26 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding

Dosering

[kg w.s. /ha]

Freq.

Drift% (off-field blootstelling)

Blootstelling

(g w.s./ha)1

Normoverschrijding

0,2

2

10

40

<0,8

1Hierbij is geen rekening gehouden met tussentijdse afbraak.

 

Uit bovenstaande blijkt dat er voor prothioconazole wordt voldaan de norm voor niet-doelwit planten, zoals opgenomen in de UB.

 

Het middel FANDANGO voldoet aan de norm voor niet-doelwit planten, zoals opgenomen in de UB.


 

Etikettering milieu

 

Voorstel voor classificatie werkzame stof fluoxastrobin (symbolen en R-zinnen)

(EU classificatie)

 

Symbool:

N

met als onderschrift: Milieugevaarlijk

 

R-zinnen

R50/R53

Zeer giftig voor in het water levende organismen, kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken

 

Voorstel voor classificatie werkzame stof prothioconazole (symbolen en R-zinnen)

(EU classificatie)

 

Symbool:

N

met als onderschrift: Milieugevaarlijk

 

R-zinnen

R51/R53

Zeer giftig voor in het water levende organismen, kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken

 

Voorstel voor classificatie en etikettering formulering(en) met betrekking tot het milieu

 

Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de geleverde formuleringstoxicologie voor het middel en de eigenschappen van de hulpcomponenten, wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:

 

1

Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen):

 

-

2c)

Gevaarsymbool:

N

aanduiding:

Milieugevaarlijk

 

R-zinnen

51/53

Vergiftig voor in het water levende organismen, kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.

 

 

 

 

 

S-zinnen

61

Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies/veiligheidskaart.

 

 

 

 

2d)

Specifieke vermeldingen:

DPD-zinnen

-

-

 

 

 

 

2f)

Gewasbeschermings-middelenzin:

DPD-zin

DPD01

- 

2h)

Kinderveilige sluiting verplicht?

-

 

Voelbare gevaarsaanduiding verplicht?

-

 


 

Conclusie met betrekking tot milieu

 

1.        Fluoxastrobin en de metabolieten voldoen aan de norm voor per­sis­tentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

2.        Prothioconazole en de metabolieten voldoen aan de norm voor per­sis­tentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

3.        De aangevraagde toepassing van FANDANGO voldoet aan de normen voor uitspoeling naar het ondiepe grondwa­ter zoals opgenomen de Uniforme Beginselen (UB).

4.        De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de normen voor toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

5.        Fluoxastrobin voldoet aan de normen voor bioconcentratie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

6.        Prothioconazole voldoet aan de normen voor bioconcentratie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

7.        De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor vogels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

8.        De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor zoogdieren zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

9.        De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor bijen en hommels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

10.    De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

11.    De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB)

12.    De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet voldoen aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

13.    De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor niet-doelwit planten, zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).

 

Ontbrekende gegevens

 

Er ontbreken geen gegevens.

 

Gegevens voor toekomstige beoordeling

 

Ter bevestiging van de geringe toxiciteit van FANDANGO op niet-doelwit arthropoden:

- een test met het middel FANDANGO op een derde soort niet-doelwit arthropode. De soorten die daarbij de voorkeur verdienen zijn: Orius laevigatus, Chrysoperla carnea, Coccinella septempunctata en Aleochara bilineata.

 

 

Conclusie

Bij gebruik volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift en gebruiksaanwijzing is het middel FANDANGO, op basis van prothioconazool en fluoxastrobin, voldoende werkzaam en heeft het geen schadelijke uitwerking op de gezondheid van de mens en het milieu
(artikel 3, 3a en 24 Bestrijdingsmiddelenwet 1962).

 

Als einddatum voor de werkzame stoffen fluoxastrobin en prothioconazool wordt
1 augustus 2008 vastgesteld.

 

Als expiratiedatum voor het middel FANDANGO wordt 1 augustus 2008 vastgesteld
(= einddatum fluoxastrobin en prothioconazool).

 

Etikettering:

Gevaarsymbool:         N         aanduiding:     Milieugevaarlijk

R-zinnen:                    51/53   Vergiftig voor in het water levende organismen, kan in het

                                   aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten

                                   veroorzaken.

S-zinnen                     21        Niet roken tijdens gebruik

                                   37        Draag geschikte handschoenen

61                Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale

instructies/veiligheidsgegevenskaart.

DPD-zinnen               DPD01 Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu

                                                 te voorkomen

 

Vragen die voortkomen uit de EU-beoordeling van de werkzame stoffen prothioconazool en fluoxastrobin en/of het middel FANDANGO zullen onverkort gelden voor de Nederlandse beoordeling.

 

 

Besluit

 

·        Het College besluit de aanvraag tot voorlopige toelating van het bestrijdingsmiddel FANDANGO, 20040277 TG, op basis van fluoxastrobin en prothioconazool, toegepast als schimmelbestrijdingsmiddel in de teelt van winter- en zomertarwe, triticale en winter- en zomergerst, te honoreren op grond van artikel 3, 3a en 24 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

·       Als einddatum voor de werkzame stoffen fluoxastrobin en prothioconazool wordt
1 augustus 2008 vastgesteld.

·       Als expiratiedatum voor het middel FANDANGO wordt 1 augustus 2008 vastgesteld

(= einddatum fluoxastrobin en prothioconazool).

·       Etikettering:

Gevaarsymbool:    N         aanduiding:     Milieugevaarlijk.

R-zinnen:               51/53   Vergiftig voor in het water levende organismen, kan in het

                               aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten

                               veroorzaken.

S-zinnen                21        Niet roken tijdens gebruik.

37        Draag geschikte handschoenen.

62                Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale

instructies/veiligheidsgegevenskaart.

DPD-zinnen           DPD01 Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu

                                           te voorkomen.

 

·       Vragen die voortkomen uit de EU-beoordeling van de werkzame stoffen prothioconazool en fluoxastrobin en/of het middel FANDANGO zullen onverkort gelden voor de Nederlandse beoordeling.

 

 

Wageningen, 29 juli 2005

 

HET COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,



(voorzitter)