Het College
voor de Toelating
van
Bestrijdingsmiddelen,
beslissende op de aanvraag d.d. 29 juni 2004 (aanvraagnummer 20040227 TG) van
tot verkrijging van een
toelating als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet
1962 (Stb. 288) voor het middel
gelet op de artikelen 3,
3a, 4 en 5 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962,
BESLUIT:
§ I Toelating
§ II Samenstelling,
vorm en afwerking
Onverminderd hetgeen
omtrent de samenstelling, vorm en afwerking bij de Regeling samenstelling
bestrijdingsmiddelen is bepaald, moeten:
§ III Gebruik
Het bestrijdingsmiddel mag slechts worden gebruikt met inachtneming van hetgeen in bijlage I dezes onder A. is voorgeschreven.
§ IV Verpakking en
etikettering
Overeenkomstig artikel 15c, lid 1, onder b van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:
- aard van het preparaat: Emulgeerbaar concentraat
Overeenkomstig artikel 15d, lid 1 (biociden) en artikel 15e, onder b (gewasbeschermingsmiddelen) van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:
|
- Werkzame stof: |
- Gehalte: |
|
|||
|
prothioconazool |
100 g/l |
|
||
|
fluoxastrobin |
100 g/l |
|||
Overeenkomstig artikel 14, lid 1 tot en met lid 3 van de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten:
- andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stof(fen):
a.
hetgeen in bijlage I onder A. is vermeld.
b.
de in bijlage I dezes onder B. opgenomen tekst, met dien verstande, dat niet
alle daarin aangegeven toepassingen behoeven te worden vermeld en de inhoud
dier tekst slechts mag worden aangevuld met technische aanwijzingen voor een
goede bestrijding, mits deze niet met die tekst in strijd zijn.
c.
overeenkomstig
artikel 14, lid 4 tot en met lid 13 van de Nadere regels verpakking en
aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten, letterlijk en zonder enige
aanvulling, tenzij bij de veiligheidsaanbeveling cursief is aangegeven
dat een keuze moet worden gemaakt; dan dient de optie die van toepassing is op
het etiket te worden vermeld:
|
- Gevaarsymbool: |
- Aanduiding: |
|
||
|
N |
Milieugevaarlijk |
||
-
Waarschuwingszinnen:
Vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch
milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.
-
Veiligheidsaanbevelingen:
Niet roken tijdens gebruik.
Draag geschikte handschoenen.
Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale
instructies / veiligheidsgegevenskaart.
d.
overeenkomstig
artikel 14, lid 13 en lid 14 van de Nadere regels verpakking en aanduiding
milieugevaarlijke stoffen en preparaten, letterlijk en zonder enige aanvulling:
-
Specifieke
vermeldingen:
Volg de
gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen.
e. -
f. n.v.t.
g. n.v.t.
h. n.v.t.
Degene wiens
belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken kan gelet op artikel 8 van de
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, binnen zes weken na de dag waarop dit besluit bekend is gemaakt
een bezwaarschrift indienen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft
genomen. Een dergelijk bezwaarschrift dient te worden geadresseerd aan: Het
College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Postbus 217, 6700 AE
WAGENINGEN.
HET
COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,
(voorzitter)
HET COLLEGE VOOR DE
TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN
BIJLAGE I bij het toelatingsbesluit van het middel FANDANGO,
A.
Wettelijk
gebruiksvoorschrift
Toegestaan is uitsluitend het gebruik als schimmelbestrijdingsmiddel door een gewasbehandeling in de teelt van:
a. winter- en zomertarwe en triticale;
b. winter- en zomergerst.
Om resistentieopbouw te voorkomen mag dit product of andere producten die fluoxastrobine of een strobilurine bevatten niet vaker gebruikt worden dan tweemaal per seizoen.
6 weken voor winter- en zomertarwe, triticale en winter- en zomergerst.
Het middel is uitsluitend bestemd voor beroepsmatig gebruik.
B.
Gebruiksaanwijzing
Winter- en zomertarwe, en triticale, ter voorkoming van aantasting door voetziekte (Pseudocercosporella herpotrichoides) en blad- en aarziekten, veroorzaakt door bladvlekkenziekte (Septoria tritici), echte meeldauw (Erysiphe graminis), DTR (Pyrenophora tritici-repentis), bruine roest (Puccinia recondita), gele roest (Puccinia striiformis), kafjesbruin (Septoria nodorum) en aarfusarium (Fusarium spp.).
- Voetziekte: bij de aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf begin strekking tot tweede knop voelbaar (BBCH 30-32).
- Bladziekten: bij de aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf tweede knop voelbaar tot het in de aar komen (BBCH 32-55). Indien nodig de behandeling herhalen.
- Aarziekten: een behandeling uitvoeren vanaf het in de aar komen tot einde bloei (BBCH 55-69).
Dosering: 1,5 liter per hectare.
Winter- en zomergerst, ter voorkoming van aantasting
door netvlekkenziekte (Pyrenophora teres),
bladvlekkenziekte (Phynchosporium
secalis), dwergroest (Puccinia
hordei) en echte meeldauw (Erysiphe
graminis).
Bij aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf tweede knoop voelbaar tot het in de aar komen (BBCH 32-55). Indien nodig de behandeling herhalen.
Dosering: 1,25 l/ha per hectare
HET COLLEGE VOOR
DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,
(voorzitter)
HET COLLEGE VOOR DE
TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN
BIJLAGE II bij het toelatingsbesluit van het middel FANDANGO,
Het betreft een aanvraag tot voorlopige toelating van het
middel FANDANGO,
20040227 TG, een middel op basis van de werkzame stoffen fluoxastrobin en
prothioconazool. Het middel is
uitsluitend aangevraagd als een schimmelbestrijdingsmiddel in de teelt van:
a) winter- en zomertarwe en triticale;
b) winter- en zomergerst.
Fluoxastrobin is een nieuwe stof. De Rapporteur Member State is Engeland. Er is een concept-monografie beschikbaar.
Prothioconazool is
een nieuwe stof. De Rapporteur Member State is Engeland. Er is een
concept-monografie beschikbaar.
Stand van zaken met betrekking tot de aanvraag
De aanvraag is op 30 juni 2004 ontvangen; op 30 juni 2004 zijn de verschuldigde aanvraagkosten ontvangen. De aanvraag is op 16 december 2004 in behandeling genomen. Op 28 januari 2005 werden de verschuldigde beoordelingskosten ontvangen.
De 34-weken termijn eindigt op 23 september 2005.
In
tabel 1 is het toepassingsoverzicht van het middel FANDANGO weergegeven.
Tabel 1 Toepassingsoverzicht
|
Nr. toep. |
Toepassing |
Dosering w.s. [kg/ha]* |
Freq. |
Interval [dag] |
Tijdstip toepassing |
|
1 |
Winter- en zomertarwe,
triticale en spelt |
0,150 + 0,150 |
1-2 |
21 |
Maart-juni |
|
2 |
Winter- en zomergerst |
0,125 + 0,125 |
1-2 |
21 |
Apr-juni |
* fluoxastrobin
+ prothioconazool
Profiel fysische en chemische eigenschappen
Werkzame stof
prothioconazool
Voor de fysisch-chemische eigenschappen wordt gebruik
gemaakt van de eindpuntentabel zoals die als onderdeel van de concept
monografie, gecorrigeerd op 8 november 2004, is opgesteld en besproken in de
ECCO/EPCO bijeenkomsten. Nederland heeft commentaar geleverd, verwerkt in dit
stuk.
Identity
|
Active substance (ISO Common Name) |
Prothioconazole |
|
Chemical name (IUPAC) |
(R,S)
2-[2-(1-chlorocyclopropyl)-3-(2-chlorophenyl)-2-hydroxypropyl]-2,4-dihydro-1,2,4-triazole-3-thione |
|
Chemical name (CA) |
(R,S)3H-1,2,4-triazole-3-thione,
2-[2-(1-chlorocyclopropyl)-3-(2-chlorophenyl)-2-hydorxypropyl]-1,2-dihydro- |
|
CIPAC No |
745 |
|
CAS No |
178928-70-6 |
|
EEC No (EINECS or ELINCS) |
Not available. |
|
FAO Specification |
Not available. |
|
Minimum purity of the active substance as manufactured (g/kg) |
965 g/kg |
|
Identity of relevant impurities (of
toxicological, environmental and/or other significance) in the active
substance as manufactured (g/kg) |
None |
|
Molecular formula |
C14H15Cl2N3OS |
|
Molecular mass |
344.26 |
|
Structural formula |
|
|
Metabolite
of concern Desthio-prothioconazole
(JAU 6476-desthio, SXX 0665) |
|
Physical-chemical properties
|
Melting point (state purity) |
139.1 oC – 144.5 oC (99.4%) |
|||
|
Boiling point (state purity) |
487 oC ± 50 oC (calculation) |
|||
|
Temperature of decomposition |
Thermally stable at ambient temperature under air |
|||
|
Appearance (state purity) |
Colourless to faintly beige powder (99.4%) |
|||
|
Relative density (state purity) |
1.36 g/ml at 20 oC (99.4%) |
|||
|
Surface tension |
67 mN/m at 20 oC |
|||
|
Vapour pressure (in Pa, state temperature) |
<< 4 x 10-7 Pa at 20 oC << 4 x 10-7 Pa at 25 oC |
|||
|
Henry’s law constant (in Pa·m3·mol-1) |
<< 3 x 10-5 Pa x m3 / mole at 20 oC |
|||
|
Solubility in water (in g/l or mg/l, state
temperature) |
0.005 g/L at 20 oC at pH 4 0.3 g/L at 20 oC at pH 8 2.0 g/L at 20 oC at pH 9 |
|||
|
Solubility in organic solvents (in g/l or mg/l, state temperature) |
n-heptane xylene 1-octanol 2-propanol ethyl acetate polyethylene glycol (PEG) acetonitrile acetone dimethylsulfoxide dichloromethane |
< 0.1 8 58 87 >250 >250 69 >250 126 88 |
g/L at 20 oC g/L at 20 oC g/L at 20 oC g/L at 20 oC g/L at 20 oC g/L at 20 oC g/L at 20 oC g/L at 20 oC g/L at 20 oC g/L at 20 oC |
|
|
Partition co-efficient (log Pow) (state pH and
temperature) |
Unbuffered pH 4 pH 7 pH 9 |
Log Pow 4.05 4.16 3.82 2.0 all at 20 oC |
||
|
Hydrolytic stability (DT50) (state pH and
temperature) |
DT50 at 50 oC: pH 9 and 7: > 1 year, pH 4:
120 days DT50 at 25 oC: pH 9, 7 and 4: > 1 year |
|||
|
Dissociation constant
|
pKa = 6.9 |
|||
|
UV/VIS absorption
(max.) (if absorption >290 nm state ε at wavelength) |
Typical maximum absorption at: pH 4: 252 nm pH 9: 196 nm and 244 nm |
|||
|
Photostability (DT50) (aqueous, sunlight, state pH) |
DT50 at pH 7 (sterile aqueous phosphate buffer), exposed
to simulated sunlight (Suntest® at 25 oC: experimental half-life:
47.7 hours (n=2), corresponding to a predicted environmental half-life under
solar summer conditions (June) of Phoenix, AZ, USA of 7.1 days and 11 days at
Athens. |
|||
|
Quantum yield of direct photo- transformation in water at λ > 290 nm |
The mean quantum yield was calculated to be F = 0.0638 (pH 4) and 0.0047 (pH 9). |
|||
|
Photochemical oxidative
degradation in air |
Chemical lifetime in the air < 3 hours with respect to the OH
radical reaction, only. |
|||
|
Flammability |
Not flammable |
|||
|
Auto-flammability |
Not submitted. |
|||
|
Oxidative properties |
Not oxidative |
|||
|
Explosive properties |
Not explosive |
|||
De ‘metabolite of concern’, desthio-prothioconazole is geen relevante
onzuiverheid in de technische werkzame stof. Een rapport van de MA-studie is
onderweg en zal worden geleverd aan de RMS. In afwachting van dit rapport kan
worden volstaan met het statement van de aanvrager dat de stof in kwestie geen
relevante onzuiverheid in de werkzame stof is.
Werkzame stof
fluoxastrobin
Voor de fysisch-chemische eigenschappen wordt gebruik
gemaakt van de eindpuntentabel zoals die als onderdeel van de concept
monografie, laatst bijgewerkt op 24 juni 2005, is opgesteld en besproken in de
ECCO/EPCO bijeenkomsten. Er is commentaar geleverd door Nederland op 17 juni 2004.
Identity
|
Active substance (ISO Common Name) |
fluoxastrobin |
|
Chemical name
(IUPAC) |
(E)-{2-[6-(2-chlorophenoxy)-5-fluoropyrimidin-4-yloxy]phenyl}(5,6-dihydro-1,4,2-dioxazin-3-yl)methanone
O-methyloxime |
|
Chemical name (CA) |
(E) Methanone,
[2-[[6-(2-chlorophenoxy)-5-fluoro-4-pyrimidinyl]oxy]phenyl]5,6-dihydro-1,4,2-dioxazin-3-yl)-,
O-methyloxime (9CI) |
|
CIPAC No |
746 |
|
CAS No |
361377-29-9 [The name
fluoxastrobin was provisionally approved for the (EZ)-isomer [193740-76-0] in
April 2002. The definition was changed to the (E)-isomer in January 2003] |
|
EEC No (EINECS or
ELINCS) |
Not available |
|
FAO Specification
(including year of publication) |
Not available. |
|
Minimum purity of
the active substance as manufactured (g/kg) |
940 g/kg |
|
Identity of relevant impurities (of toxicological, environmental
and/or other significance) in the active substance as manufactured (g/kg) |
Not applicable. |
|
Molecular formula |
C21H16ClFN4O5 |
|
Molecular mass |
458.8 g/mole |
|
Structural formula |
|
Physical-chemical properties
|
Melting point (state purity) |
103-108 oC (99.5%) |
|
|
Boiling point (state purity) |
Estimated to be 497 oC (Pure active substance (99.5%)
decomposes at temperatures above 230°C) |
|
|
Temperature of decomposition |
>230°C (99.5%) |
|
|
Appearance (state purity) |
White solid (98.5%) |
|
|
Relative density (state purity) |
1.422 (99.5%) |
|
|
Surface tension |
68 mN/m |
|
|
Vapour pressure |
5.6 x 10-10 Pa at 20 oC |
|
|
Henry’s law constant (in Pa·m3·mol-1) |
1 x 10-7 Pa m3 / mole at 20 oC |
|
|
Solubility in water (in g/l or mg/l, state
temperature) |
PH 4: 2.43 mg/l at 20 oC pH 7: 2.29 mg/l at 20 oC pH 9: 2.27 mg/l at 20 oC |
|
|
Solubility in organic solvents (in g/l or mg/l, state temperature) |
n-heptane 1-octanol 2-propanol xylene polyethylene glycol ethyl acetate acetonitrile acetone dichloromethane dimethylsulfoxide |
0.04 g/l at 20 oC 1.1
g/l at 20 oC 6.7 g/l at 20 oC 38 g/l at 20 oC 120 g/l at 20 oC >250 g/l at 20 oC >250 g/l at 20 oC >250 g/l at 20 oC >250 g/l at 20 oC >250 g/l at 20 oC |
|
Partition co-efficient (log Pow) (state pH and
temperature) |
Log Pow = 2.86 at 20oC The range of pHs was not investigated as fluoxastrobin does not
dissociate. |
|
|
Hydrolytic stability (DT50) |
Stable to hydrolysis for at least 7 days at pH 4-9 and 50oC.
The applicant stated that this indicated that at environmental pH’s and
temperatures, fluoxastrobin is hydrolytically stable. |
|
|
Dissociation constant |
Fluoxastrobin has no acid or basic properties in aqueous
solutions. It is therefore impossible
to specify dissociation constants of the active ingredient in water. |
|
|
UV/VIS absorption
(max.) |
UV absorb 250 nm (e = 193581 mol-1 cm-1) No absorbance was above 290 nm. |
|
|
Photostability (DT50) |
31 days at pH 7 in sterile aqueous buffered solution, based on
sunlight in Athens in June |
|
|
Quantum yield of direct photo- transformation in water at λ > 290 nm |
0.00098 (E-isomer) 0.00089 (Sum of E and Z-isomers) |
|
|
Photochemical oxidative
degradation in air |
Not submitted. Not required for environmental fate. |
|
|
Flammability |
Not considered (highly) flammable |
|
|
Auto-flammability |
Not submitted. |
|
|
Oxidative properties |
Not oxidising. |
|
|
Explosive properties |
Not explosive. |
|
Middel FANDANGO
|
Formulation
type (GIFAP code) |
EC (emulsifiable concentrate). |
|
Appearance |
Clear, yellowish liquid with an aromatic odour. |
|
Explosive properties |
Not explosive. |
|
Oxidative properties |
Not oxidising. |
|
Autoflammability |
415 oC |
|
Flashpoint |
105 oC |
|
pH 1%
solution |
pH 4.3 |
|
Particle size
distribution |
Not
applicable. |
|
Surface tension |
34.1 mN/m
(2.0% in water) at 20 oC |
|
Viscosity |
h = 91.0 mPa.s at 20 oC
and sheer rate of 100 s-1 |
|
Relative
density |
D420
= 1.141 |
|
Storage stability/Shelf
life/Packaging |
FANDANGO
was stable for a period of 2 years at ambient temperatures in commercial HDPE
packaging. |
|
Content
active substance (g/l or g/kg) |
Prothioconazole
: 100g/l Fluoxastrobin
: 100 g/l |
|
Physical
and chemical compatibility |
Not
required. No mixing is proposed. |
Het middel FANDANGO wordt geleverd in HDPE verpakkingen van 1, 5, 10 en 50 liter.
Naast de fysisch-chemische eigenschappen opgenomen in bovenstaande tabel voldoen ook de volgende eigenschappen aan de gestelde eisen: schuimvorming, emulgeerbaarheid, emulsie stabiliteit en heremulgeerbaarheid.
Conclusie
fysisch chemische eigenschappen
De geleverde gegevens geven in voldoende mate de mogelijkheid weer om de
identiteit van de stof en het middel te kunnen vaststellen, specificeren en
karakteriseren. Er is vastgesteld dat de standaardgegevens voor milieu,
toxicologische aspecten en risico’s met betrekking tot de fysisch-chemische
eigenschappen volledig zijn.
Gegevens
benodigd voor een volgende beoordeling
De aanvrager dient het gegeven statement met betrekking tot de metaboliet desthio-prothioconazool te onderbouwen met een MA-studie die geleverd zal worden aan de RMS. Dit rapport zal dan in de concept monografie opgenomen worden.
Etikettering fysische en chemische eigenschappen
Voorstel voor classificatie van prothioconazool met betrekking tot fysisch/ chemische eigenschappen
|
2c) |
Gevaarsymbool: |
- |
Aanduiding: |
- |
|
|
R-zinnen |
- |
- |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
S-zinnen |
21 |
Niet roken tijdens gebruik. |
|
|
|
|
|
|
|
Deze classificatie wijkt af van de classificatie zoals voorgesteld in de
conceptmonografie.
Voorstel voor classificatie van fluoxastrobin met betrekking tot fysisch/ chemische eigenschappen
|
2c) |
Gevaarsymbool: |
- |
aanduiding: |
- |
|
|
R-zinnen |
- |
- |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
S-zinnen |
21 |
Niet roken tijdens gebruik. |
|
|
|
|
|
|
|
Deze classificatie wijkt af van de classificatie zoals voorgesteld in de
conceptmonografie.
Voorstel voor classificatie en etikettering formulering met
betrekking tot fysisch/ chemische eigenschappen
Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de eigenschappen van de hulpcomponenten en de wijze van toepassen wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:
|
1 |
Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen): |
|||
|
|
- |
|||
|
2c) |
Gevaarsymbool: |
- |
aanduiding: |
- |
|
|
R-zinnen |
- |
- |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
S-zinnen |
S21 |
Niet roken tijdens gebruik. |
|
|
|
|
|
|
|
|
2d) |
Specifieke vermeldingen: DPD-zinnen |
- |
- |
|
|
|
|
|
|
|
|
2f) |
Gewasbeschermings-middelenzin: DPD-zin |
DPD01 |
- |
|
|
2h) |
Kinderveilige sluiting verplicht? |
Nee |
||
|
|
Voelbare gevaarsaanduiding verplicht? |
Nee |
||
|
Eventuele toelichting op verschil met voorstel
aanvrager/huidige etikettering: |
|
|
Gevaarsaanduiding: |
- |
|
R-zinnen: |
- |
|
S-zinnen |
S21, de werkzame stoffen bevatten halogenen waardoor per de werkafspraak de S21 zin toegekend wordt. |
|
Overige: |
- |
Analysemethoden in technisch materiaal en product
|
Technical as (principle of method) |
Prothioconazole HPLC and UV detection with internal standard. Fluoxastronbin HPLC and UV detection. |
|
Impurities in technical as |
Prothioconazole HPLC and UV
detection with external standard. Fluoxastrobin HPLC and
UV detection. |
|
Preparation (principle of method) |
Prothioconazole
and Fluxoastrobin HPLC-UV method with external standard. |
De analysemethoden
voor de werkzame stof en de onzuiverheden in het technisch materiaal zijn
afdoende beoordeeld in de conceptmonograph.
Voor de
analysemethoden met betrekking tot het middel zijn door de aanvrager methoden
geleverd. De validatie van deze methode is niet volledig met betrekking tot de
nauwkeurigheid.
Residuanalysemethoden
|
Food/feed
of plant origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring
purposes) |
Prothioconazole Weeren,
Pelz 2000 (GC-MS, JAU6467-desthio) LOQ
wheat, barley (forage, straw): 0.05 mg/kg LOQ
wheat, barley (grain), canola (seed), tomato, orange (fruit): 0.02 mg/kg Heinemann
2000a/b (HPLC-MS/MS, JAU6476, JAU6476-desthio) LOQ wheat
and barley (grain) = 0.01 mg/kg LOQ wheat
and barley (starw, forage) = 0.05 mg/kg Fluoxastrobin Extraction
of fluoxastrobin (E and Z isomers) from cereals and beer with acetone/water
or methanol/water followed by clean up on a solid phase extraction column.
The eluents were analysed by HPLC-MS/MS. LOQ = 0.02 – 0.05 mg/kg |
|
Food/feed
of animal origin (principle of method and LOQ for methods for monitoring
purposes) |
Prothioconazole Heinemann
2001b (HPLC-MS/MS, JAU6476-desthio, JAU6576-3-hydroxy-desthio,
JAU6476-4-hydroxy-desthio). LOQ milk: 0.004 mg/kg LOQ meat,
liver, kidney, fat: 0.01 mg/kg Fluoxastrobin Fluoxastrobin
residues (fluoxastrobin E and Z isomers and its metabolite
phenoxy-hydroxy-pyrimidine [M55]) in animal products were determined by
extraction with acetonitrile/water and the resulting extracs were cleaned up
on a solid phase extraction column and the resulting eluents analysed by
HPLC-MS/MS. LOQ = 0.01 – 0.01 mg/kg |
|
Soil
(principle of method and LOQ) |
Prothioconazole Schramel 2000 (HPLC-MS/MS, JAU6476, Not necessary
for monitoring. LOQ soil: 0.006
mg/kg Additional
method : Steinhauer
2001 (GC-MS, JAU6476-desthio) LOQ
soil : 0.01 mg/kg Fluoxastrobin Fluoxastrobin
residues (fluoxastrobin E and Z isomers, des-chlorophenyl-fluoxastrobin [M48]
(and fluoxastrobin carboxylic acid [M40]) in soil were determined by
extraction with acetonitirile/water and the resulting extracts were analysed
HPLC-MS/MS. LOQ = 0.0045 – 0.01 mg/kg. |
|
Water
(principle of method and LOQ) |
Prothioconazole Sommor 2001b
(HPLC-MS/MS, JAU6476, JAU6476-desthio) LOQ
surface and drinking water: 0.1 mg/kg
for JAU6476 and 0.05 mg/kg for JAU6476-desthio. Fluoxastrobin Fluoxastrobin
residues (fluoxastrobin E and Z isomers) in water were determined by direct
injection into a HPLC-MS/MS. LOQ =
0.05 mg/kg for surface water. |
|
Air (principle of method and LOQ) |
Prothioconazole Maasfeld
2002a (HPLC-MS/MS, JAU6476) LOQ air: 0.015
mg/m3 Additional
method : Maasfeld
2002b (HPLC-MS/MS, JAU6476-desthio) LOQ air: 0.0006
mg/m3.
Fluoxastrobin Fluoxastrobin
residues (fluoxastrobin E and Z) in air were determined by solid phase
extraction and the resulting eluents analysed by HPLC-UV-DAD. LOQ 4 mg/m3. |
|
Body
fluids and tissues (principle of method and LOQ) |
Not
required, both prothioconazole and fluoxastrobin are non toxic compounds. |
Vanuit de toepassing
(Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing) dient voor de volgende
typen gewassen een residuanalysemethode te worden geleverd: droge (winter- en
zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst). De residuanalysemethoden voor
plantaardige producten zijn gevalideerd voor droge matrices.
De residudefinitie voor prothioconazool in plantaardige producten, bodem, grond- en oppervlaktewater is prothioconazool en prothioconazool-desthio (M04) en in dierlijke producten is de residudefinitie prothioconazool-desthio. Voor lucht is de residudefinitie prothioconazool.
De voorgestelde MRL van prothioconazool volgens de concepmonografie is 0,01 mg/kg voor winter- en zomertarwe en triticale en 0,05 mg/kg voor winter- en zomergerst.
De residudefinitie voor fluoxastrobin in plantaardige producten is fluoxastrobin en de
Z isomeer, voor alleen granen.
De residudefinitie in lucht, bodem, oppervlakte water en grondwater is fluoxastrobin.
Voor dierlijke producten is de residudefinitie fluoxastrobin en zijn Z isomeer en de metaboliet phenoxy-hydroxy-pyrimidime (M55) uitgedrukt in totaal fluoxastrobin.
De voorgestelde MRL voor fluoxastrobin volgens de concept monografie is 0,05 mg/kg voor winter- en zomertarwe en triticale en 0,5 mg/kg voor winter- en zomergerst. Voor triticale is geen MRL gegeven, maar vanwege de overeenkomsten tussen tarwe en triticale en de dosering van het middel op beide gewassen wordt voor triticale dezelfde MRL aangehouden als voor tarwe. De MRL voor dierlijke producten is 0,02mg/kg voor melk en vlees, 0,05mg/kg in vet en lever en 0,1mg/kg in nieren.
De residuanalysemethoden voor de werkzame stof zijn als afdoende beoordeeld in de concept monografie, en de voorgestelde MRL kan met de voorgestelde methoden worden gemeten.
Conclusie analysemethoden
De geleverde analysemethoden voldoen aan de vereisten. De residuanalysemethoden zijn specifiek en gevoelig genoeg om te kunnen worden gebruikt voor het controleren van de betreffende plantaardige en dierlijke producten op het maximaal toegestane gehalte, en het monitoren van de verspreiding van de residuen in het milieu.
Profiel werkzaamheid
Claim
FANDANGO wordt geclaimd ter bestrijding van diverse schimmelziekten in granen.
Tabel W.1 Geclaimde toepassingen van het middel FANDANGO
|
Toepassingsgebieden/
gewassen |
werkingsspectrum |
dosering |
|
Winter- en zomertarwe en triticale |
voetziekte (Pseudocercosporella herpotrichoides) bladvlekkenziekte
(Septoria tritici) meeldauw (Erysiphe graminis) DTR (Pyrenophora
tritici-repentis) bruine roest (Puccinia recondita) gele roest (Puccinia striiformis) kafjesbruin (Septoria nodorum) aarfusarium (Fusarium spp.) |
1,5 l/ha |
|
Winter- en zomergerst |
netvlekkenziekte
(Pyrenophora teres) bladvlekkenziekte (Rhynchosporium secalis) dwergroest (Puccinia hordei) meeldauw (Erysiphe graminis) |
1,25 l/ha |
Winter- en zomertarwe en triticale:
- Voetziekte: bij de aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf begin strekking tot tweede knoop voelbaar (BBCH 30-32)
- Bladziekten: bij de aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf dat de tweede knoop voelbaar is tot het in de aar komen (BBCH 32-55). Indien nodig de behandeling herhalen
-
Aarziekten: een behandeling uitvoeren vanaf het in de
aar komen tot einde bloei
(BBCH 55-69).
Winter- en zomergerst:
Bij de aanwezigheid van symptomen een behandeling uitvoeren vanaf dat de tweede knoop voelbaar is tot het in de aar komen (BBCH 32-55). Indien nodig de behandeling herhalen.
FANDANGO mag in het kader van resistentiemanagement maximaal 2 keer per seizoen worden toegepast.
FANDANGO is een middel op basis van de werkzame stoffen fluoxastrobin en prothioconazool. Dit zijn nieuwe werkzame stoffen. Prothioconazool behoort tot de groep van de triazolen en fluoxastrobin behoort tot de groep van stobilurinen. Prothioconazool is een systemisch en selectief fungicide met een preventieve en curatieve werking op een breed scala van schimmelziekten in graangewassen. Het middel heeft een goede duurwerking. Het werkingsmechanisme berust op ergosterol biosynthese remming. De triazolen vallen wat betreft het werkingsmechanisme onder de zogenaamde demethylatie inhibitoren ofwel DMI fungiciden.
Fluoxastrobin is eveneens een breedwerkend fungicide dat
zowel een preventieve als een curatieve werking heeft. Van de strobilurinen is
bekend dat deze een goede duurwerking hebben. De werking van fluoxastrobin
bestaat o.a. uit remming van de sporenkieming en remming van de myceliumgroei.
Fluoxastrobin heeft een systemische werking in het blad.
Aantaster/teelt
Blad- en aarziekten in
de graanteelt kunnen door verschillende schimmels worden veroorzaakt zoals gele
en bruine roest, echte meeldauw en bladvlekkenziekten. Deze schimmels kunnen al
vanaf het begin van de stengelstrekking voorkomen.
In het algemeen geldt
dat een aantasting van de bovenste bladeren, met name het vlagblad, en de aar
door blad- en aarziekten een sterke opbrengstreductie kan geven, omdat het
vlagblad een belangrijke rol speelt bij de korrelzetting en korrelvulling. Daarnaast
verminderen bladziekten het assimilerend vermogen van het gewas. Voor de blad-
en aarziekten geldt dat een dichte stand en een zwaar gewas het optreden van
een aantasting bevordert.
Wijze van
bestrijding
De kans op aantasting van blad- en aarziekten kan worden verminderd door de stoppel en opslagplanten goed onder te ploegen, te kiezen voor minder vatbare rassen, wintergranen zaaien na half oktober en een dichte, zware stand van het gewas voorkomen.
Voor blad- en aarziekten in tarwe en gerst geldt dat een gewasbehandeling vooral gewenst is bij uitbreiding van de aantasting op de bovenste drie bladeren, omdat de bovenste bladeren van groot belang zijn bij de productie van assimilatieproducten die nodig zijn voor de vulling van de aren.
Tegen de verschillende blad- en aarziekten wordt in het algemeen een eenmalige behandeling uitgevoerd vanaf het verschijnen van het vlagblad (BBCH 39) tot het in aar komen (BBCH 59).
De inzet van de verschillende middelen verandert de laatste jaren steeds meer van een behandeling op vaste tijdstippen naar een geïntegreerde bestrijdingsstrategie met een middelkeuze en middeldosering die sterk op de ziektedruk en tijdstip van infectie is afgestemd. Veel gebruikte middelen in tarwe, triticale en gerst zijn onder te verdelen in de drie fungicidegroepen: morfolinen, triazolen en strobilurines, bijvoorbeeld middelen op basis van fenpropimorf, tebuconazool/triadimenol, propiconazool, azoxystrobin en trifloxystobin. De middelen worden zowel solo als in combinatieproducten met meerdere werkzame stoffen ingezet. Doel van het mengen is om de werking te versterken of te verbreden en ter voorkoming van resistentie. Bij eenzijdig gebruik van middelen bestaat het gevaar op resistentie. Met name bij de groepen der triazolen en de strobilurines is het gevaar op resistentie bij eenzijdig gebruik groot.
De kans op voetziekte in tarwe kan onder andere worden
verminderd met een ruime vruchtwisseling (1 op 4), door niet te vroeg te zaaien
en te zorgen voor een goed ontwatering.
Beoordeling werkzaamheid
FANDANGO is een combinatieproduct op basis van de twee nieuwe werkzame stoffen fluoxastrobin en prothioconazool. Voor de beoordeling van de werking en de schadelijke effecten zijn gegevens van minimaal van 2 teeltseizoenen nodig zijn, met minimaal de gegevens van 3 á 4 geslaagde proeven per teeltseizoen en per schimmel. Daarnaast moet ook de meerwaarde van het combinatieproduct worden aangetoond. Aangezien prothioconazool sec in granen reeds in aanvraag is voor een toelating en voor fluoxastrobin sec geen aanvraag zal komen zal de meerwaarde van het combinatieproduct ten opzichte van prothioconazool sec moeten worden aangetoond.
Er zijn in principe geen extrapolatiemogelijkheden tussen de schimmels. Indien echter een goede werking wordt verkregen tegen Septoria tritici kan met minder gegevens over Septoria nodorum worden volstaan.
Opbrengstgegevens zijn noodzakelijk om het middel goed te kunnen beoordelen. De schadelijke effecten kunnen in de werkingsproeven worden bepaald.
Vanuit de proefgegevens van wintertarwe kan, zowel voor wat betreft de werking als schadelijke effecten, worden geëxtrapoleerd naar zomertarwe. Van zomertarwe kan niet naar wintertarwe worden geëxtrapoleerd, omdat de ziektedruk in de teelt van zomertarwe lager is dan in wintertarwe. Vanuit de gegevens van wintergerst kan naar zomergerst worden geëxtrapoleerd en vice versa. Met uitzondering voor de werking op netvlekkenziekte, hier kan alleen vanuit wintergerst naar zomergerst worden geëxtrapoleerd.
Geleverde gegevens
Het geleverde dossier is in zijn geheel beoordeeld waarbij is gekeken naar de bruikbaarheid van de gegevens voor de beoordeling en naar de consistentie van de geleverde gegevens.
Gegevens van proeven
uitgevoerd in het buitenland zijn in de beoordeling betrokken, voor zover
bruikbaar voor de beoordeling van de werking van het middel onder Nederlandse
omstandigheden.
Proef uitvoering
Het werkingsonderzoek is uitgevoerd door zes verschillende bedrijven in Nederland, België, Frankrijk, Duitsland en Engeland in de periode van 1998 tot en met 2002. Alle bedrijven zijn officieel erkend voor het uitvoeren van deugdelijkheidsonderzoek.
Richtlijnen en proefopzet
Uitvoering van de proeven was overeenkomstig de vereisten zoals vastgelegd in de Handleiding Toelating Bestrijdingsmiddelen.
De werking van het middel FANDANGO is vergeleken met een standaardmiddel op basis van epoxiconazool/kresoxim-methyl en referentiemiddelen op basis van epoxiconazool/kresoxim-methyl/fenpropimorf, azoxystrobin, epoxiconazool, tebuconazool, cyproconazool/trifloxystrobin, cyprodinyl en epoxyconazool/pyraclostrobin
Effectiviteit
Vaststellen dosering
In een aantal werkingsproeven in tarwe en gerst zijn
doseringsreeksen opgenomen. In deze proeven zijn de doseringseffecten
beoordeeld. Voor voetziekte, bladvlekkenziekte, echte meeldauw, bruine en gele
roest in tarwe en aarfusarium in tarwe is de werking van de aangevraagde
dosering vergeleken met lagere doseringen variërend van 0,5-0,83 maal de
aangevraagde dosering (0,5N-0,83N). Hieruit kwam naar voren dat de aangevraagde
dosering de beste resultaten gaf, waarbij het verschil tussen de 0,83N en de
aangevraagde dosering vaak niet significant was. In gerst is de werking tegen
netvlekkenziekte, bladvlekkenziekte, dwergroest en echte meeldauw getoetst in
doseringen van 0,6 tot
1,2 maal de aangevraagde dosering (0,6N-1,2N). Hieruit kwam naar voren dat de
aangevraagde dosering betere resultaten gaf dan de lagere doseringen, maar dat
de hoge dosering (1,2N) niet significant verschilde van de aangevraagde
dosering.
Hiermee is vastgesteld dat de aangevraagde dosering de juiste dosering is.
In een beperkt aantal werkingsproeven zijn doseringreeksen opgenomen. Zonder dat uit alle proeven een duidelijk doseringseffect naar voren kwam, is wel een trend waarneembaar dat de lagere doseringen iets minder werken dan de geclaimde doseringen in zowel tarwe als in gerst.
De werking van FANDANGO op voetziekte, bladvlekkenziekte, echte meeldauw, DTR, bruine roest, gele roest, kafjesbruin en aarfusarium in tarwe was goed en over het algemeen vergelijkbaar met, of beter, dan die van het standaardmiddel of de referentiemiddelen. De opbrengstgegevens ondersteunen deze conclusie. In de proeven met tarwe waren de opbrengsten bij FANDANGO hoger dan, of vergelijkbaar met die van het standaardmiddel of de referentiemiddelen.
Voor de beoordeling op bladvlekkenziekte, bruine roest en aarfusarium zijn hiervoor voldoende gegevens geleverd. Voor de beoordeling op voetziekte, echte meeldauw, DTR, gele roest en kafjesbruin zijn gezien de goede resultaten en de consistentie van de totaal geleverde gegevens in zowel tarwe als in gerst geconcludeerd worden dat de werking op voetziekte, echte meeldauw, DTR en gele roest voldoende onderbouwd is. Voor de werking tegen kafjesbruin wordt geconcludeerd, op grond van geleverde proeven en de consistente resultaten tegen bladvlekkenziekte, dat het middel ook hiertegen werkzaam is.
De werking van FANDANGO op netvlekkenziekte, bladvlekkenziekte, dwergroest en echte meeldauw in gerst was goed en over het algemeen vergelijkbaar met of beter dan die van het standaardmiddel of de referentiemiddelen. De opbrengsten ondersteunen deze conclusie. In de proeven met gerst waren de opbrengsten bij FANDANGO hoger dan of vergelijkbaar met die van het standaardmiddel of de referentiemiddelen.
Voor de beoordeling van netvlekkenziekte, bladvlekkenziekte
en dwergroest zijn voldoende gegevens geleverd. De werking tegen echte meeldauw
is, gezien de goede resultaten en de consistentie van de totaal geleverde
gegevens in zowel tarwe als in gerst, voldoende onderbouwd.
Combinatieproducten
FANDANGO bestaat uit de werkzame stof fluoxastrobin en prothioconazool, deze stoffen hebben een verschillend werkingsmechanisme. De meerwaarde van het combinatieproduct ten opzichte van prothioconazool sec in een dosering van 0,8 l/ha, is in een groot aantal werkingsproeven tegen de diverse ziektes beoordeeld.
In 19 opbrengstproeven in tarwe was de opbrengst bij FANDANGO hoger dan die van prothioconazool sec, waarbij in 11 proeven het verschil significant was. In 3 proeven was de opbrengst lager en in 6 proeven was de opbrengst vergelijkbaar met die van prothioconazool sec. Verder zijn in de een voldoende aantal proeven de opbrengstgegevens van FANDANGO en prothioconazool sec in gerst bepaald. De opbrengstgegevens tussen FANDANGO en prothioconazool sec laten een wisselend resultaat zien met over het algemeen weinig significante verschillen.
FANDANGO laat een tendens zien dat het combinatieproduct een versterkende werking heeft ten opzichte van prothioconazool sec. Deze tendens is niet in alle proeven even consistent gebleken. De meerwaarde van het combinatieproduct is verder gelegen in de verminderde risico’s op resistentie, zoals beschreven in de paragraaf over resistentie.
Schadelijke effecten
In een gedeelte van de werkingsproeven zijn waarnemingen verricht op de schadelijke effecten op wintertarwe, zomergerst en wintergerst.
Er staan 25 geslaagde proeven ter beschikking om de schadelijke effecten in wintertarwe op verschillende rassen op verschillende locaties in het noordwesten van Europa te kunnen beoordelen. In deze proeven heeft alleen de geclaimde dosering gelegen en deze is één- of tweemaal toegepast. In twee proeven is lichte necrose geconstateerd, die vrij snel verdween na de toepassing. De schade bleef op een acceptabele niveau. In de overige proeven werd met de geclaimde dosering geen schadelijke effecten geconstateerd.
Er staan 7 geslaagde proeven in wintergerst en 2 geslaagde
proeven in zomergerst ter beschikking om de schadelijke effecten te kunnen
beoordelen. In deze proeven heeft alleen de geclaimde dosering gelegen en deze
is één- of tweemaal toegepast. Slechts in
1 proef werden lichte verschijnselen van fytotoxiciteit geconstateerd. De
schade was niet statistisch betrouwbaar groter dan die van het referentiemiddel
op basis van epoxiconazool/
pyraclostrobine. De schade bleef op een acceptabel niveau. In de overige
proeven werd met de geclaimde dosering geen schadelijke effecten geconstateerd.
Effecten op
volggewassen/vervanggewassen
Om de effecten van FANDANGO op volggewassen te kunnen
beoordelen is in 2001 in Duitsland onderzoek uitgevoerd in kassen. Van 11
gewassen van verschillende families (monocotylen en dycotylen) zijn de
schadelijke effecten beoordeeld bij verschillende doseringen van de
afzonderlijke werkzame stoffen prothioconazool (200 tot 600 g/ha werkzame stof)
en fluoxastrobin (200 tot 2400 g/ha werkzame stof) en van de combinatie prothioconazool/fluoxastrobin
(125 tot 1000 g/ha werkzame stof). De grond, waarin de verschillende gewassen
zijn gezaaid, werd behandeld met verschillende doseringen. De beoordeling op
fytotoxiciteit zijn na 21 dagen uitgevoerd. Bij de meeste gewassen werd in geen
enkel object met de verschillende doseringen effect waargenomen. Slechts twee
gewassen gaven een geringe fytotoxiciteit te zien bij prothioconazool bij een
dosering van 300 g/ha aan werkzame stof. Alleen Amaranthus retroflus gaf een sterke reactie te zien bij een
dosering van 600 g/ha aan werkzame stof. Maar het betreft een toepassing op
grond direct na het zaaien, dit zal in de praktijk nooit plaatsvinden.
Bovendien is het geen soort dat een bepaald productiegewas vertegenwoordigt. Op
basis van deze proefgegevens kan worden geconcludeerd dat in praktijksituaties
geen nadelige effecten op volg- en/of vervanggewassen worden verwacht.
Er zijn twee proeven geleverd met twee toepassingen met een 2n dosering op wintertarwe en wintergerst, waarbij de kieming is beoordeeld. De toepassing van FANDANGO had geen negatief effect op de kieming van de graankorrels. Op basis van deze proeven is de verwachting dat geen nadelige effecten op de nateelt zullen optreden.
Om de effecten op naburige gewassen te testen zijn met
dezelfde gewassen als in de proef met de volggewassen bespuitingen uitgevoerd
met de geclaimde dosering tot een
3n dosering. Het betrof weelderige planten die onder glas zijn opgekweekt en zijn
behandeld in het 1 tot 3 blad stadium. Met de geclaimde dosering werd in geen
enkel gewas enige vorm van fytotoxiciteit geconstateerd. Met de 2n dosering
werd in twee gewassen lichte fytotoxiciteit geconstateerd. Het betrof hier
onder andere het gewas Sinapsis album,
dit gewas vertegenwoordigt de gewassen uit de familie van de cruciferen.
Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het hier gaat om proeven op
weelderige gewassen in een dosering die in praktijksituaties als gevolg van
drift niet zullen optreden. Op basis van deze proeven is de verwachting dat
geen nadelige effecten op naburige gewassen zullen optreden.
Conclusie schadelijke effecten
Er zijn voldoende gegevens beschikbaar om in wintertarwe, winter- en zomergerst de schadelijke effecten van een toepassing met FANDANGO te kunnen beoordelen. In geen van de werkingsproeven is onacceptabele fytotoxiciteit geconstateerd.
De toepassing van FANDANGO heeft geen nadelige effecten op volggewassen, de nateelt en op naburige gewassen
Resistentie-ontwikkeling
FANDANGO bestaat uit de werkzame stof fluoxastrobin en prothioconazool. Prothioconazool behoort tot de groep van de DMI fungiciden. Van stoffen uit deze groep is bekend dat resistentie kan optreden bij regelmatig gebruik gedurende het teeltseizoen, in hetzelfde gewas. Tussen de werkzame stoffen die behoren tot de DMI kan kruisresistentie ontstaan. Volgens de meest recente inzichten (2002) van de werkgroep FRAC (Fungicide Resistance Action Commitee) wordt het gevaar op resistentieontwikkeling bij de DMI fungiciden over het algemeen beschouwd als “medium”. Met name het risico van resistentieontwikkeling bij echte meeldauw in granen is vrij groot, bij bladvlekkenziekte en voetziekte is het risico matig en bij roestschimmels is het risico laag. Ondanks dat in de loop van de jaren, sinds de introductie van DMI fungiciden, de oorspronkelijke werking is afgenomen worden deze fungiciden wereldwijd nog steeds veel ingezet.
Fluoxastrobin behoort tot de chemische groep van strobilurinen. Tussen de werkzame stoffen die behoren tot de strobilurinen kan kruisresistentie ontstaan. Verder is bekend dat verschillende pathogenen waaronder echte meeldauw en bladvlekkenziekte in granen resistentie vertonen tegen strobilurinen. Volgens de meest recente inzichten (2003) van de werkgroep FRAC (Fungicide Resistance Action Commitee) wordt het gevaar op resistentieontwikkeling bij deze fungiciden over het algemeen beschouwd als “high risk”. Voor deze groep is een effectief resistentiemanagement strategie noodzakelijk.
De werkgroep FRAC heeft een aantal richtlijnen opgesteld voor de toepassing van strobilurinen in granen. Geadviseerd wordt om strobilurinen gecombineerd toe te passen met een fungicide uit een ander werkingsgroep. Verder moet het aantal toepassing van strobilurinen worden beperkt tot twee per teelt.
Tussen de twee werkzame stoffen prothioconazool en fluoxastrobin is tot op heden geen kruisresistentie bekend.
FANDANGO is een combinatieproduct en wordt geclaimd voor
maximaal 2 toepassingen en voldoet hiermee aan de belangrijkste richtlijnen van
de werkgroep FRAC. Als combinatieproduct heeft FANDANGO een meerwaarde in het
verkleinen van resistentierisico’s.
Extrapolatiemogelijkheden
Conform het extrapolatiedocument "Extrapolatiemogelijkheden werkings- en fytotoxiciteitsgegevens gewasbeschermingsmiddelen", versie 2.0, CTB, mei 2004, zijn bepaalde extrapolaties in tarwe en gerst mogelijk. Hierna worden alle extrapolatiemogelijkheden benoemd, ook indien die niet geclaimd zijn.
In principe geldt dat geen extrapolatie van de ene geclaimde ziekte naar de andere geclaimde ziekte mogelijk is. Wel is op basis van ervaringen met een aantal middelen bekend dat als bladvlekkenziekte (Septoria tritici) in tarwe goed wordt bestreden, ook een goed werking tegen kafjesbruin (Septoria nodorum) wordt verkregen. Daarom kan bij een goede werking tegen bladvlekkenziekte volstaan worden met beperkt onderzoek tegen kafjesbruin. In deze situatie is de hoeveelheid onderzoek tegen kafjesbruin beperkt maar de resultaten van de werking tegen bladvlekkenziekte en kafjesbruin zijn consistent. Daarom kan in dit geval vanuit Septoria tritici geëxtrapoleerd worden naar Septoria nodorum.
Vanuit wintertarwe kan zowel voor de werking als voor fytotoxiciteit worden geëxtrapoleerd naar zomertarwe en triticale. Extrapolatie van wintertarwe naar teff is voor de werking wel mogelijk, maar voor fytotoxiciteit niet omdat er geen expertise bestaat over de gevoeligheid van teff voor gewasbeschermingsmiddelen.
Vanuit wintergerst kan wat betreft de werking en de schadelijke effecten geëxtrapoleerd worden naar zomergerst, andersom is ook mogelijk behalve voor netvlekkenziekte gaat, omdat wintergerst gevoeliger is voor aantasting door netvlekkenziekte dan zomergerst. Alle proeven met netvlekkenziekte zijn in wintergerst uitgevoerd. Op basis hiervan kan de volledige claim in winter- en zomergerst worden gehonoreerd.
Conclusie
werkzaamheid
Op basis van de geleverde gegevens en extrapolatiemogelijkheden kan geconcludeerd worden dat FANDANGO werkzaam is ter bestrijding van voetziekte, blad- en aarziekten veroorzaakt door bladvlekkenziekte, echte meeldauw, DTR, bruine roest, gele roest, kafjesbruin en aarfusarium in winter- en zomertarwe, triticale en netvlekkenziekte, bladvlekkenziekte, dwergroest en echte meeldauw in winter- en zomergerst.
Verder veroorzaakt de toepassing geen neveneffecten op planten en plantaardige producten in een mate die niet aanvaardbaar is.
Profiel humane toxicologie
Het betreft een aanvraag tot voorlopige toelating van het middel FANDANGO, een middel op basis van de werkzame stoffen prothioconazool en fluoxastrobin. Het betreft een schimmelbestrijdingsmiddel in de teelt van winter-, zomer tarwe, triticale, winter- en zomergerst.
Prothioconazool is een nieuwe stof die in het kader van de Gewasbeschermingsrichtlijn (91/414 –EC) wordt beoordeeld. Engeland heeft een Draft Assessment Report (DAR) opgesteld. Nederland heeft onlangs commentaar geleverd op deze DAR. De eindpuntenlijst staat hieronder weergegeven.
Fluoxastrobin is een nieuwe stof die in het kader van de
Gewasbeschermingsrichtlijn
(91/414 –EC) wordt beoordeeld. Engeland heeft een Draft Assessment Report
(DAR)opgesteld. Nederland heeft onlangs commentaar geleverd op deze DAR. De
eindpuntenlijst staat hieronder weergegeven.
Prothioconazool
JAU 6476 is prothioconazool en JAU 6476-desthio (M04) is een
metaboliet van deze stof. De toepasser kan worden blootgesteld aan
prothioconazool en metaboliet M04. De
algemene bevolking kan met name blootgesteld worden aan metaboliet M04.
In onderstaande eindpuntenlijst worden zowel prothioconazool als JAU 6476-desthio besproken.
Absorption, distribution, excretion and
metabolism in mammals (Annex IIA, point 5.1)
|
Rate and
extent of absorption: |
JAU
6476: |
|
Distribution: |
JAU
6476: |
|
Potential
for accumulation: |
None |
|
Rate and
extent of excretion: |
JAU
6476: |
|
Metabolism
in animals |
JAU
6476: |
|
Toxicologically
significant compounds |
All main
metabolites identified in plants were also detected in the rat metabolism
study. For the following minor crop
metabolites, further tests were conducted (acute oral toxicity test,
Ames-test, and in some cases 90 d repeat dose/terato studies): |
Acute toxicity (Annex IIA, point 5.2)
|
|
JAU 6476: |
JAU
6476-desthio (M04): |
|
Rat LD50
oral |
> 6200mg/kg |
>2500 mg/kg |
|
Rat LD50 dermal |
> 2000mg/kg |
>5000 mg/kg |
|
Rat LC50
inhalation |
> 4990mg/m³ |
>5077 mg/m3
|
|
Skin irritation |
Non-irritant |
Non-irritant |
|
Eye irritation |
Non-irritant |
Slightly
irritating |
|
Skin
sensitisation (test method used and result) |
Non-sensitizer |
Non-sensitizer |
Short term toxicity (Annex IIA, point 5.3)
|
|
JAU 6476: |
JAU
6476-desthio (M04): |
|
Target /
critical effect |
Liver,
kidney |
Liver |
|
Lowest
relevant oral NOAEL / NOEL |
25 mg/kg
bw /day (dog) |
1.6 mg/kg
bw/day (dog) |
|
|
JAU 6476: |
JAU
6476-desthio (M04): |
|
Lowest
relevant dermal NOAEL / NOEL |
>1000
mg/kg bw /day (rat) |
No dermal
study submitted – as this material is a metabolite. |
|
Lowest
relevant inhalation NOAEC/ NOEC |
not
relevant |
|
Genotoxicity (Annex IIA, point 5.4) |
JAU
6476: Induces
chromosome aberrations in Chinese hamster lung cells in vitro. Inconsistent/equivocal
results for induction of mutations in mammalian cells in vitro (considered to be positive on a precautionary basis). Negative
results in in vivo assays (rat
liver UDS and two mouse bone marrow micronucleus assays). JAU
6476-desthio (M04): No
genotoxic properties |
Long term toxicity and carcinogenicity (Annex IIA, point 5.5)
|
|
JAU 6476: |
JAU
6476-desthio (M04): |
|
Target/critical
effect |
Liver,
kidney |
Liver |
|
Lowest
relevant NOAEL / NOEL |
5 mg/kg
bw /day (rat, dog) |
1.1 mg/kg
bw /day (rat) |
|
Carcinogenicity |
not
carcinogenic |
not
carcinogenic |
Reproductive toxicity JAU 6476 (Annex IIA, point 5.6)
|
Reproduction
target / critical effect |
parental:
reduced - weight gain, thymus weight; increased - food intake, liver weight; reproductive:
reduced - implantations and litter size.
Also disruption to the oestrus cycle. |
|
Lowest
relevant reproductive NOAEL / NOEL |
parental: 9.7
mg/kg bw /day |
|
Developmental
target / critical effect* |
parental:
mortality, body weight loss/ decreased gain, decreased food consumption. |
|
Lowest
relevant developmental NOAEL / NOEL* |
maternal: 80 mg/kg bw /day (rabbit). |
* Eindpuntenlijst
DAR n.a.v. commentaar lidstaten aangepast.
Aanvullende opmerking
CTB: Er is geen sprake van teratogeniteit in de studies met ratten aangezien de
incidentie van effecten binnen de historische controle waarden vallen. De
effecten in het konijn zijn het gevolg
van maternale toxiciteit.
Reproductive toxicity JAU 6476-desthio (M04): (Annex IIA, point 5.6)
|
Reproduction target / critical effect |
Dystocia |
|
Lowest relevant reproductive NOAEL / NOEL |
11 mg/kg bw (rat multigen) |
|
Developmental
target / critical effect |
Increase
in fetuses arthrogryposis, and
fetuses with multiple abnormalities. |
|
Lowest
relevant developmental NOAEL / NOEL |
2 mg/kg bw/day (rabbit) |
Aanvullende opmerking
CTB: Er is sprake van ontwikkelingstoxiciteit.
Het verschil in toxiciteit tussen de moederstof en de metaboliet M04
wordt mogelijk veroorzaakt door het verschil in metabolisme. Een klein gedeelte
van de moederstof wordt omgezet in de metaboliet. De metaboliet wordt vervolgens niet in de circulatie opgenomen.
De uitscheiding van de metaboliet vindt met name plaats via de faeces. Indien
dieren direct oraal worden blootgesteld aan de metaboliet dan komt een deel wel in de circulatie zonder
detoxificatie in de lever.
Delayed neurotoxicity (Annex IIA, point 5.7)
|
|
Not
relevant |
|
Other
toxicological studies (Annex IIA, point 5.8) Data for metabolites |
Data for
the main metabolite JAU 6476-desthio (M04) is displayed in parallel with that
for the parent. All the
other main metabolites identified in plants were also detected in the rat
metabolism study. For the following minor crop metabolites which were not
found in rats, an acute oral toxicity test in rats and a mutagenicity test in vitro (Ames-test) were
conducted: |
|
Acute and
subchronic neurotoxicity |
no
primary neurotoxic effects for JAU 6476 or JAU 6476-desthio (M04). |
Medical data (Annex IIA, point 5.9)
|
|
no
indication of special concern (further information required) |
|
Summary (Annex IIA, point 5.10) |
Value |
Study |
Safety
factor |
||
|
ADI
(mg/kg bw/day) |
JAU 6476 JAU
6476-desthio |
0.05
mg/kg bw/day 0.01
mg/kg bw /day |
rat –
oncogenicity rat –
oncogenicity |
100 100 |
|
|
AOEL
(systemic) (mg/kg bw/day) |
JAU 6476 JAU
6476-desthio* |
0.25
mg/kg bw/day 0.01
mg/kg bw /day |
13 week
dog Rabbit
gavage embryotoxicity
study |
100 200 |
|
|
Drinking
water limit (mg/L) |
JAU 6476 JAU
6476-desthio |
0.1 mg/l |
|
|
|
|
ARfD
(acute reference dose) (mg/kg bw/day) |
JAU 6476 JAU
6476-desthio* |
0.5 mg/kg
bw/day 0.01
mg/kg bw /day |
Rat
developmental Rabbit
gavage embryotoxicity study |
1000 200 |
|
* Eindpuntenlijst DAR
n.a.v. commentaar lidstaten aangepast
Dermal absorption (Annex IIIA, point 7.3)
|
Prothioconazole |
No
studies conducted 100%
assumed for concentrate and dilutions. |
|
JAU
6476-desthio (Desthio-prothioconazole) |
In vivo study with rhesus monkeys. Test material was SC formulation
containing 480 g/l of JAU 6476-desthio.
Exposure for 8 hours. Single
dose tested was 144 mg at 6.13 mg/cm2. Dermal absorption was 26% (including
tissue residues). Given differences
in permeability between monkey skin and human skin, 20% dermal absorption is
appropriate for use in operator exposure calculations. |
Er ontbreken geen gegevens.
Fluoxastrobin
List of end points (aangepast tijdens EPCO 14, okt. 2005 in York)
Absorption,
distribution, excretion and metabolism in mammals (Annex IIA, point 5.1) |
|
|
Rate and
extent of absorption |
80—92%
within 24-30h (ca. 80% biliary, remainder
in urine) |
|
Distribution
|
Highest
concentrations in liver, kidneys and bladder |
|
Potential
for accumulation |
No
evidence of accumulation. |
|
Rate and
extent of excretion |
84-100%
within 48h (mostly via bile) |
|
Metabolism
in animals |
Extensively
metabolised (< 10% of administered dose recovered as parent at low
dose). 50 metabolites identified. |
|
Toxicologically
significant compounds |
Parent compound and metabolites. Metabolite 48 considered non-relevant for
ground water. |
|
Acute toxicity (Annex IIA, point 5.2) |
|
|
Rat LD50
oral |
> 2,000 mg/kg bw |
|
Rat LD50 dermal |
> 2,000 mg/kg bw |
|
Rat LC50
inhalation |
> 5 mg/l |
|
Skin irritation
|
Non-irritant |
|
Eye irritation |
Slight
but not classifiable. |
|
Skin
sensitization (test method used and result) |
Non-sensitiser
(Magnusson and Kligman) in test with HEC 5725 of high purity (98.1% pure) and
HEC 5725 (93.6%). |
|
Short term toxicity (Annex IIA, point 5.3) |
|
|
Target /
critical effect |
Reduced
body weight gain and increased serum
alkaline phosphatase (critical effects in dogs) Liver
(main target organ in dogs, mice and rats) Kidney/urethra/bladder lesions (at
high dose in rats) |
|
Lowest
relevant oral NOAEL / NOEL |
90 day,
dog: 3 mg/kg bw/day based on two 90 d dog and 1-year,
dog: 50 ppm (1.5 mg/kg bw/d). |
|
Lowest
relevant dermal NOAEL / NOEL |
>1,000
mg/kg bw/d |
|
Lowest
relevant inhalation NOAEL / NOEL |
No data
submitted (none required) |
|
Genotoxicity (Annex IIA, point 5.4) |
Not
genotoxic |
|
Long term toxicity and carcinogenicity (Annex IIA, point 5.5) |
|
|
Target/critical
effect |
Reduced
body weight gain in rats (= the critical effect) Liver
(target organ in rats and mice) Altered
calcium and phosphate metabolism (rats) |
|
Lowest
relevant NOAEL / NOEL |
2 year, rat:
500 ppm (35 mg/kg bw/day) |
|
Carcinogenicity
|
No carcinogenic potential. |
|
Reproductive toxicity (Annex IIA, point 5.6) |
|
|
Reproduction
target / critical effect |
No
adverse effects on reproductive outcome. Developmental
effects ( reduced body weight gain, delayed development, reduced weight of thymus and spleen ) at
parentally toxic dose |
|
Lowest
relevant reproductive NOAEL / NOEL |
10,000
ppm (742-764 mg/kg bw/d) for reproductive outcome 1000 ppm
(171 mg/kg bw/day) for developmental effects |
|
Developmental
target / critical effect |
Slight
dilation of brain ventricles in rabbits at maternal toxic dose. Minimal
evidence for retarded skeletal ossification in rats (possible presence of
altered maternal Ca/P homeostasis not investigated in this study). No
classification necessary. |
|
Lowest
relevant developmental NOAEL / NOEL |
100 mg/kg
bw/d (rabbit) |
|
Neurotoxicity / Delayed neurotoxicity (Annex IIA, point 5.7) |
|
|
|
Not
neurotoxic in acute and subchronic studies in rats |
|
Other toxicological studies (Annex IIA, point 5.8) |
|
|
|
Specific
investigations in rats and mice did not show any immunotoxic effects. In rats,
phosphate and calcium homeostasis disturbed as a result of reduced phosphate
absorption from gut. Relative phosphate deficiency counter-regulated by
reduced renal excretion of phosphate and renal hyper-excretion of calcium. At
high doses, increased calcium excretion and increased urinary pH led to
calculi formation and other lesions of urinary system. Impurities
7, 15, 20, 21 and 22: rat oral LD50 >2500 mg/kg bw, not mutagenic in Ames
test
Impurity
23: rat oral LD50 >300 <500 mg/kg bw, not mutagenic in Ames test Metabolite
48: not mutagenic in Ames test. Toxicology addressed by production in rats at
levels of 10-20% of administered dose. Not considered a relevant metabolite
for ground water risk assessment. |
|
Medical data (Annex IIA, point 5.9) |
|
|
|
No
detrimental effects on health in manufacturing personnel. |
|
Summary (Annex IIA, point 5.10) |
Value |
Study |
Safety
factor |
|
ADI |
0.015 mg/kg bw |
Dog, 1
year study |
100 |
|
AOEL |
0.03 mg/kg bw/d |
Dog,
90-day, and 90 day time point from |
100 |
|
ARfD
(acute reference dose) |
0.3 mg/kg bw |
Dog,
first week of 90-day and 1-year studies |
100 |
|
Dermal absorption (Annex IIIA, point 7.3) |
|
|
|
4% for
fluoxastrobin from the HEC5725 EC 100 formulation (concentrate and in-use
dilution), based on an in vivo
monkey study with this formulation. |
Er ontbreken geen gegevens.
Formulering(en)
FANDANGO is een fungicide op basis van de nieuwe werkzame
stoffen prothioconazool
(100 g/l) en fluoxastrobin (100 g/l). De aanvraag betreft de toelating in de
teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst (beroepsmatig
gebruik). Het middel mag in het kader van resistentiemanagement maximaal 2 keer
per seizoen worden toegepast.
Formuleringstoxicologie
FANDANGO behoeft geen classificatie voor acuut orale, dermale en inhalatoire toxiciteit (LD50 oraal rat > 2500 mg/kg lg, LD50 dermaal rat > 4000 mg/kg lg en LC50 rat > 5,077 mg/L).
FANDANGO is niet irriterend voor de huid en ogen. FANDANGO
was negatief in een maximisation test voor huidsensibilisatie bij de cavia. De
maximisatie test was niet geheel conform de OECD richtlijn 406 uitgevoerd,
alvorens de topicale inductie uit te voeren had SDS moeten worden gebruikt.
Echter gezien de eigenschappen van de werkzame stoffen en de overige
bestanddelen van de formulering wordt niet verwacht dat de formulering FANDANGO
sensibiliserende eigenschappen heeft.
Beoordeling van het risico
voor de toepasser (beroepsmatig)
Overzicht
toepassingen
Het betreft een aanvraag voor een
voorlopige toelating van FANDANGO, een fungicide op basis van de nieuwe
werkzame stoffen prothioconazool en fluoxastrobin. De aanvraag betreft de
toelating in de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter-
en zomergerst (beroepsmatig gebruik). Het middel mag in het kader van
resistentiemanagement maximaal 2 keer per seizoen worden toegepast met een
dosering van 1,5l/ha (winter- en zomertarwe en triticale), en 1,25 l/ha (winter-
en zomergerst).
Prothioconazool
Afleiden AOEL’s
FANDANGO wordt maximaal 2 keer per seizoen, in het voorjaar, toegepast. Voor de risicobeoordeling wordt daarom uitgegaan van een semi-chronische blootstelling (hiermee wordt ook rekening gehouden met loonwerkers). Een AOEL wordt afgeleid voor prothioconazool en de metaboliet prothioconazool-desthio. Deze metaboliet is namelijk toxischer dan de moederstof en de toepasser kan worden blootgesteld aan deze metaboliet aangezien deze kan worden gevormd in verdund FANDANGO, op kleding, huid of plantoppervlakken tijdens het drogen.
De AOELsystemisch voor prothioconazool wordt
afleid van de NOAEL van 25 mg/kg lg/dag in de 13-14 weken studies in muis en
hond. Onderstaande veiligheidsfactoren worden gebruikt om te compenseren voor
de onzekerheid die voortvloeit uit de verschillen tussen de experimentele
omstandigheden, de situatie op de werkplek en om de waarschijnlijkheid te
vergroten dat er bij de toelaatbaar geachte blootstelling inderdaad geen
nadelige effecten voor de gezondheid optreden.
Gebruikte factoren zijn:
· extrapolatie muis ® mens o.b.v. calorische behoefte: 7
· overige interspecies verschillen: 3
· intraspecies verschillen: 3
· biologische beschikbaarheid via de orale route: >90%
· gewicht werker: 70 kg
AOELsystemisch Prothioconazool: 25x 70 / (7 x 3 x 3 ) = 27,8 mg/ persoon/dag
(De AOEL vastgesteld in de DAR/eindpuntenlijst is 0,25 mg/kg
lg/dag;
17,5 mg/persoon/dag)
De AOELsystemisch voor prothioconazool-desthio
wordt afleid van de NOAEL van
2 mg/kg lg/dag in de teratogeniteitstudie in het konijn (gavage). Onderstaande
veiligheidsfactoren worden gebruikt om te compenseren voor de onzekerheid die
voortvloeit uit de verschillen tussen de experimentele omstandigheden, de situatie
op de werkplek en om de waarschijnlijkheid te vergroten dat er bij de
toelaatbaar geachte blootstelling inderdaad geen nadelige effecten voor de
gezondheid optreden.
Gebruikte factoren zijn:
· extrapolatie konijn ® mens op basis van calorische behoefte: 2,4
· overige interspecies verschillen: 3
· intraspecies verschillen: 3
· extra factor voor teratogene effecten 10
· biologische beschikbaarheid via de orale route: >90%
· gewicht werker: 70 kg
AOELsystemisch Prothioconazool-desthio: 2 x 70 / (2,4 x 3 x 3 x 10) = 0,65 mg/ persoon/dag
Schatting van
de blootstelling/berekening Risico indices
Prothioconazool-desthio kan worden gevormd in verdund FANDANGO, in het bijzonder op kleding, huid of plantoppervlakten tijdens drogen. De blootstelling aan prothioconazool en prothioconazool-desthio tijdens mengen/laden en toepassen wordt gebaseerd op een veldstudie uitgevoerd in Duitsland met JAU 6476 EC250. In deze studie is uitgegaan van standaard beschermende kleding gedurende mengen/laden en toepassen. Handschoenen werden gedragen bij handelingen met het onverdunde product en gecontamineerde oppervlakten. Deze veldstudie is gebruikt om de blootstelling aan FANDANGO te schatten bij het gebruik zoals omschreven in het Wettelijk Gebruiksvoorschrift en Gebruiksaanwijzing.
In onderstaande tabel wordt aangegeven hoe de interne
blootstelling na dermale en inhalatoire blootstelling aan prothioconazool bij
gebruik van FANDANGO zich verhoudt tot de systemische AOEL. Voor de totale
dagblootstelling dienen de afzonderlijke handelingen (mengen/laden en toepassen) te worden opgeteld.
Tabel T.1 Risicobeoordeling voor interne blootstelling aan
prothioconazool bij beschermd gebruik van FANDANGO, via dermale en inhalatoire
route
|
|
Route |
Geschatte blootstelling (mg/dag)a |
AOEL (mg/dag) |
Risico index b |
In de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst
|
||||
Mengen/laden/toepassen
|
inhalatoir |
0,001 |
27,8 |
<0,001 |
|
|
dermaal |
0,036 |
27,8 |
0,001 |
|
Totaal |
|
0,037 |
27,8 |
0,001 |
a blootstelling is geschat
met behulp van een veldstudie waarbij handschoenen en beschermende coverall
werd gedragen. Om de systemische blootstelling te bepalen is gebruik gemaakt
van 100% dermale en inhalatoire absorptie.
b ratio van geschatte
blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.
Tabel T.2
Risicobeoordeling voor interne blootstelling aan prothioconazool-desthio bij
gebruik van FANDANGO, via dermale en inhalatoire route
|
|
Route |
Geschatte blootstelling (mg/dag)a |
AOEL (mg/dag) |
Risico index b |
In de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst
|
||||
Mengen/laden/toepassen
|
inhalatoir |
0,001 |
0,65 |
0,002 |
|
|
dermaal |
0,003 |
0,65 |
0,005 |
|
Totaal |
|
0,004 |
0,65 |
0,006 |
a blootstelling is
geschat met behulp van een veldstudie waarbij handschoenen en beschermende
coverall werd gedragen. Om de systemische blootstelling te bepalen is gebruik
gemaakt van 20% dermale en 100% inhalatoire absorptie.
b ratio van geschatte
blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.
Re-entry
Kort na toepassing
hoeven geen werkzaamheden te worden uitgevoerd waarbij intensief contract met
het gewas plaatsvindt. Er wordt derhalve geen risico verwacht voor
herbetreders.
Conclusie
Op basis van deze
arbeidstoxicologische risicobeoordeling kan worden geconcludeerd dat nadelige
gezondheidseffecten niet worden verwacht als gevolg dermale en inhalatoire
blootstelling aan prothioconazool, prothioconazool-desthio bij van beschermd
gebruik van FANDANGO, in de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter-
en zomergerst.
Deze conclusie wordt ondersteund door een uitgevoerde risicobeoordeling op basis van een blootstellingsberekening met betrekking tot EUROPOEM. Omdat EUROPOEM een onderscheid maakt tussen mengen/laden en toepassen, kan worden afgeleid dat met name mengen/laden een risico-index kan geven tussen 1-10. Op basis van risicomanagement is het gebruik van handschoenen bij mengen/laden dus voldoende.
Ontbrekende gegevens
Er ontbreken geen gegevens.
Fluoxastrobin
Afleiden AOEL’s
FANDANGO wordt 2 keer per seizoen, in het voorjaar, toegepast. Voor de risicobeoordeling wordt daarom uitgegaan van een semi-chronische blootstelling (hiermee wordt ook rekening gehouden met loonwerkers).
De AOELsystemisch voor fluoxastrobin wordt
afleid van de NOAEL van 3 mg/kg lg/dag in de
90 dagen studie met de hond. Onderstaande veiligheidsfactoren worden gebruikt
om te compenseren voor de onzekerheid die voortvloeit uit de verschillen tussen
de experimentele omstandigheden, de situatie op de werkplek en om de
waarschijnlijkheid te vergroten dat er bij de toelaatbaar geachte blootstelling
inderdaad geen nadelige effecten voor de gezondheid optreden.
Gebruikte factoren zijn:
· extrapolatie hond ® mens op basis van calorische behoefte: 1,4
· overige interspecies verschillen: 3
· intraspecies verschillen: 3
· biologische beschikbaarheid via de orale route: >90%
· gewicht werker: 70 kg
AOELsystemisch fluoxastrobin: 3 x 70 /(1,4x3x3) = 16,7 mg/ persoon/dag
Schatting van
de blootstelling/berekening Risico indices
De blootstelling aan fluoxastrobin tijdens mengen/laden en
toepassen is geschat met behulp van modellen. Bij de blootstellingsschattingen
is uitgegaan van een onbeschermde werker. In onderstaande tabel wordt
aangegeven hoe de interne blootstelling na dermale en inhalatoire blootstelling
aan fluoxastrobin bij gebruik van FANDANGO
zich verhoudt tot de systemische AOEL. Voor de totale dagblootstelling dienen
de afzonderlijke handelingen (mengen/laden
en toepassen) te worden opgeteld.
Tabel T.3 Risicobeoordeling voor interne blootstelling aan fluoxastrobin
bij gebruik van FANDANGO, via dermale en inhalatoire route
|
|
Route |
Geschatte blootstelling (mg/dag)a |
AOEL (mg/dag) |
Risico index b |
||
|
In de teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en
zomergerst |
||||||
|
Mengen/laden/toepassen |
inhalatoir |
0,001 |
16,7 |
<0,001 |
||
|
|
dermaal |
0,001 |
16,7 |
<0,001 |
||
|
Totaal |
|
0,002 |
16,7 |
<0,001 |
||
a blootstelling is geschat
met behulp van een veldstudie waarbij handschoenen en beschermende coverall
werd gedragen. Om de systemische blootstelling te bepalen is gebruik gemaakt
van 4% dermale en 100% inhalatoire absorptie.
b
ratio van geschatte blootstelling en toelaatbaar geachte blootstelling.
Kort na toepassing
hoeven geen werkzaamheden te worden uitgevoerd waarbij intensief contract met
het gewas plaatsvindt. Er wordt derhalve geen risico verwacht voor
herbetreders.
Conclusie
Op basis van deze
arbeidstoxicologische risicobeoordeling kan worden geconcludeerd dat nadelige
gezondheidseffecten niet worden verwacht als gevolg dermale en inhalatoire
blootstelling aan fluoxastorbine bij van beschermd gebruik van FANDANGO, in de
teelt van winter- en zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst.
Ontbrekende gegevens
Er ontbreken geen gegevens.
Beoordeling van het
risico voor de volksgezondheid
Overzicht
toepassingen
Het betreft een aanvraag voor een voorlopige toelating van
FANDANGO, een fungicide op basis van de nieuwe werkzame stoffen prothioconazool
en fluoxastrobin. De aanvraag betreft de toelating in de teelt van winter- en
zomertarwe, triticale, winter- en zomergerst (beroepsmatig gebruik). Het middel
mag in het kader van resistentiemanagement maximaal 2 keer per seizoen worden
toegepast.
Prothioconazool
Residues
Metabolism in plants (Annex
IIA, point 6.1 and 6.7, Annex IIIA, point 8.1 and 8.6)
|
Plant groups covered |
Cereals (wheat) |
|
Rotational crops |
Wheat / Swiss chard / Turnips |
|
Plant residue definition for monitoring |
Prothioconazole (JAU 6476) and
prothioconazole-desthio. (JAU 6476-desthio, M04, SXX 0665) |
|
Plant residue definition for risk assessment |
JAU 6476-desthio (M04, SXX 0665) |
|
Conversion factor (monitoring to risk assessment) |
Not applicable |
Metabolism in
livestock (Annex IIA, point 6.2 and 6.7, Annex IIIA, point 8.1
and 8.6)
|
Animals covered |
Lactating
ruminants (goat) |
|
Animal residue definition for monitoring |
JAU 6476-desthio (M04, SXX 0665). |
|
Animal residue definition for risk assessment |
JAU 6476-desthio (M04, SXX 0665) |
|
Conversion factor (monitoring to risk assessment) |
Not applicable |
|
Metabolism in rat and ruminant similar (yes/no) |
Yes |
|
Fat soluble residue: (yes/no) |
No |
Residues in
succeeding crops (Annex IIA, point 6.6, Annex IIIA, point 8.5)
|
|
Wheat / Swiss chard / Turnips (cf. "Metabolism
in plants") |
Stability of
residues (Annex IIA, point 6.0, Annex IIIA, point 8
introduction)
|
|
JAU 6476-desthio (M04): |
Residues from
livestock feeding studies (Annex IIA, point 6.4, Annex IIIA, point 8.3)
|
Intakes by livestock ³ 0.1
mg/kg diet/day: |
Ruminant: |
Poultry: |
Pig: |
|
|
Goat liver: 0.04 mg/kg |
||
Summary of critical
residues data (Annex IIA, point 6.3, Annex IIIA, point 8.2)
|
Crop |
Northern or Mediterranean Region |
Trials results |
Recommen-dation/ comments |
MRL |
STMR (b) |
|
Wheat |
Northern EU |
10: all
< 0.01 |
|
0.01 |
< 0.01 |
|
Southern EU |
8: all
< 0.01 |
|
|||
|
Barley |
Northern EU |
9: all
< 0.01 |
|
0.05 |
0.01 |
|
Southern EU |
8: 3 x
0.02, 3 x 0.01, 2 x < 0.01 |
|
|||
|
Rape |
Northern EU |
8: 2 x
0.02, 1 x 0.01, 5 x < 0.01 |
|
0.05 |
< 0.01 |
|
Southern EU |
4: 2 x
0.01, 2 x < 0.01 |
|
(a) Numbers of trials in which particular residue
levels were reported
e.g.
4 x <0.01, 3 x 0.01, 1 x 0.02
(b) Supervised Trials Median Residue i.e. the median residue level estimated
on the basis of supervised trials relating to the critical GAP
Consumer risk assessment (Annex IIA, point 6.9, Annex IIIA,
point 8.8)
As
prothioconazole-desthio (M04) was the major constituent identified in crop
residues, it is proposed that the ADI and ArfD for prothioconazole-desthio
should be used for the consumer risk assessment.
|
ADI (JAU
6476-desthio, M04, SXX0665) |
0.01
mg/kg bw/day |
|
ARfD (JAU
6476-desthio, M04, SXX0665) |
0.01
mg/kg bw/day |
Processing factors (Annex IIA, point 6.5, Annex IIIA,
point 8.4)
|
Crop/processed
crop |
Number of
studies |
Transfer
factor |
%
Transference |
|
Not applicable (na), no residues |
|
|
|
Residuen
Er zijn residuproeven geleverd in winter tarwe en gerst, uitgevoerd met de formulering FANDANGO. De resultaten uit deze proeven zijn in lijn met de resultaten van de proeven die worden beschreven in de monografie. De Good Agricultural Practice (GAP) uit de monografie kan worden gezien als meer kritisch dan de GAP voor de Nederlandse aanvraag, derhalve kunnen de residugegevens uit de monografie worden beschouwd als worst case.
Voorgestelde
MRL’s
Op basis van de geleverde residustudies kan worden aangesloten bij de residugegevens in de monografie en de eindpuntenlijst. Voor de aangevraagde toepassing in Nederland kunnen de volgende voorlopige MRL’s worden vastgesteld:
Tarwe: 0,02 mg/kg*
Triticale 0,02 mg/kg*
Gerst: 0,02 mg/kg* (Noord-Europese toepassing)
Vlees, vet & lever, nieren van slachtdieren 0,05 mg/kg
Melk: 0,01 mg/kg
Dieetberekening
Conclusie
Het risico voor de
volksgezondheid wordt verwaarloosbaar geacht.
Ontbrekende
gegevens
Er ontbreken geen gegevens
Fluoxastrobin
Residues
|
Metabolism in plants (Annex IIA, point 6.1 and 6.7,
Annex IIIA, point 8.1 and 8.6) |
|
|
Plant
groups covered |
Cereals |
|
Rotational
crops |
Wheat,
Turnip and Swiss Chard |
|
Plant residue
definition for monitoring |
Fluoxastrobin (Sum of E and Z-isomers) |
|
Plant
residue definition for risk assessment |
Fluoxastrobin
(Sum of E and Z-isomers) |
|
Conversion
factor (monitoring to risk assessment) |
1 |
|
Metabolism in livestock (Annex IIA, point 6.2 and 6.7,
Annex IIIA, point 8.1 and 8.6) |
|
|
Animals
covered |
Lactating
goat and hen |
|
Animal
residue definition for monitoring |
Sum of fluoxastrobin (E and Z-isomers) and its metabolite
phenoxy-hydroxy-pyrimidine (M55) expressed as fluoxastrobin |
|
Animal
residue definition for risk assessment |
Sum of
fluoxastrobin (E and Z-isomers) and its metabolite phenoxy-hydroxy-pyrimidine
(M55) expressed as fluoxastrobin |
|
Conversion
factor (monitoring to risk assessment) |
1 |
|
Metabolism
in rat and ruminant similar (yes/no) |
Yes |
|
Fat
soluble residue: (yes/no) |
No, based
on partition coefficient. |
|
Residues in succeeding crops (Annex IIA, point 6.6, Annex IIIA,
point 8.5) |
|
|
|
No data
were submitted or required, due to residues of parent and individual
metabolites in rotational crops being less than 0.1 mg/kg in the rotational
crop metabolism study, with the exception of fluoxastrobin and
fluoxastrobin-4-hydroxyphenyl in wheat straw planted in a)
the
metabolism study was conducted at 2N b)
radiolabelled
fluoxastrobin was applied to bare soil instead of a crop c)
the
proposed application being three treatments and not one as in the metabolism
study – seedtreatment (12 months before following crop planted) and two
foliar treatments at GS 32 (5 months year before following crop planted) and
69 (3 months before following crop planted). |
|
Stability of residues (Annex IIA, point 6 introduction,
Annex IIIA, point 8 introduction) |
|
|
|
Residues of fluoxastrobin are stable for up to 24 months in tomatoes,
lettuce, wheat forage, wheat grain, wheat straw and potatoes. |
Residues from livestock feeding studies (Annex IIA, point 6.4, Annex IIIA,
point 8.3)
|
Intakes
by livestock ³ 0.1 mg/kg diet/day: |
Ruminant: yes |
Poultry: No |
Pig: no |
|
Muscle |
Mean
residue = 0.01 mg/kg Highest
residue = 0.01 mg/kg |
- |
- |
|
Liver |
Mean residue
= 0.02 mg/kg Highest
residue = 0.02 |
- |
- |
|
Kidney |
Mean
residue = 0.04 mg/kg Highest
residue = 0.05 mg/kg |
- |
- |
|
Fat |
Mean
residue = 0.01 Highest
residue = 0.02 |
- |
- |
|
Milk |
Mean
residue = 0.01 Highest
residue = 0.01 |
- |
- |
|
Eggs |
- |
- |
- |
Summary of critical residues data (Annex IIA, point 6.3, Annex IIIA,
point 8.2)
|
Crop |
Northern
or Mediterranean Region |
Trials
results relevant to the critical GAP (a) |
Recommendation/comments |
MRL |
STMR (b) |
|
Wheat and
rye |
N S |
8x<0.02 7x<0.02,
1x0.02 |
Acceptable |
0.05 |
0.02 |
|
Barley |
N S |
3x<0.02,
1x0.02, 3x0.03, 1x0.04 1x<0.02,
1x0.02, 1x0.05, 1x0.24, 1x0.27 |
Acceptable |
0.5 |
0.05 |
(a) Numbers of trials in which particular residue levels were reported e.g. 3 x <0.01, 1 x 0.01, 6 x 0.02, 1
x 0.04, 1 x 0.08, 2 x 0.1, 2 x 0.15, 1 x 0.17.
(b) Supervised Trials
Median Residue i.e. the median
residue level estimated on the basis of supervised trials relating to the
critical GAP.
Consumer risk assessment (Annex IIA, point 6.9, Annex IIIA,
point 8.8)
|
ADI |
0.015 |
|
ARfD |
0.3 |
Processing factors (Annex IIA, point 6.5, Annex IIIA, point 8.4)
|
Crop/processed
crop |
Number of
studies |
Transfer
factor |
%
Transference |
|
Barley/Barley
rub |
2 |
3 |
300 |
|
Barley/Pearl
barley |
2 |
1* |
100* |
|
Barley/Malted
sprout |
2 |
1.6 |
160 |
|
Barley/Brewers
malt |
2 |
1.6 |
160 |
|
Barley/Brewers
grain |
2 |
1.5 |
150 |
|
Barley/Hops
draft |
2 |
1* |
100* |
|
Barley/Brewers
yeast |
2 |
1* |
100* |
|
Barley/Beer |
2 |
1* |
100* |
Limit of determination (0.05 mg/kg) was greater than the residue in the
barley
(0,03-0,04 mg/kg).
Residuen
Er zijn residuproeven geleverd in wintertarwe en gerst, uitgevoerd met de formulering FANDANGO. De resultaten uit deze proeven zijn in lijn met de resultaten van de proeven die worden beschreven in de monografie van fluoxastrobin. De GAP uit de monografie is gelijk aan de GAP voor de Nederlandse aanvraag.
Voorgestelde
MRL’s
Op basis van de geleverde residustudies kan worden aangesloten bij de residugegevens in de monografie en de eindpuntenlijst. Voor de aangevraagde toepassing in Nederland kunnen de volgende voorlopige MRL’s worden vastgesteld:
tarwe, triticale: 0,05 mg/kg*
gerst: 0,5 mg/kg*
melk: 0,02*
vlees: 0,02*
vet: 0,05
nieren van slachtdieren: 0,1
lever: 0,05
Dieetberekening
Teneinde de toelaatbaarheid van de voorgestelde residutoleranties te toetsen aan de Nederlandse consumptiegegevens en aan de voorgestelde ADI werden NTMDI-berekeningen uitgevoerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van Nederlandse consumptiegegevens. De NTMDI-berekening laat zien dat de het risico voor de volksgezondheid door chronische inname verwaarloosbaar is (2,6% voor de algehele bevolking en 4,1% voor kinderen van 1-6 jaar). De NESTI-berekeningen laten eveneens zien dat de het risico op de volksgezondheid na acute inname verwaarloosbaar is (0,1% voor de algemene bevolking en 0,2% voor kinderen van 1-6 jaar).
Conclusie
Het risico voor de volksgezondheid wordt verwaarloosbaar
geacht.
Ontbrekende
gegevens
Er ontbreken geen gegevens.
Combinatietoxicologie
Het middel FANDANGO is een mengsel met 2 werkzame stoffen. Het is niet onderzocht wat de toxicologische werking van deze 2 stoffen in combinatie met elkaar is.
Het is mogelijk dat gecombineerde blootstelling aan deze stoffen leidt tot een ander toxicologisch profiel dan het profiel dat is afgeleid van de individuele stoffen, omdat ze elkaars werking kunnen beïnvloeden. Hiervoor is het echter nodig dat blootstelling plaatsvindt op of nabij het niveau waarbij ongewenste effecten van de individuele stoffen kunnen worden verwacht, tenzij als gevolg van een identiek toxicologisch aangrijpingspunt met een additief effect rekening moet worden gehouden
De 2 werkzame stoffen in FANDANGO hebben beide effecten op de lever (enzyminductie). Bij gelijktijdige blootstelling aan deze stoffen kunnen deze elkaars werking beïnvloeden. Gezien het feit dat de ingeschatte blootstelling (bij beschermd gebruik) van deze stoffen maar een kleine fractie is van de toelaatbaar geachte blootstelling (AOEL, ADI, ARfD) worden ook bij een additief effect geen risico’s ingeschat van gelijktijdige blootstelling aan prothioconazool en fluoxastrobin.
Etikettering humane toxicologie
Voorstel voor classificatie prothioconazool
(symbolen en R-zinnen)
(EU classificatie)
|
Symbool: |
- |
met als onderschrift: - |
|
R-zinnen |
- |
- |
Voorstel voor classificatie fluoxastrobin (symbolen en R-zinnen)
(EU classificatie)
|
Symbool: |
- |
met als onderschrift: - |
|
R-zinnen |
- |
- |
Voorstel voor
classificatie en etikettering formulering(en) met betrekking tot de gezondheid
Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de geleverde formuleringstoxicologie voor het middel, de eigenschappen van de hulpcomponenten, de wijze van toepassen en de risicoschatting voor de toepasser wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:
|
1 |
Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen): |
|||
|
|
- |
|||
|
2c) |
Gevaarsymbool: |
- |
aanduiding: |
- |
|
|
R-zinnen |
- |
- |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
S-zinnen |
37 |
Draag geschikte handschoenen |
|
|
|
|
|
|
|
|
2d) |
Specifieke vermeldingen: DPD-zinnen |
14* |
Inlichtingenblad aangaande de veiligheid is voor de professionele gebruiker op aanvraag verkrijgbaar |
|
|
|
|
|
|
|
|
2f) |
Gewasbeschermings-middelenzin: DPD-zin |
DPD01 |
Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen |
|
|
2h) |
Kinderveilige sluiting verplicht? |
nvt |
||
|
|
Voelbare gevaarsaanduiding verplicht? |
nvt |
||
*Deze
zin vervalt indien aan het middel voor één van de andere aspecten wél een
gevaarsaanduiding is toegekend.
|
Eventuele toelichting op verschil met voorstel
aanvrager/huidige etikettering: |
|
|
Gevaarsaanduiding: |
- |
|
R-zinnen: |
- |
|
S-zinnen |
S37 wordt toegekend op basis van een blootstelling veldstudie en de risicoschatting, S36 is niet nodig. |
|
Overige: |
DPD-01 wordt standaard aan alle gewasbeschermingsmiddelen toegekend DPD-14 wordt toegekend aan preparaten welke niet voor het grote publiek bestemd zijn welke geen classificatie hebben. |
Profiel
milieuchemie en –toxicologie
Achtergrond
Het betreft een aanvraag tot de
voorlopige toelating van FANDANGO
(100 g prothioconazole/L + 100 g fluoxastrobin) als schimmelbestrijdingsmiddel
tegen blad- voet- en aarziekten in de teelt van winter- en zomertarwe,
triticale, winter- en zomergerst
(1 of 2 x 1,50 of 1,25 L/ha).
Tabel M.1 Toepassingsoverzicht
|
Nr. toep. |
Toepassing |
Dosering w.s. [kg/ha]* |
Freq. |
Interval [dag] |
Tijdstip toepassing |
|
1 |
Winter- en zomertarwe, triticale
en spelt |
0,150 + 0,150 |
1-2 |
21 |
Maart-juni |
|
2 |
Winter- en zomergerst |
0,125 + 0,125 |
1-2 |
21 |
Apr-juni |
* fluoxastrobin + prothioconazool
Profiel Fluoxastrobin
Fluoxastrobin is een nieuwe
stof, die nog niet op Annex I van Richtlijn 91/414/EEG geplaatst is. Er is een
concept-monografie beschikbaar. RMS is Engeland. Voor de risicobeoordeling van
milieuaspecten is gebruik gemaakt van de laatste eindpuntenlijst van augustus
2004. Commentaar is cursief toegevoegd.
Fate and Behaviour
in the Environment
Route of
degradation (aerobic) in soil (Annex IIA, point 7.1.1.1.1) |
|
|
Mineralisation after 100 days |
0.7-10% after 91-98 days ring 3 label (n = 4) 3.6-34.1% after 91 days ring 2 label (n=2) |
|
Non-extractable residues after 100 days |
13.4-69.3% after 91-98 days ring 3 label (n = 4) 10.7-34.8 % after 91 days ring 2 label (n=2) |
|
Relevant metabolites - name and/or code, % of applied (range and
maximum) |
Major metabolites (>10% AR) M48 18.9-30.2 % after 30-270 days ring 3 label M48 10.3-32.2% after 30-365 days ring 2 label (n=2) |
|
Route of
degradation in soil - Supplemental studies
(Annex IIA, point 7.1.1.1.2) |
|
|
Anaerobic degradation |
Non standard anaerobic water sediment study using ring 3 label showed: Negligible mineralisation after 91 days 23.4% unextracted residues after 91 days M40 seen at 12.7% in total system after 120 days |
|
Soil photolysis |
2.3-4.4% mineralisation after 15 days irradiation ring 2 label (n = 2) 4.8% mineralisation after 15 days irradiation ring 3 label (n=1) 8.3-8.6% unextracted residue after 15 days ring 2 label (n=2) 10.3% unextracted residue after 15 days ring 3 label (n=1) Z-isomer of fluoxastrobin increased to 17.1% after 15 days ring 3
label and 16.4-22.2% after 15 days ring 2 label. Overall the effect of light on degradation in the environment is
likely to be low as the photolytic DT50s of sum of E+Z isomers are not
significantly different to dark control DT50s. |
|
Rate of
degradation in soil (Annex IIA, point 7.1.1.2, Annex IIIA, point
9.1.1) |
|
|
Method of calculation |
Parent: first order kinetics (Model Maker) for both lab and field data M48: first order kinetics (ACSL Optimize 1996) for lab data;
insufficient data from field |
|
Laboratory studies (range or median, with n value, with r2 value) |
DT50lab (20°C, aerobic): parent: 12-356 days (n=6, r2 = 0.87-0.99) M48: 33.8-99.8 days (n=3, r2 = 0.96-0.99) |
|
|
DT90lab (20°C, aerobic): parent: 40-1180 days (n=6, r2 = 0.87-0.99) M48: 113-333 days (n = 3, r2 = 0.96-0.99) M40: 36-84 days (n=3, r2 = 0.97-0.99) |
|
|
DT50lab (10°C, aerobic) parent: From 20°C aerobic values above as 26.4-783.2 days using Q10 of 2.2. |
|
Laboratory studies (range or median, with n value, with r2 value) |
DT50lab (20°C, anaerobic): Anaerobic data not required for intended use. Non-standard anaerobic water sediment study showed DT50
(first order) as 146 days |
|
|
degradation in the saturated zone: not submitted, not required. |
|
Field studies
(state location, range or median with n value) |
DT50f (Parent): |
|
|
DT90f (Parent): Northern Europe Southern
Europe 54-395 days (n=6) 256-323
days (n=2) |
|
Soil accumulation and plateau concentration |
Fluoxastrobin could accumulate if used year on year. Plateau concentration after three years
worth of applications is calculated as 0.032 mg/kg assuming a DT50
of 119 days and a total annual application of 97.5 g/ha (seed treatment plus
2 foliar treatments with crop interceptions of 50% and 70% respectively) |
Soil
adsorption/desorption (Annex IIA, point 7.1.2) |
|
|
Kf /Koc (ml/g) Kd pH dependence (yes / no) (if yes type of dependence) |
Koc parent 424-1582 (mean 848, 1/n=0.84-0.87 mean 0.86,
n=4) M48 14-181.5 (mean 60.25, 1/n = 0.92-0.98, mean 0.95 n =4) M40 37-87 (mean 59, 1/n = 0.86-0.95, mean 0.9, n = 4) M48 adsorption appeared to decrease with increasing soil pH. No evidence that parent or M40 adsorption
influenced by soil pH. Mean values used. For M48 and
high pH soils, Koc 14, 1/n = 0.94 is appropriate. |
|
Mobility in soil (Annex
IIA, point 7.1.3, Annex IIIA, point 9.1.2) |
|
|
Column leaching |
No data submitted, not required as satisfactory batch sorption data
are available. |
|
Aged residues leaching |
No data submitted, batch adsorption and modelling used to address this
area. |
|
Lysimeter/ field leaching studies |
No data submitted, batch adsorption and modelling used to address this
area. |
Route and rate of
degradation in water (Annex IIA, point 7.2.1)
|
Hydrolysis of active substance and relevant metabolites (DT50)
(state pH and temperature) |
pH 4: Stable to hydrolysis |
|
|
pH 7: Stable to hydrolysis |
|
|
pH 9: Stable to hydrolysis |
|
Photolytic degradation of active substance and relevant metabolites |
Artificial radiation was equated to summer days in Athens (Greece, 38°N): fluoxastrobin DT50s: Under sterile conditions M36 formed at 23.6% (ring 1) and 17.1% (ring
3) after 8 days continuous experimental irradiation. In a microbially active aqueous photolysis laboratory study with sediment
present M36 was not detectable. |
|
Readily biodegradable (yes/no) |
No data submitted, therefore not readily biodegradable. |
|
Degradation in - DT50
water water/sediment - DT90
water -
DT50 whole system - DT90 whole
system |
26-42 days 85-140 days (1st order, r2 = 0.97-0.98, n=2) Modelled water degradation (excludes dissipation through partitioning
to sediment). 144-182 days 477-603 days (1st order, r2=0.94, n=2) |
|
Mineralisation |
1.4-2.4% AR after 101 days (n=2) |
|
Non-extractable residues |
10.7-11.0% AR (at 101 days, n=2) |
|
Distribution in water / sediment systems (active substance) |
Maximum of 60.4-73.3% AR in sediment after 14 days (n=2). |
|
Distribution in water / sediment systems (metabolites) |
M48 2.6-15.9% AR in water after 122 days (n=2) |
Fate and behaviour
in air (Annex IIA, point 7.2.2, Annex III, point 9.3)
|
Direct photolysis in air |
Not submitted. |
|
Quantum yield of direct phototransformation |
Mean quantum yield of 0.00098 (E isomer). |
|
Photochemical oxidative degradation in air (DT50) |
DT50 of 9.9 hours in air derived by the Atkinson method of
calculation assuming a global 12 hour concentration of OH radicals of 1.5 x
106 radicals per cm3.. |
|
Volatilisation |
from plant surfaces: |
|
|
from soil: Not submitted, not required. |
|
|
|
Relevant to the environment |
Residue definition including major (>10% AR) metabolites or those
> 0.1 mg/l in soil water at 1.1m depth: Soil and surface water: parent and M48 Sediment: parent. Groundwater: M48 Relevant residue definition: Soil, surface water, sediment and ground water: Fluoxastrobin (i.e
E-isomer only). |
|
Monitoring data,
if available (Annex IIA, point 7.4) |
|
|
Soil (indicate location and type of study) |
New substance. Not available,
not required. |
|
Surface water (indicate location and type of study) |
New substance. Not available,
not required. |
|
Ground water (indicate location and type of study) |
New substance. Not available,
not required. |
|
Air (indicate location and type of study) |
New substance. Not available,
not required. |
Classification and proposed labelling (Annex IIA, point
10)
|
with regard to fate and behaviour data |
Possible candidate for R53 |
M48 = HEC 5725-E-des-chlorophenyl.
M40 = HEC 4725
carboxylic acid
Effects on
Non-target Species
Effects on
terrestrial vertebrates (Annex IIA, point 8.1, Annex IIIA, points 10.1
and 10.3)
|
Acute toxicity to mammals |
Rat LD50 (oral) > 2000 mg a.s. /kg bw |
|
Reproductive toxicity to mammals |
Rat NOEC 10,000
ppm a.s. in diet (742-764 mg a.s. /kg bw /day) |
|
Acute toxicity to birds |
Colinus virginianus (Bobwhite
quail): LD50 (oral) > 2000 mg a.s. / kg bw, NOEL
2000 mg a.s. / kg bw |
|
Dietary toxicity to birds |
Colinus virginianus (Bobwhite quail):
5 day LC50 (oral) > 5000 ppm a.s. in
diet (966 mg a.s. /kg bw /day), NOEC 625 ppm a.s. in diet (151 mg a.s. /kg bw
/day). Anas platyrhynchos
(Mallard duck): 5 day LC50 (oral) > 5000 ppm a.s. in
diet (2194 mg a.s. /kg bw /day), NOEC 625 mg a.s. in diet (285 mg a.s. /kg bw
/day). |
|
Reproductive toxicity to birds |
Colinus virginianus (Bobwhite
quail): NOEC 1000 ppm
a.s. in diet (76 mg a.s. / kg bw / day) Anas platyrhynchos
(Mallard duck): NOEC 461 ppm a.s. in diet (51 mg a.s. / kg bw / day) |
|
Toxicity data for
aquatic species (most sensitive species of each group) (Annex
IIA, point 8.2, Annex IIIA, point 10.2) |
||||||
|
Group |
Test substance |
Time-scale |
Endpoint |
Toxicity (mg/l) |
||
|
Laboratory tests |
||||||
|
Oncorhychus mykiss
(Rainbow trout) |
Technical fluoxastrobin |
Acute |
96h LC50 |
0.435 mg a.s./l |
||
|
Daphnia magna (water
flea) |
Technical fluoxastrobin |
Acute |
48h EC50 (immobilisation) |
0.48 mg a.s./l |
||
Americamysis bahia
(saltwater mysid) |
Technical fluoxastrobin |
Acute |
96h LC50 |
0.0604 mg a.s./l |
||
|
Gammarus pulex |
Technical fluoxastrobin |
Acute |
48h EC50 (immobilisation) |
0.15 mg a.s./l |
||
|
Pseudo-kirchneriella
subcapitata (alga) |
Technical fluoxastrobin |
Acute |
72h EbC50 (cell density) |
0.35 mg a.s./l |
||
|
Lemna gibba |
Technical fluoxastrobin |
Acute |
7 day ErC50 (growth rate) |
> 6.0 mg a.s./l |
||
|
Oncorhychus mykiss (ELS) |
Technical fluoxastrobin |
Long-term |
95 day NOEC |
0.0286 mg a.s./l |
||
|
Daphnia magna |
Technical fluoxastrobin |
Long-term |
21 day NOEC |
0.18 mg a.s./l |
||
|
Americamysis bahia (saltwater mysid shrimp) |
Technical fluoxastrobin |
Long-term |
28 day NOEC |
0.00061 mg a.s./l |
||
|
Chironomus
riparius (sediment dwelling midge) |
Technical fluoxastrobin |
Long-term |
28 day EC5 (development rate) |
1.2 mg a.s./l |
||
|
Oncorhychus mykiss
(Rainbow trout) |
HEC 5725-deschlorophenyl |
Acute |
96h LC50 |
> 102 mg metabolite /l |
||
|
Daphnia magna |
HEC 5725-deschlorophenyl |
Acute |
48h EC50 (immobilisation) |
> 100 mg metabolite /l |
||
|
Pseudo-kirchneriella
subcapitata |
HEC 5725-deschlorophenyl |
Acute |
72h EbC50 |
100 mg
metabolite /l |
||
|
Oncorhychus mykiss
|
HEC 5725-carboxylic acid |
Acute |
96h LC50 |
> 95.7 mg metabolite /l |
||
|
Daphnia magna |
HEC 5725-carboxylic acid |
Acute |
48h EC50 (immobilisation) |
> 100 mg metabolite /l |
||
|
Pseudo-kirchneriella
subcapitata |
HEC 5725-carboxylic acid |
Acute |
72h EbC50 |
115 mg
metabolite /l |
||
|
Chironomus riparius |
HEC 5725-carboxylic acid |
Long-term |
28 day EC5 (emergence) |
28.4 mg metabolite/l |
||
|
Oncorhychus mykiss
|
HEC 5725 EC100 |
Acute |
96h LC50 |
3.29 mg product/l |
||
|
Daphnia magna |
HEC 5725 EC100 |
Acute |
48h EC50 (immobilisation) |
5.0 mg product/l |
||
|
Pseudo-kirchneriella
subcapitata |
HEC 5725 EC100 |
Acute |
72h EbC50 (cell density) |
4.8 mg product/l |
||
|
Microcosm or mesocosm tests |
||||||
|
Gammarus pulex (water
sediment single species laboratory study) |
HEC 5725 EC100 |
Long-term |
28 day NOEC |
0.0316 mg a.s./l |
||
|
Bioconcentration |
|
|
Bioconcentration factor (BCF) |
52.1 |
|
Annex VI Trigger: for the bioconcentration factor |
100 |
|
Clearance time (CT50) (CT90) Level of residues
(%) in organisms after the 14 day depuration phase |
0.41-0.45 days (whole fish) Not calculated 95-96% depuration after 14 days |
Effects on honeybees (Annex
IIA, point 8.3.1, Annex IIIA, point 10.4)
|
Acute oral toxicity |
48h LD50 (technical fluoxastrobin): >
0.843 mg a.s./bee 48h LD50 (HEC 5725 EC100): 0.255 mg product /bee 96h LD50 (HEC 5725 EC100): 0.144 mg
product /bee |
|
Acute contact toxicity |
48h LD50 (technical fluoxastrobin): >
0.2 mg a.s./bee 48h LD50 (HEC 5725 EC100): 0.297 mg product /bee |
Effects
on other arthropod species
(Annex IIA, point 8.3.2, Annex IIIA, point 10.5)
|
Species |
Stage exposed |
Test Substance1 |
Dose (kg as/ha) |
Endpoint |
Adverse Effect2 |
Annex VI Trigger |
|
Laboratory tests |
||||||
|
Aphidius
rhopalo-siphi |
Adult |
HEC 5725 EC100(glass plate substrate) |
80g a.s./ha |
Corrected mortality (2DAT) |
58% LR50 68.1g a.s./ha |
30% |
|
Aphidius
rhopalo-siphi |
Adult |
HEC 5725 EC100 (leaf substrate) |
200g a.s./ha |
Corrected mortality (2DAT) |
82% LR50 34.1g a.s./ha |
30% |
|
Typhlo-dromus pyri |
Proto-nymph |
HEC 5725 EC100(glass plate substrate) |
200g a.s./ha |
Corrected mortality (7DAT) |
77%* LR50 > 122.2g a.s./ha |
30% |
|
Typhlo-dromus pyri |
Proto-nymph |
HEC 5725 EC100 (leaf substrate) |
200g & 400g a.s./ha |
Corrected mortality (7DAT) Eggs laid / female (8-14DAT) |
0% & 25% * -6% & +20% (both N/S) LR50 > 400g a.s./ha |
30% |
|
Aloechara
bilineata (rove beetle) |
Adult |
HEC 5725 EC100 (soil substrate) |
200 & 400 g a.s./ha |
Reproduc-tion (no. of F1 adults) |
-3% & -15% reduction (no mortality effects) |
30% |
|
Poecilus cupreus
(carabid beetle) |
Adult |
HEC 5725 EC100, (soil substrate) |
200 & 400 g a.s./ha |
Mortality & food consump-tion (up to 14 DAT) |
No mortality No difference in food consumption |
30% |
|
Coccinella
septem-punctata (ladybird) |
Larvae |
HEC 5725 EC100 (glass plate substrate) |
35g a.s./ha |
Corrected mortality (17DAT) |
59%* LR50 12.4g a.s./ha |
30% |
|
Coccinella
septem-punctata (ladybird) |
Larvae |
HEC 5725 EC100 (leaf substrate) |
200g a.s./ha |
Corrected mortality (17DAT) |
75%* LR50 71.7g a.s./ha |
30% |
|
Chryso-perla
carnea (lacewing) |
Larvae |
HEC 5725 EC100 (glass plate substrate) |
200 & 400 g a.s./ha |
Corrected mortality Eggs laid / female F1 egg fertility |
52%* & 26%* -10% & -7.7% (N/S) +5.9 & +3.75 increase (N/S) LR50> 500g a.s./ha |
30% |
|
* significantly
different from control (t-test p <0.05) 1 EC 250:
emulsifiable concentrate containing 100 g fluoxastrobin/ litre of
formulation. 2 Adverse effect: x % effect on mortality = x %
increase of mortality compared to control y % effect on a sublethal parameter = y % decrease
of sublethal paramether compared to control (sublethal parameters are e.g. reproduction,
parasitism, food consumption) When effects
are favourable for the test organisms, a + sign is used for the sublethal
effectpercentages (i.e. increase compared to control) and a – sign for
mortality effectspercentages (i.e. decrease compared to control). |
||||||
|
Field or semi-field tests |
||||||
|
In a semi-field trial using potted wheat plants
effects of exposure to ‘HEC 5725 EC100’ treated leaves on the reproductive
capacity of Aphidius rhopalosiphi
were examined by counting the numbers of subsequently parasitised (mummified)
aphids per exposed female (aphids being introduced 24 hours after
exposure). ‘HEC 5725 EC100’ was applied
twice with a 14 day spray interval at the recommended individual dose of 200g
a.s./ha. Reproductive capacity was reduced by 32% following exposure to
freshly sprayed dried deposits but by only 13% following exposure to aged
deposits (14DAT2). |
||||||
Effects on
earthworms (Annex IIA, point 8.4, Annex IIIA, point 10.6)
|
Acute toxicity |
LC50 for fluoxastrobin, HEC
5725-des-chlorophenyl (M48), & HEC 5725-carboxylic acid (M40): All >500 mg a.s. or 1000 mg metabolite /kg dry
soil # |
|
Reproductive toxicity |
NOEL fluoxastrobin: >1000g a.s./ha (º1.33 mg
a.s./kg dry soil) NOEL HEC 5725-des-chlorophenyl: >1000 mg
metabolite/ kg dry soil # |
# Includes EPPO
correction factor for the active substance of 2 - due to high organic matter
content of test soil and log Kow of > 2 (to allow for possible increased
adsorption of active / metabolite in test soil). The log Kow of the metabolites
is < 2 and therefore no correction factor required for these.
Effects on other soil macro-organisms that contribute to organic matter
breakdown (IIIA 10.6.2)
|
Species &
study type |
Test substance |
Ecological
endpoint |
Soil PEC # |
TER |
|
Folsomia candida: 28 day chronic study |
Technical
fluoxastrobin |
NOEC: 5 mg a.s. /
kg dry soil * |
0.242 |
21 |
|
Folsomia candida: 28 day chronic study |
HEC 5725-deschlorophenyl |
NOEC: 100 mg
metabolite / kg dry soil |
0.0149 |
6711 |
|
Hypoaspis aculeifer: 21 day chronic study |
Bayer UK 831 (100g
fluoxastrobin / litre) |
NOEC: 10 mg a.s.
/kg dry soil |
0.242 |
41 |
* Includes EPPO correction factor of 2 due to
high organic matter content of test soil and log Kow of > 2
# Combined
initial soil PEC following seed treatment with ‘Bayer UKA 148’ and the maximum
proposed spray dose of ‘Bayer UK 831’ – for details see Section B.8.3.
Note:
Current EC terrestrial ecotoxicology guidance includes TER trigger of 5 for
collembola / mites, values of less than this indicating need for a litter bag
study (SANCO 2002)
Results
of litter bag study:
Litter degradation in soil was not inhibited from seed treatment with ‘HEC 5725
FS050’ followed by spray treatment with ‘HEC 5725 EC100’ (% straw degradation in both treated and
untreated plots was 90% 154DAT). It was noted that the measured concentration
in soil samples taken 6 days after spray application was 0,121 mg a.s./kg dry
soil – equivalent to 50% of the estimated maximum (initial ) soil PEC of 0,242
mg a.s./kg dry soil. However, given the
lack of significant effects in this study, together with the acceptable risk
demonstrated for earthworms, soil macro-organisms, and soil micro-organisms,
the evidence is considered sufficient to indicate an acceptable risk to soil
organic matter decomposition processes.
Effects on soil micro-organisms (Annex IIA, point 8.5, Annex IIIA,
point 10.7)
|
Nitrogen
mineralization |
Technical fluoxastrobin:
Use at up to 2.83 mg fluoxastrobin / kg dry soil had no statistically
significant effects on nitrogen mineralization when assessed 28 DAT |
|
Carbon
mineralization |
Technical
fluoxastrobin & HEC 5725-des-chlorophenyl (M48): Use at up to 2.83 mg
fluoxastrobin / kg dry soil or of 2.73 mg HEC 5725-des-chlorophenyl / kg dry
soil had no statistically significant effects on carbon mineralization when
assessed 28 DAT |
Note:
Maximum soil PEC from proposed use (seed treatment plus foliar applications) =
0.242mg a.s. /kg dry soil.
Profiel prothioconazool
Prothioconazool is een nieuwe stof die nog niet geplaatst is op Annex I van
Richtlijn 91/414/EEG. Er is een concept-monografie beschikbaar. De RMS is
Engeland.
Voor de risicobeoordeling van
milieu-aspecten is gebruik gemaakt van de laatste eindpuntenlijst van november
2004. Nederlands commentaar (januari 2005) is cursief toegevoegd.
Route of
degradation (aerobic) in soil (Annex IIA, point 7.1.1.1.1)
|
Mineralization after 100 days at 20°C |
values are given for day 120: |
|
Non-extractable residues after 100 days
at 20°C |
values are given for day 120: |
|
Major metabolites - name and/or code, %
of applied (range and maximum) at 20°C after 100 days |
prothioconazole-S-methyl
(M01): prothioconazole-desthio
(M04): |
Route of
degradation in soil - Supplemental studies (Annex
IIA, point 7.1.1.1.2)
|
Anaerobic degradation |
Not applicable |
|
Soil photolysis |
phenyl-label Mineralisation at day 15: 0.7% Non-extractable residues at day 15:
25.5% Major metabolite: |
Rate of
degradation in soil (Annex IIA, point 7.1.1.2, Annex
IIIA, point 9.1.1)
|
Method of calculation |
ÒModelManager, Version 1.1,
1st order kinetics |
|
Laboratory studies (range or median,
with n value, with r2 value) |
DT50lab
(soil, aerobic, 20°C): prothioconazole (1st order): prothioconazole-S-methyl (M01)
(1st order) prothioconazole-desthio (M04)
(1st order) |
|
|
DT90lab
(soil, aerobic, 20°C): prothioconazole
(1st order): prothioconazole-S-methyl
(M01) (1st order) prothioconazole-desthio
(M04) (1st order) |
|
|
DT50/DT90 (soil
anaerobic): |
|
Field studies (state location, range or median with n value) |
Location: southern (two sites) and
northern (four sites) Europe, 1st order calculation prothioconazole: prothioconazole-desthio (M04): DT50f: range: 16.3 to 72.3 days, median: 42.0 days
(n = 6), r2: range: 0.91 – 0.98. (Maximum 72.3 days
value and 57.1% conversion rate used for PECsoil calculations). DT90f: range: 54.1 to 240 days, median: 140 days
(n = 6), r2: range: 0.91 – 0.98 prothioconazole (normalised for 20oC): prothioconazole-desthio (M04) (normalised for 20oC): DT50 20oC: range: 10.3 to 61.9 days, median:
22.05 days (n = 6), r2: range: 0.859 to 0.996.
Geometric mean: 22.7 days, used for PELMOgw modelling. (57.1% conversion rate
used for PELMOgw calculations) |
|
Soil accumulation and plateau concentration |
Not applicable |
Soil adsorption/desorption (Annex IIA, point 7.1.2)
a) Active substance:
|
|
Kd and Koc values
of prothioconazole determined in batch column leaching studies due to the
instability of the compound in these systems. |
|
Koc |
Koc: |
|
Kd |
Kd: |
|
pH dependence (yes / no) (if yes type of
dependence) |
No |
b) Major
metabolites:
Two major metabolites were performed
during soil metabolism
1.: prothioconazole-S-methyl (M01)
|
Koc Kd pH dependence (yes / no) (if yes type of
dependence) |
Koc: Kd: 1/n: No pH dependence |
2.: prothioconazole-desthio (M04)
|
Koc Kd pH dependence (yes / no) (if yes type of
dependence) |
Koc: Kd: 1/n: No pH dependence |
Mobility in soil (Annex IIA, point 7.1.3, Annex IIIA,
point 9.1.2)
|
Column leaching |
Guideline: SETAC (1995), BBA Part IV,
6-2 (1986) |
|
Aged residues leaching |
Guideline: US EPA 163-1 (1982) The total radioactivity in the leachate
accounted for only 1.1% of the AR, and no individual leachate fraction
resulted in a radioactivity content >0.2% of the AR. Therefore the
leachate fractions were not analysed for parent compound or metabolites. |
|
Lysimeter/ field leaching studies |
No data submitted, none required. |
Route
and rate of degradation in water (Annex IIA, point 7.2.1)
|
Hydrolysis of active substance and major
metabolites (DT50) (state pH and temperature) |
prothioconazole: DT50 at 25°C: pH 9, 7 and 4: > 1 year Stable with respect to hydrolysis under
environmental conditions. |
|
Photolytic degradation of active
substance and major metabolites |
prothioconazole: prothioconazole-desthio (M04): 1,2,4-triazole (M13): |
|
Readily biodegradable (yes/no) |
No data submitted, none required. |
|
Degradation in
Non-extractable residues in sediment: |
Aerobic lab sediment/water at 20oC DT50 water
- 0.8 and 1.0 days, 1st Order (1.0 day value used for PECsw
calculation) Hönniger Weiher: 14.7% AR at study end (121 days,
phenyl-label). 1.9% AR at study end (121 days, triazole-label). Angler Weiher: 29.0% AR at study end (121 days,
phenyl-label). 1.9% AR at study end (121 days, triazole-label). Hönniger Weiher: 50.8% AR at study end (121 days,
phenyl-label). 52.5% AR at study end (121 days, triazole-label). Angler Weiher: 31.3% AR at study end (121 days,
phenyl-label). 18.9% AR at study end (121 days, triazole-label). |
|
Distribution in water / sediment
systems |
System Hönniger Weiher: |
|
||||||
|
|
day |
phenyl-label |
triazole-label |
day |
phenyl-label |
triazole-label |
||
|
|
0 |
52.7 |
59.8 |
0 |
7.2 |
12.6 |
||
|
|
1 |
19.1 |
18.3 |
1 |
23.4 |
22.6 |
||
|
|
3 |
12.7 |
12.5 |
3 |
21.7 |
14.4 |
||
|
|
7 |
4.9 |
7.1 |
7 |
21.0 |
20.9 |
||
|
|
14 |
2.0 |
1.9 |
14 |
23.0 |
18.4 |
||
|
|
29 |
0.8 |
2.0 |
29 |
19.0 |
15.3 |
||
|
|
59 |
0.4 |
0.1 |
59 |
7.5 |
14.7 |
||
|
|
121 |
n.d. |
n.d. |
121 |
9.5 |
6.8 |
||
|
Distribution in water / sediment
systems |
System Angler Weiher: Water layer: |
|
||||||
|
|
day |
phenyl-label |
triazole-label |
day |
phenyl-label |
triazole-label |
||
|
|
0 |
68.7 |
76.3 |
0 |
17.0 |
13.6 |
||
|
|
1 |
32.9 |
39.2 |
1 |
21.0 |
18.3 |
||
|
|
3 |
9.9 |
11.0 |
3 |
15.3 |
14.7 |
||
|
|
7 |
1.7 |
1.7 |
7 |
11.8 |
10.4 |
||
|
|
14 |
0.8 |
0.9 |
14 |
8.0 |
7.7 |
||
|
|
29 |
0.4 |
0.7 |
29 |
5.8 |
6.9 |
||
|
|
59 |
0.2 |
0.4 |
59 |
5.1 |
4.4 |
||
|
|
121 |
0.4 |
n.d. |
121 |
3.4 |
3.3 |
||
|
Distribution in water / sediment
systems (metabolites) |
Five metabolites found in the water/sediment systems.
Prothioconazole-desthio (M04) and
1,2,4-triazole (M13) were found in
relevant amounts in the water layer. Conversion rates 32.3% and 37.2%,
respectively, used for the PECsw (spray drift) calculations. In the sediment
extracts prothioconazole-desthio (M04)
occurred as the only major metabolites. |
|||||||
Fate and
behaviour in air (Annex IIA, point 7.2.2, Annex III, point
9.3)
|
Direct photolysis in air |
Not studied – no data requested |
|
Photochemical oxidative degradation in
air (DT50) |
prothioconazole: prothioconazole-desthio (M04): |
|
Volatilization |
Laboratory route and rate soil studies
indicated that volatilisation of prothioconazole and prothioconazole-desthio
(M04) is unlikely to take place
because no volatiles were detected at levels above 0.1% AR.. |
Definition
of the Residue (Annex IIA, point 7.3)
|
Relevant to the environment |
Soil |
Prothioconazole
and prothioconazole-desthio (M04) |
|
|
Ground
water |
Prothioconazole
and prothioconazole-desthio (M04) |
|
|
Surface
water |
Prothioconazole
and prothioconazole-desthio (M04) 1,2,4-triazole
(M13) |
|
|
Sediment |
Prothioconazole and
prothioconazole-desthio (M04) |
Monitoring
data, if available (Annex IIA, point 7.4)
|
Soil (indicate location and type of
study) |
No data provided – none requested |
|
Surface water (indicate location and
type of study) |
No data provided – none requested |
|
Ground water (indicate location and type
of study) |
No data provided – none requested |
|
Air (indicate location and type of
study) |
No data provided – none requested |
Effects on
Non-target Species
Effects on birds (Annex
IIA, point 8.1, Annex IIIA, points 10.1)
|
Organisms |
Duration |
Test-substance |
Ecotoxicological
endpoint* |
|
Bobwhite
quail |
Acute |
a.s. |
LD50 > 2000 mg a.s./kg bw |
|
Bobwhite
quail |
5 d
dietary |
a.s. |
LC50 >
5000 mg a.s./kg diet calc. LD50
> 1413 mg a.s./ kg bw/day |
|
Mallard
duck |
5 d
dietary |
a.s. |
LC50 >
5000 mg a.s./kg diet calc. LD50
> 2457 mg a.s./kg bw/day |
|
Bobwhite
quail |
Reproduction |
a.s. |
NOEC ³ 1000
mg a.s./kg diet calc. NOEL ³ 86 mg
a.s./kg bw/day |
|
Mallard
duck |
Reproduction |
a.s. |
NOEC 700 mg a.s./kg diet calc. NOEL
78 mg a.s./kg bw/day |
|
Bobwhite
quail |
Acute |
JAU
6476-desthio |
LD50 > 2000 mg p.m./kg b.w. |
|
Bobwhite
quail |
5 d
dietary |
JAU
6476-desthio |
LC50 4090 mg p.m./kg diet |
|
Bobwhite
quail |
Reproduction |
JAU
6476-desthio |
NOEC
173 mg p.m./kg diet calc. NOEL 14.8 mg p.m./kg bw/day |
|
Mallard
duck |
Reproduction |
JAU 6476-desthio |
NOEC ³ 500 mg p.m./kg diet calc. NOEL 63 mg p.m./kg bw/day |
(*) Bold values are
relevant for risk assessment
Effects on mammals (Annex
IIIA, points 10.3)
|
Organism |
Duration, Exposure |
Test-substance |
Ecotoxicological
endpoint1 |
|
Rat |
acute, oral |
a.s. |
LD50(male, female) >
6200 mg a.s./kg bw/d |
|
Rat |
acute, oral |
EC 250 |
LD50(male,
female) > 2500 mg
a.s./kg bw/d |
|
Rat |
acute, oral |
FS 100 |
LD50(male,
female) > 2500 mg a.s./kg bw/d |
|
Rat |
long-term |
a.s. |
NOELparental
9.7 mg a.s./kg bw/d NOELreproduction 95.6 mg a.s./kg bw/d2 (=800mg/kg diet) |
|
Rat |
acute, oral |
JAU 6476-desthio |
LD50(female) 2506 mg p.m./kg bw/d LD50(male) 2806 mg p.m./kg bw/d |
|
Mouse |
acute, oral |
JAU 6476-desthio |
LD50(female) 3459 mg p.m./kg bw/d LD50(male) 2235 mg
p.m./kg bw/d |
|
Rat |
long-term (2-generation), oral |
JAU 6476-desthio |
NOELparental 2.5 mg p.m./kg bw/d NOELreproduction 10 mg
p.m./kg bw/d3 (=160mg/kg diet) |
1 Values in bold are appropriate for use in risk assessment for wild
mammals
2 The observed
decrease in thymus weight in this study was not associated with any
histopathological changes, suggesting that the function of the thymus was not
impeded. These differences are
considered unlikely to be of ecological concern. The thymus was not identified as a target organ for
prothioconazole or desthio. Section
B.6.4 concludes that “Prothioconazole was not associated with the selective
effects on the reproductive system or developing offspring in the absence of
toxicity in parent animals.” The Rapporteur therefore considers that it is
appropriate in this case to use the reproductive NOEC to assess the long term
risk to wild mammals at the population level.
3 This endpoint is based on differences in the number of
ribs at 10 mg desthio bw/d. These effects are not considered likely to result
in impacts at the population level, hence for first tier risk assessment the
reproductive NOEC will be used
Toxicity data for aquatic species (Annex IIA, point
8.2, Annex IIIA, point 10.2)
JAU 6476
|
Target species / Test substance |
Time-scale |
Toxicological Endpoint |
TER |
TER risk assessment trigger |
Result of refined risk assessment |
||
|
Fish |
|||||||
|
Oncorhynchus mykiss, a.s. |
acute |
LC50 1.83
mg a.s./L |
9941 |
100 |
not necessary |
||
|
Oncorhynchus mykiss, EC 250 |
acute |
LC50 1.00
mg a.s./L |
5431 |
100 |
not necessary |
||
|
Lepomis macrochirus, a.s. |
acute |
LC50 4.59
mg a.s./L |
24941 |
100 |
not necessary |
||
|
Cyprinus carpio, a.s. |
acute |
LC50 6.91
mg a.s./L |
38391 |
100 |
not necessary |
||
|
Cyprinus carpio, EC 250 |
acute |
LC50 3.72
mg a.s./L |
20671 |
100 |
not necessary |
||
|
Oncorhynchus mykiss (ELS), a.s. |
chronic |
NOEC 0.308 mg
a.s./L |
1671 |
10 |
not necessary |
||
|
Daphnia |
|||||||
|
Daphnia magna, a.s. |
acute |
EC50 1.3
mg a.s./L |
7221 |
100 |
not necessary |
||
|
Daphnia magna, EC 250 |
acute |
EC50 0.71
mg a.s./L |
3941 |
100 |
not necessary |
||
|
Daphnia magna, a.s. |
chronic |
NOEC 0.56 mg
a.s./L |
3041 |
10 |
not necessary |
||
|
Freshwater Algae |
|||||||
|
Pseudokirchneriella subcapitata, a.s. |
sub-chronic |
EbC50 1.10 mg a.s./L |
5981 |
10 |
not necessary |
||
|
Pseudokirchneriella subcapitata, EC250 |
sub-chronic |
EbC50 2.92 mg a.s./L |
15871 |
10 |
not necessary |
||
|
Sediment organisms |
|||||||
|
Chironomus riparius a.s. |
chronic |
NOEC 9.14 mg
a.s./L |
49671 |
10 |
not necessary |
||
|
Fish, Bioconcentration |
|||||||
|
Lepomis macrochirus |
BCF parent
(whole fish, normalised to 6% lipid content) 18.8 |
not necessary |
|||||
1 Based on a PEC of 0.00184 mg a.s./l (single
application: 200 g a.s./ha cereals, using SANCO/3628/2001 drift values)
Consideration of
effects of metabolites of JAU 6476 on aquatic organisms
JAU 6476-desthio
|
Target
species |
Time-scale |
Toxicological
Endpoint |
TER |
TER risk assessment trigger |
Result
of refined risk assessment |
|
Fish |
|||||
Oncorhynchus mykiss
|
acute |
LC50 6.63 mg p.m./L |
5666 |
100 |
not
necessary |
|
Leuciscus idus
melanotus |
acute |
LC50 13.2 mg p.m./L |
112821 |
100 |
not
necessary |
|
Oncorhynchus mykiss
(ELS) |
chronic |
NOEC 3.34 µg p.m./L |
2.91 |
10 |
TER = 14.12 |
Daphnia
|
|||||
|
Daphnia magna |
acute |
EC50 > 10 mg p.m./L |
>85471 |
100 |
not
necessary |
Daphnia magna
|
chronic |
NOEC 0.10 mg p.m./L |
85.41 |
10 |
not
necessary |
|
Freshwater Algae |
|||||
|
Scenedesmus
subspicatus |
sub-chronic |
EbC50 0.073 mg p.m./L |
59.81 |
10 |
not
necessary |
|
Sediment organisms |
|||||
|
Chironomus riparius |
chronic |
NOEC 2.0 mg p.m./L |
25641 |
10 |
not
necessary |
|
Fish,
Bioconcentration |
|||||
|
Lepomis macrochirus |
BCF
parent (whole fish, normalised to 6% lipid content) 45 |
not
necessary |
|||
1 Based on PEC of 0.00117 mg/l (3 @ 200 g a.s./ha,
spray drift at 1 m distance using SANCO/3628/2001 drift values)
2 Based
of PEC at 5 m distance (0.00024 mg/l)
JAU 6476-S-methyl
|
Target species |
Time-scale |
Toxicological Endpoint |
TER |
TER risk assessment trigger |
Result of refined risk assessment |
|
Fish |
|||||
|
Oncorhynchus mykiss |
acute |
LC50 1.8 mg p.m./L |
Not required1 |
100 |
not necessary |
|
Daphnia |
|||||
|
Daphnia magna |
acute |
EC50 2.8 mg p.m./L |
Not required1 |
100 |
not necessary |
|
Freshwater Algae |
|||||
|
Pseudokirchneriella subcapitata |
sub-chronic |
EbC50 3.77 mg p.m./L |
Not required1 |
10 |
not necessary |
1 TER values not calculated since JAU
6476-S-methyl was not identified as a major metabolite in fate & behaviour
section.
1,2,4-Triazole
|
Target
species |
Time-scale |
Toxicological
Endpoint |
TER |
TER risk assessment trigger |
Result of
refined risk assessment |
|
|
Fish |
||||||
|
Oncorhynchus mykiss |
acute |
LC50 498 mg p.m./L |
16600001 |
100 |
not
necessary |
|
|
Oncorhynchus mykiss |
chronic |
NOErC 3.2 mg a.s./L |
106661 |
10 |
not
necessary |
|
|
Daphnia |
|
|||||
|
Daphnia magna |
acute |
EC50 900 mg p.m./L |
30000001 |
100 |
not
necessary |
|
|
Freshwater
Algae |
|
|||||
|
Pseudokirchneriella subcapitata |
sub-chronic |
EbC50 14 mg p.m./L |
466661 |
10 |
not
necessary |
|
1 Based
on initial PEC of 0.0003 mg/l (3 x 200 g a.s./ha, cereals at 1 m distance using
SANCO/3628/2001 drift values)
Effects on honeybees
(Annex IIA, point 8.3.1, Annex IIIA, point 10.4)
|
Time-scale |
Species /
Formulation |
Endpoint |
QHO, QHC
(crop) |
QHO, QHC Trigger value |
Result of refined
risk assessment |
|
acute (oral) |
Apis mellifera a.s. |
LD50 > 71 µg a.s./bee |
2.8 |
50 |
Not necessary |
|
acute (contact) |
Apis mellifera a.s. |
LD50 > 200 µg a.s./bee |
1.0 |
50 |
Not necessary |
|
acute (oral) |
Apis mellifera EC 250 |
LD50>
48.7 µg a.s./bee |
4.1 (cereals) |
50 |
Not necessary |
|
acute (contact) |
Apis mellifera EC 250 |
LD50 > 200 µg a.s./bee |
1 (cereals) |
50 |
Not necessary |
Maximum application rate in cereals (200 g a.s./ha) is
greater than for oilseed rape, therefore due to low HQ values a separate risk
assessment is not required for oilseed rape
Effects on other
arthropod species (Annex
IIA, point 8.3.2, Annex IIIA, point 10.5)
|
Species |
Stage |
Test sub-stance1 |
Exposure, Application
rate |
Results2 |
Outcome of the risk
assessment |
|||
|
Predatory
mites |
||||||||
|
Typhlodromus pyri |
larvae/ adults |
EC 250 |
2 g a.s./ha |
LR50
= 18.7 g a.s./ha 11.2 4 |
No adverse effects to be expected in the
off-crop area. Higher tier study required for the in-crop
area. |
|||
|
Typhlodromus pyri |
larvae/ adults |
EC 250 |
100 g a.s./ha |
LR50
= 445.5 g a.s./ha corrected Effect on -2.3 14 |
No adverse effects to be expected in the off-
and in the in-crop area. |
|||
|
Typhlodromus pyri |
larvae/ adults |
EC 250 |
Ext.
lab., aged residues, Test
started 1 day after appl. |
14.5 7.5 |
No adverse effects to be expected in the off-
and in the in-crop area. |
|||
|
Parasitoids |
||||||||
|
Aphidius rhopalosiphi |
adults |
EC 250 |
1st run: 2nd run: |
LR50
= 139.9 g a.s./ha Corrected Effect on 1st
run: 2nd
run: |
No
adverse effects to be expected in the off-crop area. |
|||
|
Aphidius rhopalosiphi |
adults |
EC 250 |
Ext. lab., wheat plants, |
48
h mortality <5% in any of test concentrations. No
significant effect on reproduction in any treatment |
No
adverse effects in the off-crop or in the in-crop area |
|||
|
Species |
Stage |
Test sub-stance |
Exposure, Application
rate |
Results1 |
Outcome of the risk
assessment |
|||
Foliage
dwelling predators |
||||||||
|
Coccinella septempunc-tata |
larvae |
EC 250 |
EC
250 lab, glass plates, 46d control |
LR50
= 229.8 g a.s./ha Larvae per
- 147 effects
on reproduction are not considered to be treatment related (no adverse
effects on reproduction at the highest tested treatment rate). |
No
adverse effects to be expected in the off-crop area. |
|||
|
Chrysoperla carnea |
larvae |
EC 250 |
Lab glass plates, 23 d 200 g
a.s./ha |
Corrected Mortality [%] no
adverse effects on reproduction |
No adverse effects to be expected in the off-
and in the in-crop area. |
|||
|
Species |
Stage |
Test sub-stance |
Exposure, Application
rate |
Results1 |
Outcome of the risk
assessment |
|||
|
Ground
dwelling predators |
||||||||
|
Poecilus cupreus |
adults |
EC
250 |
Quartz
sand, 14 d 400 g
a.s./ha |
corrected Mortality [%] 0.0 no adverse effect on |
No adverse effects to be expected in the off-
and in the in-crop area. |
|||
|
Aleochara bilineata |
adults / larvae |
EC 250 |
Quartz
sand, 87 d 42 g
a.s./ha |
Effect
on reproduction [%] 2.5 |
No adverse effects to be expected in the off-
and in the in-crop area. |
|||
|
Poecilus
cupreus |
adults |
FS 100 |
FS 100, ext. lab., 14 d, soil (Lufa
2.1), dressed seeds, 22.47 g
a.s./ha |
corrected
Mortality [%] 5.6
- 9.6 |
No adverse effects to be expected |
|||
|
Aleochara
bilineata |
adults / larvae |
FS 100 |
FS 100, ext. lab., 90 d, soil (Lufa
2.1), dressed seeds, 19.34 g
a.s./ha |
Effect
on reproduction [%] 7.6 |
Study not acceptable for risk assessment |
|||
|
Aleochara
bilineata |
adults / larvae |
FS 100 |
FS 100, ext. lab., 82 d, soil (Lufa
2.1), dressed seeds, 19.34 g
a.s./ha |
Effect
on reproduction [%] 11.2 |
No adverse effects to be expected |
|||
|
Pardosa
spp. |
adults |
FS 100 |
FS 100, ext. Lab., 14 d, soil (Lufa
2.1), dressed seeds, 22.3 g
a.s./ha |
corrected
Mortality [%] -18 |
No adverse effects to be expected |
|||
|
* significantly
different from control (t-test p <0.05) 1 EC 250
(Proline): emulsifiable concentrate containing 250 g prothiaconazole/ litre
of formulation, FS 100F flowable concentrate (FS) containing 100 g
prothioconazole/ litre of formulation. 2 Results: x % effect on mortality = x %
increase of mortality compared to control y % effect on a sublethal parameter = y % decrease
of sublethal paramether compared to control (sublethal parameters are e.g. reproduction,
parasitism, food consumption) When effects are favourable for the test
organisms, a + sign is used for the sublethal effectpercentages (i.e.
increase compared to control) and a – sign for mortality effectspercentages
(i.e. decrease compared to control). 3not assessed
due to mortality > 50 % at this concentration |
Effects on
earthworms and other soil non-target macro-organisms (Annex IIA, point 8.4 and
point 8.6, Annex IIIA, point 10.6)
Effects on
earthworms, JAU 6476 EC 250 (spray application scenario)
|
Species |
Tested
Formulation |
Time-scale |
Endpoint |
TERcorr1, 2 |
TER risk assessment trigger |
Result
of |
|
Eisenia fetida |
a.s. |
Acute |
LC50 > 1000 |
> 3759 |
10 |
Refined risk assessment |
|
Eisenia fetida |
EC 250 |
Acute |
LC50 > 249.3 |
> 1526 |
10 |
Refined risk assessment |
|
Eisenia fetida |
EC 250 |
long-term |
NOEC 1.33 |
8.25 |
5 |
No adverse effects to be expected, see results of
the field study. |
|
Eisenia fetida |
EC 250 |
field study |
3 ´ 200 g a.s./ha |
1 |
No further refinement necessary |
|
1 using toxicity values adjusted by a factor of 2
to correct for the lipophilic character of the test substance (log Pow
> 2) and the high organic matter content (peat) of 10 % in the test substrate.
2 based on maximum PEC of 0.08 mg a.s./kg soil
(200 g a.s./ha cereals)
Effects on other
soil non-target macro-organisms, JAU 6476 EC 250 (spray application scenario)
|
Species |
Tested Formulation |
Endpoint |
TER3 |
TER risk assessment trigger |
Result
of |
|
Folsomia candida |
a.s. |
NOEC 64 |
2401 |
5 |
Refined risk assessment |
|
Hypoaspis aculeifer |
a.s. |
NOEC 100 |
1250 |
5 |
Refined risk assessment |
1 using toxicity values adjusted by a factor of 2
to correct for the lipophilic character of the test substance (log Pow
> 2) and the high organic matter content (peat) of 10 % in the test
substrate.
2 Lufa 2.1 soil, ca. 0.9 % organic carbon
therefore no need to correct toxicity endpoint
3 based on maximum PEC of 0.133 mg a.s./kg soil
(200 g a.s./ha cereals)
Soil
litter degradation study (combined spray application and seed treatment
scenario)
|
Type of study |
Time scale |
Test- |
Ecotoxicological
endpoint: |
Result
of |
|
Field Soil Litter Degradation |
126 days |
FS 100 (23.2 g a.s./ha) followed by JAU 6476
|
after 34 days: after 95 days: after 126 days: test
item: 92.0; control 91.2 |
Not necessary |
Consideration of effects of metabolites of JAU 6476 (spray application
scenario)
Effects of
metabolites on earthworms (spray application scenario)
|
Species |
Test substance |
Time-scale |
Endpoint |
TER |
TER risk assessment trigger |
Result
of |
|
Eisenia fetida |
JAU 6476-desthio |
acute |
LC50 > 1000 |
> 34961, 2 |
10 |
Not necessary |
|
Eisenia fetida |
JAU 6476-desthio |
long-term |
NOEC 1 |
3.51, 2 |
5 |
No adverse effects to be expected, see results of
the field study. |
|
Eisenia fetida |
JAU 6476-S-methyl |
acute |
LC50
> 1000 |
|
10 |
Not necessary |
|
Eisenia fetida |
JAU 6476-S-methyl |
long-term |
NOEC 100 |
|
5 |
Not necessary |
1 using toxicity values adjusted by a factor of 2
to correct for the lipophilic character of the test substance (log Pow
> 2) and the high organic matter content (peat) of 10 % in the test
substrate.
2 based on maximum PEC of 0.143 mg desthio/kg soil
(assuming 3 x 200 g a.s./ha plus seed treatment (cereals))
Effects of
metabolites on other soil non-target macro-organisms (spray application
scenario)
|
Species |
Test stubstance |
Time-scale |
Endpoint |
TER1, 2 |
TER risk assessment trigger |
Result
of |
|
Folsomia candida |
JAU 6476-desthio |
long-term |
NOEC 62.5 |
218 |
5 |
Not necessary |
|
Folsomia candida |
JAU 6476-S-methyl |
long-term |
NOEC 31.6 |
3 10% |
5 |
Not necessary |
1 using
toxicity values adjusted by a factor of 2 to correct for the lipophilic
character of the test substance (log Pow > 2) and the high
organic matter content (peat) of 10 % in the test substrate.
2 based on maximum PEC of 0.082 mg desthio/kg soil
(assuming 3 x 200 g a.s./ha plus seed treatment (cereals))
3 TER values not calculated since JAU
6476-S-methyl was not identified as a major metabolite in fate & behaviour
section.
Effects on soil micro-organisms (Annex IIA, point 8.5, Annex IIIA, point
10.7)
JAU 6476 a.s.
|
Type of study |
Duration |
Endpoint / Outcome |
Result
of |
|
C-cycle |
28 d |
2.0 kg a.s./ha no
influence |
not necessary |
|
N-cycle |
28 d |
2.0 kg a.s./ha no
influence |
not necessary |
Consideration of
effects of metabolites of JAU 6476 on soil non-target micro-organisms
JAU 6476-desthio
|
Type of study |
Duration |
Endpoint / Outcome |
Result
of |
|
N-cycle |
28 d |
0.2 kg p.m./ha no influence |
not necessary |
|
N-cycle |
28 d |
1.0 kg p.m./ha no influence |
not necessary |
JAU 6476-S-methyl
|
Type of study |
Duration |
Endpoint / Outcome |
Result
of |
|
C-cycle |
28 d |
2.0 kg p.m./ha no influence |
not necessary |
|
N-cycle |
28 d |
2.0 kg p.m./ha no influence |
not necessary |
Effects on
non-target terrestrial plants (Annex IIA, point 8.6, Annex IIIA, point 10.8)
Effects of JAU 6476 on non-target terrestrial plants
|
Type of test |
Test substance |
Most sensitive
species |
Tested application
rate |
Max. phytotoxic
effect [%] |
Result
of |
|
Pre-emergence |
JAU 6476 a.s. |
Amaranthus retroflexus |
200 g a.s./ha |
5 |
not necessary |
|
Post-emergence |
|
Amaranthus retroflexus, Beta vulgaris |
250 g a.s./ha |
10 |
not necessary |
|
Pre-emergence |
JAU 6476 |
Amaranthus
retroflexus |
200 g a.s./ha |
5 |
not necessary |
|
Post-emergence |
|
- |
250 g a.s./ha |
0 |
not necessary |
Profiel middel FANDANGO
Ecotoxicologie
Toxiciteit voor aquatische organismen
algen:
FANDANGO is giftig voor algen: 96-uurs EC50:
0,60 mg w.s./L. Zie voor een overzicht van de algentoxiciteit tabel M.2.
Tabel M.2 Overzicht algentoxiciteit
|
Middel |
Organisme |
96-uurs EC50 [mg w.s./L] |
Opmerkingen |
|
FANDANGO |
Pseudokirchneriella
subcapitata |
0,6 |
EbC50 |
|
Fluoxastrobin |
Pseudokirchneriella
subcapitata |
0,3 |
Aandeel fluoxastrobin |
|
Prothioconazool |
Pseudokirchneriella
subcapitata |
0,3 |
Aandeel prothioconazool |
kreeftachtigen:
FANDANGO is
acuut zeer giftig voor kreeftachtigen: 48-uurs LC50: 1,38 mg w.s./L.
Zie voor een overzicht van de acute toxiciteit voor kreeftachtigen tabel M.3.
Tabel M.3 Overzicht acute toxiciteit voor kreeftachtigen
|
Middel |
Organisme |
48-uurs EC50 [mg w.s./L] |
Opmerkingen |
|
FANDANGO |
Daphnia magna |
1,38 |
Statisch |
FANDANGO is acuut zeer giftig
voor vissen: 96-uur LC50: 0,658 mg w.s./L. Zie voor een overzicht
van de acute toxiciteit voor vissen tabel M.4.
Tabel M.4 Overzicht
acute toxiciteit voor vissen
|
Middel |
Organisme |
96-uur LC50 [mg w.s./L] |
Opmerkingen |
|
FANDANGO |
Oncorhynchus
mykiss |
0,658 |
Geen |
Toxiciteit voor terrestrische organismen
bijen en
hommels:
Het middel FANDANGO is acuut
oraal weinig giftig voor bijen: acuut orale LD50: >108 µg/bij en
voor acuut contact weinig giftig: acuut contact LD50: >100 µg/bij
(Apis mellifera). Zie voor een
overzicht van de acuut orale en acuut contact toxiciteit voor bijen en hommels
tabel M.5.
Tabel M.5 Overzicht acuut orale en acuut contact
toxiciteit voor bijen en
hommels
|
Middel |
Organisme |
LD50 [mg w.s./bij] |
LD50 [µg/bij] |
|
FANDANGO |
Apis
mellifera |
> 130,2 (oraal) |
>651 |
|
|
|
262,6 (contact) |
1313 |
niet-doelwit
arthropoden:
Het middel FANDANGO is weinig schadelijk. Zie
voor een overzicht van de reductiepercentage voor niet-doelwit arthropoden
tabel M.6.
Tabel M.6 Overzicht reductiepercentages van
FANDANGO voor niet-doelwit arthropoden
|
|
Organisme |
Dosering (L/ha) |
fluoxastrobin (kg/ha) |
prothioconazool (kg/ha) |
% adverse effect1 |
|
|
|
Extended lab |
|
|
|
|
|
|
|
|
Exposure on
barley leaves |
Aphidius
rhopalosiphi |
3,0 |
0,300 |
0,300 |
10% 26% LR50> 0,6 kg
w.s./ha |
Mortaliteit Parasitisme |
|
|
Exposure on maize leaves |
Typhlodromus
pyri |
1,5 3,0 |
0,150 0,300 |
0,150 0,300 |
4% 46% 19% 85% LR50> 0,6 kg w.s./ha |
Mortaliteit Reproduction Mortaliteit Reproduction |
|
|
Test
substance FANDANGO = 100g fluoxastrobin/L and 100g prothioconazool /L 1 Adverse effect means: x %
effect on mortality = x % increase of mortality compared to control y % effect on a sublethal parameter = y % decrease
of sublethal paramether compared to control (sublethal parameters are e.g. reproduction,
parasitism, food consumption) When effects are favourable for the test organisms, a + sign is used for the sublethal
effectpercentages (i.e. increase compared to control) and a – sign for
mortality effectspercentages (i.e. decrease compared to control). |
regenwormen:
Het middel FANDANGO is acuut
weinig giftig voor regenwormen: 14-dagen LC50: > 200 mg w.s./kg
bij 10% organische stof (Eisenia fetida),
genormaliseerd naar 5% organische stof bedraagt de LC50: 100 mg
w.s./kg. Zie voor een overzicht van de acute toxiciteit voor regenwormen tabel
M.7.
Tabel M.7 Overzicht acute toxiciteit voor
regenwormen
|
Middel + w.s. |
Organisme |
14-dagen LC50 [mg/kg] |
Opmerkingen |
|
FANDANGO |
Eisenia fetida |
>1000 |
Geen |
|
Fluoxastrobin |
Eisenia fetida |
>100 |
Geen |
|
Prothioconazool |
Eisenia fetida |
>100 |
Geen |
FANDANGO is sublethaal weinig
giftig voor regenwormen: 56-dagen NOEC: 7,5L/ha (Eisenia fetida). Zie voor een overzicht van de sublethale
toxiciteit voor regenwormen tabel M.8.
Tabel M.8 Overzicht sublethale toxiciteit voor
regenwormen
|
Middel + w.s. |
Organisme |
56-dagen NOEC [mg/kg] |
Opmerkingen |
|
FANDANGO |
Eisenia fetida |
7,5 L/ha |
5 % o.m. |
|
Fluoxastrobin |
Eisenia fetida |
750 g/ha |
Geen |
|
Prothioconazool |
Eisenia
fetida |
750 g/ha |
Geen |
bodemmicro-organismen:
FANDANGO is weinig giftig voor
bodemmicro-organismen: bij toepassing van een dosering
van 4 kg w.s./ha, (4,56 mg/kg) met 1 grondsoorten (loamy sand) werd een maximaal effect waargenomen van
respectievelijk 8% en 2%. Zie voor een overzicht van de effectpercentage voor
bodemmicro-organismen tabel M.9.
Tabel M.9 Overzicht effectpercentages voor
bodemmicro-organismen
|
Middel |
Bodem |
Proces |
% effect |
Opmerkingen |
|
FANDANGO |
sandy loam |
Nitrificatie |
8 |
Remming |
|
|
|
Respiratie |
2 |
Remming |
Beoordeling
van het risico voor het milieu
Persistentie en uitspoeling
Persistentie in de bodem
Beoordeling
fluoxastrobin
Voor fluoxastrobin is een
gemiddelde DT50-waarde van 122,7 dagen beschikbaar (range
12 – 356 dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat fluoxastrobin een gemiddelde DT50-waarde heeft
van >90 dagen. Er is een gemiddelde veld DT50-waarde voor
Noord-Europa (gecorrigeerd naar 20°C) van 40,3 dagen (range 9,5 -56 dagen) en is daarmee
< 90 dagen. De gemiddelde veld DT90 is 265 dagen (range 53,8 –
395 dagen) en is daarmee < 1 jaar.
Tevens kan met voldoende
zekerheid worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70% grondgebonden
residu van de begindosis in combinatie met minder dan 5% CO2 van de
begindosis zal zijn gevormd. Daarmee wordt voldaan aan de normen voor
persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Voor de metaboliet M48
(fluoxastrobin-des-chlorophenyl) is een gemiddelde DT50-waarde van
60,2 dagen beschikbaar (range 33,8 – 99,8 dagen). Op basis van deze gegevens blijkt
dat M48 een gemiddelde DT50-waarde heeft van
<90 dagen. Tevens kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat na 100
dagen er meer dan 70% grondgebonden residu van de begindosis in combinatie met
minder dan 5% CO2 van de begindosis zal zijn gevormd. Daarmee wordt
voldaan aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in de Uniforme
Beginselen (UB).
Metaboliet M40
(fluoxastrobin-carboxyl-acid) is alleen gevonden bij anaerobe afbraak. Er is
een gemiddelde DT50-waarde van 19,2 dagen beschikbaar (range 10,9 –
25,1dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat M40 een
gemiddelde DT50-waarde heeft van <90 dagen. Tevens kan met
voldoende zekerheid worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70%
grondgebonden residu van de begindosis in combinatie met minder dan 5% CO2
van de begindosis zal zijn gevormd. Daarmee wordt voldaan aan de normen voor
persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Beoordeling
prothioconazole
Voor prothioconazole is een
gemiddelde DT50-waarde van 0,785 dagen beschikbaar (range 0,3 – 1,27
dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat prothioconazole
een gemiddelde DT50-waarde heeft van <90 dagen. Tevens kan met
voldoende zekerheid worden uitgesloten dat na 100 dagen er meer dan 70%
grondgebonden residu van de begindosis in combinatie met minder dan 5% CO2
van de begindosis zal zijn gevormd. Daarmee wordt voldaan aan de normen voor
persistentie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Voor de metaboliet
prothioconazole-S-methyl is een gemiddelde DT50-waarde van 17,7
dagen beschikbaar (range 5,9 – 46 dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat prothioconazole-S-methyl een gemiddelde DT50-waarde
heeft van <90 dagen. Tevens kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten
dat na 100 dagen er meer dan 70% grondgebonden residu van de begindosis in
combinatie met minder dan 5% CO2 van de begindosis zal zijn gevormd.
Daarmee wordt voldaan aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in de
Uniforme Beginselen (UB).
Voor de metaboliet
protioconazole-desthio is een gemiddelde DT50-waarde van 24,1 dagen
beschikbaar (range 7,0 – 34 dagen). Op basis van deze gegevens blijkt dat prothioconazole-desthio een gemiddelde DT50-waarde
heeft van <90 dagen. Tevens kan met voldoende zekerheid worden uitgesloten
dat na 100 dagen er meer dan 70% grondgebonden residu van de begindosis in
combinatie met minder dan 5% CO2 van de begindosis zal zijn gevormd.
Daarmee wordt voldaan aan de normen voor persistentie zoals opgenomen in de
Uniforme Beginselen (UB).
Uitspoeling naar het ondiepe grondwater
Beoordeling
fluoxastrobin
Voor de berekening van
uitspoeling en accumulatie is voor fluoxastrobin (en metabolieten) uitgegaan
van de volgende invoergegevens:
|
PEARL: DT50 voor afbraaksnelheid in grond (bij 20°C): · Fluoxastrobin: 122,7 dagen (range
12 - x 356 dagen). ·
M48: 60,2 dagen (range 33,8 – 99,8 dagen). ·
M40: 19,2 dagen (range 10,9 – 25,1 dagen). · Kom (pH-onafhankelijk): · Fluoxastrobin: 499 L/kg. · M48: 35 L/kg · M40: 35 L/kg · Verzadigde dampspanning: 5,6 x 10-10 Pa (20°C) Oplosbaarheid in water: 2,29 g/L (20°C) Molecuulmassa: Fluoxastrobin:458,8 g/mol.
M48:348,3 g/mol M40: 417,8 g/mol Maximale vormingspercentages: M48: 32,2% M40:12,7% Dosering moederstof: 0,15 kg/ha Frequentie: 2 Interval: 21 Interceptie gewas: 0,5 Overige parameters: standaard
instelling PEARL |
Op basis van de
standaardberekening met het PEARL-model gelden voor fluoxastrobin de volgende
verwachtingen voor voorjaarstoepassing:
-een concentratie in het ondiepe
grondwater van <0,01 mg/L;
-een uitspoeling uit de bovenste
meter van de bodem van 0% van de dosering
-een restant van de dosering in
de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van
19,9 µg/kg.
Voor de metabolieten is er
gecorrigeerd voor het maximale vormingspercentage en molecuulgewicht.
Voor de metaboliet M48 worden
de volgende verwachtingen voor voorjaarstoepassing berekend:
-een concentratie in het ondiepe
grondwater van 0,198 mg/L;
-een uitspoeling uit de bovenste
meter van de bodem van 0% van de dosering;
-een restant van de dosering in
de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van 0 µg/kg.
Voor de metaboliet M40 worden
de volgende verwachtingen voor voorjaarstoepassing berekend:
-een concentratie in het ondiepe
grondwater van <0,01 mg/L;
-een uitspoeling uit de bovenste
meter van de bodem van 0,79% van de dosering;
-een restant van de dosering in
de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van 1,3 µg/kg.
Uit bovenstaande blijkt dat de
verwachte uitspoeling op grond van PEARL-modelberekeningen voor fluoxastrobin
en de metaboliet M40, voor al deze toepassingen kleiner is dan 0,01 mg/L.
Derhalve voldoen de toepassingen aan de norm voor uitspoeling conform de
Uniforme Beginselen (UB). Voor metaboliet M48 wordt de norm wel overschreden en
wordt hieronder een verfijnde risicobeoordeling uitgevoerd.
Verfijnde
risicobeoordeling
De norm
voor uitspoeling naar het grondwater, zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen
(UB) is 0,1 mg/L. Deze norm wordt in de eerste
tier voor metaboliet M48 overschreden. Derhalve wordt een berekening met
GeoPEARL uitgevoerd.
De nieuwe beslisboom uitspoeling
inclusief het nieuwe model GeoPEARL zijn eind 2004 vrijgegeven voor gebruik in
de toelatingsbeoordeling.
In een brief van
minister Veerman van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
aan de voorzitter van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen
(CTB), vraagt hij het CTB om te anticiperen op de revisie van de Regeling
uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Rumb 2000) voor wat
betreft de beoordeling van uitspoeling naar het grondwater.
Dit verzoek is gebaseerd op artikel 6 van de Bestrijdingsmiddelenwet
(stand van de wetenschap) in combinatie met artikel 6 van de Regeling (nieuwe
modellen).
De methodologie zoals beschreven
in het rapport "The new decision tree
for the evaluation of pesticide leaching from soils", A.M.A van der
Linden, J.J.T.I. Boesten, A.A. Cornelese, R. Kruijne, M. Leistra, J.B.H.J
Linders, J.W. Pol, A. Tiktak and A.J Verschoor, RIVM report 601450019/2004,
RIVM, Bilthoven (2004) dient te worden gehanteerd.
Voor de berekening met
GeoPEARL worden de onderstaande invoerwaarden gebruikt:
GeoPEARL
DT50 voor afbraaksnelheid in grond bij 20 °C:
· 60,2 d.
Kom:
· 35 L/kg.
Overige instellingen:
Verzadigde dampspanning: 5,6 · 10-10 Pa (20 °C).
Oplosbaarheid in water: 2,29 mg/L (20 °C).
Molaire massa: 348,3 g/mol.
Gewas: winter wheat
Toepassingstijdstip: 25 mei en 15 juni.
Dosering: 2 x 0,048 kg/ha (50% interceptie).
Overige parameters: standaard instelling GeoPEARL.
Op basis van de berekeningen met het GeoPEARL-model gelden voor metaboliet M48 de volgende verwachtingen voor de ruimtelijke 90-percentiel grondwaterconcentratie voor voorjaarstoepassingen:
· een concentratie in het ondiepe grondwater van 0,20 mg/L.
Hiermee wordt vooralsnog niet voldaan aan de norm voor uitspoeling.
Relevantie metabolieten
In de EU-beoordeling is
Metaboliet M48 toxicologisch niet relevant verklaard.
In
de monografie van fluoxastrobin zijn studies opgenomen waaruit blijkt dat M48
weinig giftig is voor alg, kreeftachtige en vis (L(E)C50 > 100
mg/L) en voor regenwormen
(LC50 > 1000 mg/kg). In een studie met bodemmicro-organismen zijn
geen effecten van EU waargenomen. De metaboliet vertoont geen werkzaamheid en
is daarnaast humaan-toxicologisch niet relevant (zie profiel humane
toxicologie). M48 kan derhalve ten aanzien van de milieueffecten als een niet
relevante metaboliet worden aangemerkt en behoeft geen toetsing aan de norm
voor uitspoeling volgens de Uniforme beginselen.
Beoordeling
prothioconazool
Voor de berekening van uitspoeling en accumulatie is voor prothioconazole (en
metabolieten) uitgegaan van de volgende invoergegevens:
|
PEARL: DT50 voor afbraaksnelheid in grond (bij 20°C): · Prothioconazole: 0,785 dagen
(range 0,3 - x 1,27dagen). ·
Prothioconazole-S-methyl: 17,7 dagen (range 5,9 –
46 dagen). · Prothioconazole-desthio: 24,1
dagen (range 7,0 - 34 dagen). · Kom (pH-onafhankelijk): ·
Prothioconazole: 1038 L/kg. ·
Prothioconazole-S-methyl: 338 L/kg · Prothioconazole-desthio: 1504 L/kg. · Verzadigde dampspanning: <4,0 x 10-7 Pa (20°C) Oplosbaarheid in water: 0,3 g/L (20°C) Molecuulmassa: Prothioconazole: 344,26 g/mol. ·
Prothioconazole-S-methyl: 358,3 g/mol Prothioconazole-desthio: 313,3 g/mol Maximale vormingspercentages: ·
Prothioconazole-S-methyl: 14,6% Prothioconazole-desthio: 49,4%
Doseringmoederstof: 0,15 kg/ha Frequentie: 2 Interval: 21 Interceptie gewas: 0,5 Overige parameters: standaard
instelling PEARL |
Op basis van de
standaardberekening met het PEARL-model gelden voor prothioconazole de volgende
verwachtingen voor voorjaarstoepassing:
-
een
concentratie in het ondiepe grondwater van <0,01 mg/L;
-
een
uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van 0% van de dosering;
-
een
restant van de dosering in de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van 0 µg/kg.
Voor de metabolieten is er
gecorrigeerd voor het maximale vormingspercentage en molecuulgewicht.
Voor de metaboliet
prothioconazole-S-methyl worden de volgende verwachtingen voor
voorjaarstoepassing berekend:
-
een
concentratie in het ondiepe grondwater van <0,01 mg/L;
-
een
uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van 0% van de dosering;
-
een
restant van de dosering in de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van 0 µg/kg.
Voor de metaboliet
prothioconazole-desthio worden de volgende verwachtingen voor
voorjaarstoepassing berekend:
-
een
concentratie in het ondiepe grondwater van <0,01 mg/L;
-
een
uitspoeling uit de bovenste meter van de bodem van 0% van de dosering;
-
een
restant van de dosering in de bouwvoor overeenkomstig een gehalte van 0 µg/kg.
Uit bovenstaande blijkt dat de
verwachte uitspoeling op grond van PEARL-modelberekeningen voor prothioconazole
en de metabolieten, voor al deze toepassingen kleiner is dan 0,01 mg/L
derhalve voldoen de toepassingen aan de norm voor uitspoeling conform de
Uniforme Beginselen (UB).
Meetgegevens
Er zijn geen meetgevens van fluoxastrobin
of prothioconazole bekend.
Risicobeoordeling voor aquatische organismen
Risicobeoordeling voor waterorganismen
In tabel
M.10 zijn voor fluoxastrobin, metaboliet M48, prothioconazole, en de
metabolieten prothioconazole-desthio en 1,2,4-triazole de normen
voor toxiciteit waterorganismen afgeleid. De normen voor acute blootstelling
zijn 0,01 maal de L(E)C50-waarde (kreeftachtigen en vissen) en 0,1
de laagste NOEC-waarde /EC50-waarde voor algen. Per organisme wordt
de laagste waarde als norm genomen. De normen voor chronische blootstelling
zijn 0,1 maal de laagste NOEC-waarde voor zowel kreeftachtigen als vissen. Per
organisme wordt de laagste waarde als norm genomen.
Tabel M.10 Overzicht normen fluoxastrobin, prothioconazole en metabolieten
|
Stof |
Organisme |
Laagste |
Veiligheids-factor |
Norm |
||
|
|
|
L(E)C50
[mg/L] |
NOEC [mg/L] |
|
[mg/L] |
[mg/L] |
|
Fluoxastrobin |
Acuut
|
|
|
|
|
|
|
|
Alg |
0,35 |
|
10 |
0, 035 |
35 |
|
|
Kreeftachtigen |
0,48 |
|
100 |
0,0048 |
4,8 |
|
|
Vissen |
0,44 |
|
100 |
0,0044 |
4,4 |
|
|
Chronisch
|
|
|
|
|
|
|
|
Kreeftachtigen |
|
0,18 |
10 |
0,018 |
18 |
|
|
Vissen |
|
0,029 |
10 |
0,0029 |
2,9 |
|
|
Sediment organisme |
|
1,2 |
10 |
0,12 |
120 |
|
M48 |
Acuut
|
|
|
|
|
|
|
|
Alg |
100 |
|
10 |
10 |
10000 |
|
|
Kreeftachtigen |
>100 |
|
100 |
>1 |
>1000 |
|
|
Vissen |
>102 |
|
100 |
>1 |
>1000 |
|
Prothioconazole |
Acuut
|
|
|
|
|
|
|
|
Alg |
1,1 |
|
10 |
0,11 |
110 |
|
|
Kreeftachtigen |
1,3 |
|
100 |
0,013 |
13 |
|
|
Vissen |
1,83 |
|
100 |
0,018 |
18 |
|
|
Chronisch
|
|
|
|
|
|
|
|
Kreeftachtigen |
|
0,56 |
10 |
0,056 |
46 |
|
|
Vissen |
|
0,308 |
10 |
0,031 |
31 |
|
Prothioconazole-desthio |
Acuut
|
|
|
|
|
|
|
|
Alg |
0,073 |
|
10 |
0,0073 |
73 |
|
|
Kreeftachtigen |
10 |
|
100 |
0,1 |
100 |
|
|
Vissen |
6,63 |
|
100 |
0,0663 |
66,3 |
|
|
Chronisch
|
|
|
|
|
|
|
|
Kreeftachtigen |
|
0,1 |
10 |
0,01 |
10 |
|
|
Vissen |
|
3,34 |
10 |
0,334 |
334 |
|
1,2,4-triazole |
Acuut
|
|
|
|
|
|
|
|
Alg |
14 |
|
10 |
1,4 |
1400 |
|
|
Kreeftachtigen |
900 |
|
100 |
9 |
9000 |
|
|
Vissen |
498 |
|
100 |
4,98 |
4980 |
|
|
Chronisch
|
|
|
|
|
|
|
|
Vissen |
|
3,2 |
10 |
0,32 |
320 |
In Tabel M.11 zijn
de toxiciteitswaarden van fluoxastrobin en prothioconazole op basis van het
middel FANDANGO weergegeven.
Tabel M.11 Overzicht normen FANDANGO
|
Middel |
Organisme |
Laagste |
Veiligheids-factor |
Norm |
||
|
|
|
L(E)C50
[mg w.s./L] |
NOEC [mg/L] |
|
[mg/L] |
[mg/L] |
|
FANDANGO |
Acuut
|
|
|
|
|
|
|
|
Alg |
0,60 |
|
10 |
0, 06 |
60 |
|
|
Kreeftachtigen |
1,38 |
|
100 |
0,014 |
13,8 |
|
|
Vissen |
0,66 |
|
100 |
0,0066 |
6,6 |
Het risico voor waterorganismen voor de verschillende toepassingen van fluoxastrobin wordt ingeschat met behulp van berekeningen van de concentraties in het oppervlaktewater (sloot van 30 cm diepte) die ontstaan door overwaaien van fluoxastrobin. Het overwaaipercentage is afhankelijk van de toepassing. De concentraties in het oppervlaktewater worden berekend m.b.v. het model TOXSWA, waarbij voor fluoxastrobin (en de metabolieten) de volgende gegevens worden ingevoerd:
|
TOXSWA: DT50 voor afbraaksnelheid in water bij 20°C: Fluoxastrobin: 163 dagen Prothioconazole: 2,8 dagen DT50 voor afbraaksnelheid in sediment bij 20°C: 10.000 dagen. Kom voor zwevend organische stof: Fluoxastrobin: 449L/kg Prothioconazole: 1038 L/kg Kom voor sediment: Fluoxastrobin: 449 L/kg Prothioconazole: 1038 L/kg Verzadigde dampspanning: Fluoxastrobin: 5,6 x 10-10 Pa (20°C) Prothioconazole : <4,0 x 10-7 Pa (20°C) Oplosbaarheid in water: Fluoxastrobin: 2,29 g/L (20°C) Prothioconazole: 0,3 g/L (20°C) Molecuulmassa: Fluoxastrobin: 458,8 g/mol M48:348,3 g/mol Prothioconazole: 344,26 g/mol. · Prothioconazole-desthio: 312,2 g/mol 1,2,4-triazole: 69,07 g/mol. Overige parameters: standaard instelling TOXSWA |
Aangezien er nog geen standaard methode is om de
afzonderlijke afbraaksnelheden in water en sediment uit de water/sedimentstudie
te bepalen, wordt voorlopig de DT50 systeem in de waterfase
ingevuld en wordt geen afbraak in het sediment verondersteld. Dit laatste wordt
gesimuleerd door een DT50-waarde van 10.000 dagen in te voeren. Deze methode komt overeen met de methode zoals
gebruikt in SLOOTBOX, er is als zodanig geen aanpassing van het toetsingskader.
In de tabel M.12 is voor fluoxastrobin, prothioconazole en
de metabolieten het overwaaipercentage en
de berekende maximale concentratie in het oppervlaktewater aangegeven. Voor
M48 is het overwaaipercentage en de berekende concentratie in het
oppervlaktewater aangegeven. Er is uitgegaan van een relatieve
molecuulmassa van 91% en een vormingspercentage van maximaal 15,9%. Voor prothioconazole-desthio is het overwaaipercentage
en de berekende concentratie in het oppervlaktewater aangegeven. Er is
uitgegaan van een relatieve molecuulmassa van 76% en een vormingspercentage van
maximaal 32,3%. Voor 1,2,4-triazole is
het overwaaipercentage en de berekende concentratie in het oppervlaktewater
aangegeven. Voor 1,2,4-triazole is
uitgegaan van een relatieve molecuulmassa van 20% en een vormingspercentage van
maximaal 37,2%.
Omdat voor de metabolieten de DT50
in water onbekend is, is de DT50 van de parent gebruikt en wordt
hieraan getoetst.
In tabel M.13 is aangegeven of er en zo ja, in
welke mate, overschrijding plaatsvindt van de normen voor waterorganismen.
Tabel M.12 Overzicht concentraties fluoxastrobin, fluoxastrobin-desthio
en 1,2,4-triazole in oppervlaktewater
|
Stof |
Dosering w.s. |
Freq. |
Emissie |
Corr.1 |
PIEC [mg/L]2 |
PEC212 |
PEC282 |
|
|
[kg/ha] |
|
[%] |
|
voorjaar |
voorjaar |
voorjaar |
|
Fluoxastrobin |
0,15 |
2 |
10 |
1 |
1,24 |
0,88 |
0,80 |
|
M48 |
0,15 |
2 |
10 |
0,12 |
0,15 |
- |
- |
|
Prothioconazole |
0,15 |
2 |
10 |
1 |
0,78 |
0,27 |
0,303 |
|
Prothioconazole-desthio |
0,15 |
2 |
10 |
0,29 |
0,23 |
0,078 |
0,087 |
|
1,2,4-triazole |
0,15 |
2 |
10 |
0,074 |
0,058 |
0,020 |
0,022 |
|
FANDANGO (Combinatie)4 |
0,3 |
2 |
10 |
|
2,02 |
1,15 |
1,10 |
1 Correctie factor voor vormingspercentage en relatieve
molmassa
2 Berekend volgens TOXSWA
3 De hogere PEC28 komt door de TWA
benadering het relatief lange interval van 21 dagen en lage DT50.
4 Fluoxastrobin
+ Prothioconazole
Tabel M.13
Normoverschrijdingsfactoren fluoxastrobin,
fluoxastrobin-desthio en 1,2,4-triazole in
oppervlaktewater
|
Stof |
PIEC1/
(0,1*NOEC) |
PIEC1/ (0,01*LC50) |
PIEC1/ (0,01*LC50) |
PEC211/ (0,1*NOEC) |
PEC281/
(0,1*NOEC) |
|
|
Alg |
kreeft |
vis |
kreeft |
vis |
|
Fluoxastrobin |
0,035 |
0,29 |
0,28 |
0,049 |
0,28 |
|
M48 |
<0,001 |
<0,001 |
<0,001 |
- |
- |
|
Prothioconazole |
0,0071 |
0,06 |
0,043 |
0,0059 |
0,0097 |
|
Prothioconazole-desthio |
0,0031 |
0,0023 |
<0,001 |
<0,001 |
<0,001 |
|
1,2,4-triazole |
<0,001 |
<0,001 |
<0,001 |
0,0078 |
<0,001 |
|
Combinatie2 |
0,042 |
0,35 |
0,32 |
0,055 |
0,29 |
|
FANDANGO |
0,034 |
0,15 |
0,31 |
- |
- |
1 Berekend volgens TOXSWA
2 Fluoxastrobin
+ Prothioconazole
Wanneer de
normoverschrijding factoren vermeld in tabel M.13 in ogenschouw wordt genomen
blijkt dat de aangevraagde toepassingen voor FANDANGO voldoen aan de norm voor
toxiciteit waterorganismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Risicobeoordeling voor bioconcentratie
Voor fluoxastrobin is een
BCF-waarde van 52,1 L/kg beschikbaar. Aangezien de
BCF < 100 L/kg is er een
gering risico voor bioconcentratie.Voor prothioconazole is een BCF-waarde van
18,8 L/kg beschikbaar. Aangezien de BCF < 100 L/kg is er een gering risico
voor bioconcentratie. Hiermee voldoet FANDANGO aan de normen voor
bioconcentratie zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Risicobeoordeling voor sedimentorganismen
Voor fluoxastrobin zit na 14
dagen 73% in het sediment. Er is er een EC5 voor Chironomus
van 1,2 mg/L. De
norm 0,1 x de NOEC = 0,1 x 1200 = 120 µg/L. Indien de norm voor sediment
organismen wordt getoetst aan de PIEC in water is de normoverschrijding 0,010. Verder zijn alleen
prothioconazole en prothioconazole-desthio in het sediment aangetroffen.Voor prothioconazole is de NOEC
voor Daphnia > 0,1. Hierdoor wordt er voor deze stof geen risico voor
sedimentorganismen verwacht. Voor prothioconazole-desthio is de NOEC Daphnia
0,1. Er is een test Chironomus uitgevoerd.
De norm voor Chironomus bedraagt 0,1 x de NOEC = 0,1 x 9140 = 914 µg/L. Indien de norm voor sediment organismen wordt getoetst aan de PIEC in water is de normoverschrijding 0,0011. Fluoxastrobin, prothioconazole en metabolieten voldoen derhalve aan de norm voor sedimentorganismen van de UB.
Risicobeoordeling voor terrestrische organismen
Risicobeoordeling voor vogels
Vogels kunnen worden blootgesteld door voedsel (bespoten insecten, zaden, bladeren), het drinken van oppervlaktewater en als gevolg van doorvergiftiging.
Voedsel en drinkwater
In de Uniforme Beginselen (UB) is de norm voor
acute blootstelling gesteld op 0,1*LD50-waarde, de norm voor korte
termijn blootstelling 0,1*LC50-waarde en de norm voor chronische
blootstelling gesteld op 0,2*NOEC-waarde. Zie tabel M.14 voor de
toxiciteitswaarden van fluoxastrobin, prothioconazole en
prothioconazole-desthio.
Tabel M.14 Overzicht toxiciteitswaarden prothioconazole en
prothioconazole-desthio voor vogels
|
Stof |
LD50 [mg/kg lg] |
LC50 [mg/kg voer] |
NOEC [mg/kg voer] |
|
Fluoxastrobin |
>2000 |
>5000 |
461 |
|
Prothioconazole |
>2000 |
>5000 |
700 |
|
Prothioconazole-desthio |
>2000 |
4090 |
173 |
De concentratie in het
voer is berekend door middel van de relatie opgesteld door Luttik (2001). Voor
herhaalde toepassingen wordt de PIEC berekend als zijnde maximale totale
dosering (worst case). Er wordt geen rekening gehouden met tussentijdse afbraak
op voedsel. Zie tabel M.15 voor de PIEC in het voer en voor de
normoverschrijdingsfactoren. De risico’s worden berekend voor een kleine
vogelsoort met een lichaamsgewicht van 10 gram met een dagelijkse voedselopname
(bladeren, bladrijk gewas, voedergewassen en kleine zaden) van 2,9 gram en een
dagelijkse waterconsumptie van 3,0 gram.
Tabel M.15 Overzicht
van concentraties prothioconazole en protioconazole-desthio in voedsel en
normoverschrijding voor vogels
|
Werkzame stof |
Dosering [kg w.s./ha] |
Freq. |
PIECvoer [mg/kg]2 |
PIECvoer*DFI/ (0,1*LD50) |
PIECvoer/ (0,1*LC50) |
PIECvoer/ (0,2*NOEC) |
|
Fluoxastrobin |
0,15 |
2 |
7,5 |
<0,011 |
<0,015 |
0,081 |
|
Prothioconazole |
0,15 |
2 |
7,5 |
<0,011 |
<0,015 |
0,054 |
|
Prothioconazole-desthio |
0,0861 |
2 |
4,3 |
<0,0062 |
0,011 |
0,12 |
|
Combinatie3 |
|
|
|
<0,022 |
<0,030 |
0,14 |
1kg prothioconazole x max.
vormingspercentage metaboliet (57,1 % uit veldstudie)
2Dosering x RUD (25 voor
bladeren en zaden)
3Fluoxastrobin +
Prothioconazole
Voor drinkwater wordt de worst case situatie
berekend. Zie tabel M.16 voor de normoverschrijdingsfactoren.
Tabel M.16
Normoverschrijdingsfactor fluoxastrobin, prothioconazole en
prothioconazole-desthio via drinkwater
|
Werkzame
stof |
Dosering (kg/ha) |
Freq. |
Drift |
PIEC water1 (µg/L) |
Normoverschrijding PIEC*DWI/(0,1*LD50) |
Normoverschrijding PIEC/(0,1*LC50) |
|
Fluoxastrobin |
0,15 |
2 |
1% |
1,24 |
<0,0018 |
<0,0025 |
|
Prothioconazole |
0,15 |
2 |
1% |
0,78 |
<0,0012 |
<0,0016 |
|
Prothioconazole-desthio |
0,0482 |
2 |
1% |
0,23 |
<0,001 |
<0,001 |
|
Totaal3 |
|
|
|
2,02 |
<0,0030 |
<0,0041 |
1berekend
volgens TOXSWA
2kg
prothioconazole x max. vormingspercentage metaboliet (32,3 % uit waterstudie)
3fluoxastrobin
+ prothioconazole
Uit de tabellen M.15 en M.16 blijkt dat de normen voor deze toepassingen voor fourageren en via het drinken van water niet overschreden worden. Derhalve wordt er voor de aangevraagde toepassing voldaan aan de norm voor vogels volgens de Uniforme Beginselen (UB).
Doorvergiftiging
Het risico ten gevolge
van doorvergiftiging wordt bepaald aan de hand van de bioconcentratie in vissen
en in regenwormen.
Gezien
de lage waarde voor de log Pow (2,86) voor fluoxastrobin is het
risico van effecten als gevolg van doorvergiftiging gering.
Vissen
Voor prothioconazole en
prothioconazole-desthio zijn BCFvissen waarden van respectievelijk
18,8 en 45 L/kg. Het risico voor vogels als gevolg van het eten van vissen
wordt ingeschat met de formule PECwater,28d ´ BCFvissen/ NOEC x 0,2. Voor
prothioconazole bedraagt de concentratie in de vis 0,30 ug/L x 18,8 L/kg = 5,64
ug/kg = 0,0056 mg/kg. De norm is gesteld op 140 mg/kg voer waardoor de
normoverschrijding <0,0001 bedraagt.
Voor prothioconazole-desthio kan er slechts gerekend worden met PIECwater De concentraite in de vis bedraagt 0,23 ug/L x 45 L/kg = 10,4 ug/kg = 0,010 mg/kg. De norm is gesteld op 34,6 mg/kg voer waardoor de normoverschrijding 0,0003 bedraagt.
Het risico voor vogels als gevolg van doorvergiftiging, via
de opname van blootgestelde regenwormen, wordt bepaald door de concentratie
prothioconazole in de regenworm te toetsen aan de chronische norm voor vogels. Vanwege het ontbreken van experimentele gegevens
wordt de bioconcentratiefactor voor wormen (BCFworm) berekend met
behulp van de formules zoals opgenomen in de HTB, onderdeel Risico voor vogels
en zoogdieren, Module E Indirecte blootstelling. Uitgaande van log(KOW)
= 3,82 en Kbodem-water = 73 L/kg (afgeleid van KOM = 1038
L/kg voor een bodem met 5% organische stof) wordt de BCF geschat op 6,12
kgwwt/kgwwt. De concentratie in de grond wordt berekend met
behulp van de formules zoals opgenomen in de HTB, onderdeel Regenwormen,
paragraaf 3 Beoordelingsmethodiek, en gecorrigeerd naar natgewicht grond. Het
risico voor vogels als gevolg van het eten van wormen is dan aangezien
(PEC(grond,lang) ´ BCF)/(0,2 x
NOEC(vogels)) = (0,0057 x 6,12)/140 = 0,00025. Hiermee wordt er een gering
risico verwacht voor vogels via eten van regenwormen.
Uit bovenstaande blijkt
dat de huidige aanvraag van FANDANGO voldoet aan de norm op doorvergiftiging
van vogels, zoals opgenomen in de Uniforme beginselen.
Risicobeoordeling voor zoogdieren
Zoogdieren kunnen worden blootgesteld door voedsel (bespoten insecten, zaden, bladeren), het drinken van oppervlaktewater en als gevolg van doorvergiftiging.
Voedsel en drinkwater
In de Uniforme Beginselen (UB) is de norm voor
acute blootstelling gesteld op 0,1*LD50-waarde, de norm voor korte
termijn blootstelling 0,1*LC50-waarde en de norm voor chronische
blootstelling gesteld op 0,2*NOEC-waarde. Zie tabel M.17 voor de
toxiciteitswaarden van fluoxastrobin, prothioconazole en
prothioconazole-desthio.
Tabel M.17 Overzicht toxiciteitswaarden fluoxastrobin,
prothioconazole en prothioconazole-desthio voor zoogdieren
|
Stof |
LD50 [mg/kg lg] |
NOEC [mg/kg voer] |
|
Fluoxastrobin |
>2000 |
10000 |
|
Prothioconazole |
>2500 |
800 |
|
Prothioconazole-desthio |
2235 |
160 |
De concentratie in het
voer is berekend door middel van de relatie opgesteld door middel van de relatie
van Luttik voor zaden en kleine insecten.. Voor herhaalde toepassingen wordt de PIEC berekend als zijnde de
maximale totale dosering (worst case). Er wordt geen rekening gehouden met
tussentijdse afbraak op voedsel. Zie tabel M.18 voor de PIEC in het voer en
voor de normoverschrijdingsfactoren. Bij de risicoschatting is uitgegaan van zoogdieren met een
lichaamsgewicht van 6 gram, een dagelijkse voedselconsumptie (DFI) van 1,025 g
en een dagelijkse waterconsumptie (DWI) van 1,8 g.
Tabel M.18 Overzicht
van concentraties fluoxastrobin, prothioconazole en prothioconazole-desthio in
voedsel en normoverschrijding voor zoogdieren
|
Werkzame stof |
Dosering [kg w.s./ha] |
Frequentie |
PIECvoer [mg/kg]2 |
PIECvoer*DFI/ (0,1*LD50) |
PIECvoer/ (0,2*NOEC) |
|
Fluoxastrobin |
0,15 |
2 |
7,5 |
<0,0064 |
0,0038 |
|
Prothioconazole |
0,15 |
2 |
7,5 |
<0,0051 |
0,047 |
|
Prothioconazole-desthio |
0,0861 |
2 |
4,3 |
0,0033 |
0,13 |
|
Combinatie3 |
0,3 |
2 |
|
<0,011 |
0,051 |
1kg prothioconazole x max.
vormingspercentage metaboliet (57,1 % uit veldstudie)
2Dosering x RUD (25 voor
bladeren en zaden)
3Fluoxastrobin +
prothioconazole
Voor drinkwater wordt de worst case situatie
berekend. Zie tabel M.19 voor de normoverschrijdingsfactoren.
Tabel M.19
Normoverschrijdingsfactor prothioconazole en prothioconazole-desthio via
drinkwater
|
Werkzame
stof |
Dosering (kg/ha) |
Freq. |
Drift |
PIEC water1 (µg/L) |
Normoverschrijding PIEC*DWI/(0,1*LD50) |
|
Fluoxastrobin |
0,15 |
2 |
1% |
1,24 |
<0,0019 |
|
Prothioconazole |
0,15 |
2 |
1% |
0,78 |
<0,001 |
|
Prothioconazole-desthio |
0,0482 |
2 |
1% |
0,23 |
<0,001 |
|
Totaal3 |
|
|
|
2,02 |
<0,01 |
1berekend
volgens TOXSWA
2kg
prothioconazole x max. vormingspercentage metaboliet (32,3 % uit waterstudie)
3Fluoxastrobin
+ prothioconazole
Uit de tabellen M.18 en M.19 blijkt dat de normen voor deze toepassing voor fourageren en via het drinken van water niet overschreden worden. Derhalve wordt er voor de aangevraagde toepassing voldaan aan de norm voor zoogdieren volgens de Uniforme Beginselen (UB).
Doorvergiftiging
Het risico ten gevolge
van doorvergiftiging wordt bepaald aan de hand van de bioconcentratie in vissen
en in regenwormen. Gezien de lage
waarde voor de log Pow (2,86) voor fluoxastrobin is het risico van
effecten als gevolg van doorvergiftiging gering.
Vissen
Voor prothioconazole en
prothioconazole-desthio zijn BCFvissen waarden van respectievelijk
18,8 en 45 L/kg. Het risico voor zoogdieren als gevolg van het eten van vissen
wordt ingeschat met de formule PECwater,28d ´ BCFvissen/ NOEC x 0,2. Voor
prothioconazole bedraagt de concentratie in de vis 0,30 ug/L x 18,8 L/kg = 5,64
ug/kg = 0,0056 mg/kg. De norm is gesteld op 160 mg/kg voer waardoor de
normoverschrijding <0,0001 bedraagt.
Voor
prothioconazole-desthio kan er slechts gerekend worden met PIECwater
De concentraite in de vis bedraagt 0,23 ug/L x 45 L/kg = 10,4 ug/kg = 0,010
mg/kg. De norm is gesteld op
32 mg/kg voer waardoor de normoverschrijding 0,0003 bedraagt.
Het risico voor zoogdieren als gevolg van doorvergiftiging,
via de opname van blootgestelde regenwormen, wordt bepaald door de concentratie
prothioconazole in de regenworm te toetsen aan de chronische norm voor
zoogdieren. Vanwege het ontbreken van
experimentele gegevens wordt de bioconcentratiefactor voor wormen (BCFworm)
berekend met behulp van de formules zoals opgenomen in de HTB, onderdeel Risico
voor vogels en zoogdieren, Module E Indirecte blootstelling. Uitgaande van
log(KOW) = 3,82 en Kbodem-water = 73 L/kg (afgeleid van
KOM = 1038 L/kg voor een bodem met 5% organische stof) wordt de BCF
geschat op
6,12 kgwwt/kgwwt. De concentratie in de grond wordt berekend met
behulp van de formules zoals opgenomen in de HTB, onderdeel Regenwormen,
paragraaf 3 Beoordelingsmethodiek, en gecorrigeerd naar natgewicht grond. Het
risico voor zoogdieren als gevolg van het eten van wormen is dan aangezien
(PEC(grond,lang) ´ BCF)/(0,2 x
NOEC(zoogdieren)) =
(0,0057 x 6,12)/160 = 0,00021. Hiermee wordt er een gering risico verwacht voor
zoogdieren via eten van regenwormen.
Uit bovenstaande blijkt
dat de huidige aanvraag van FANDANGO voldoet aan de norm op doorvergiftiging
van zoogdieren, zoals opgenomen in de Uniforme beginselen.
Risicobeoordeling voor bijen en hommels
Voor fluoxastrobin is de
verhouding tussen dosering (150 g w.s./ha) en toxiciteit
(>200 mg w.s./bij), welke <0,75 bedraagt, en is hiermee <
50. Er sprake van een gering risico voor bijen voor fluoxastrobin.
Voor prothioconazool is de
verhouding tussen dosering (150 g w.s./ha) en toxiciteit
(48,7 mg w.s./bij), welke 3,08 bedraagt, en is hiermee < 50.
Er sprake van een gering risico voor bijen voor prothioconazool.
Voor het middel FANDANGO is de
verhouding tussen dosering (300 g w.s./ha) en toxiciteit (>130 mg
w.s./bij), welke <2,31 bedraagt, en is hiermee < 50. Er sprake van een
gering risico voor bijen voor de formulering.
Hiermee voldoet deze toepassing
aan de norm voor bijen en hommels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Risicobeoordeling voor niet-doelwit arthropoden
Beoordeling FANDANGO
Volgens de benadering van
ESCORT2 kan voor T. pyri en A. rhopalosiphi het risico zowel
‘in-field’ als ‘off-field’ worden geschat. In tabel M.22 is de hazard quotiënt
berekend op basis van de LR50. Vanwege het ontbreken van een DT50
waarde wordt er uitgegaan van een standaard MAF van 1,9.
De HQ’s van de in-field en off-field van standaard
laboratorium studies moeten < 2. In een extended laboratorium studie moet
dit < 1. Voor het middel zijn allen twee extended laboratorium studies
beschikbaar.
Tabel M.20 Hazard
quotiënt voor Typhlodromus pyri en Aphidius rhopalosiphi
|
soort |
effect |
dosering |
freq. |
interv. |
MAF |
LR50 |
in-field HQ |
off-field HQ |
|
|
|
[kg
w.s./ha] |
|
|
|
[kg w.s./ha] |
|
|
|
Extended laboratory studies |
||||||||
T. pyri
|
mortaliteit |
0,30 |
2 |
21 |
1,9 |
>0,6 |
<0,95 |
<0,095 |
A. rhopalosiphi
|
mortaliteit |
0,30 |
2 |
21 |
1,9 |
>0,6 |
<0,95 |
<0,095 |
Uit bovenstaande blijkt dat zowel T.pyri als A. rhopalosiphi bij de extended laboratorium studies zowel in-field als off-field voldoet.
De studies die geleverd zijn, zijn tweede tier studies (extended lab). Het is niet duidelijk of het middel ook in de eerste tier al zou hebben voldaan. Wanneer dit niet het geval zou zijn geweest, zou een extra soort getest moet worden. Omdat er geen extra gegevens geleverd zijn en omdat het onduidelijk is of het middel in de eerste tier zou hebben voldaan, is er ook nog een risicobeoordeling uitgevoerd op de afzonderlijke werkzame stoffen.
Beoordeling fluoxastrobin
Volgens de benadering van
ESCORT2 kan voor T. pyri en A. rhopalosiphi het risico zowel
‘in-field’ als ‘off-field’ worden geschat. In tabel M.21 is de hazard quotiënt
berekend op basis van de LR50. Er is een DT50waarde
(bladeren) voor fluoxastrobin van 3 dagen (Preu & Heinemann 2001).
Volgens de Escort 2 benadering is de MAF dan 1,1.
De HQ’s van de in-field en off-field van standaard
laboratorium studies moeten < 2. In een extended laboratorium studie moet
dit < 1.
Tabel M.21 Hazard
quotiënt voor Typhlodromus pyri en Aphidius rhopalosiphi
|
Soort |
Effect |
Dosering |
Freq. |
Interv. |
MAF |
LR50 |
In-field HQ |
Off-field HQ |
|
|
|
[kg/ha] |
|
|
|
kg/ha |
|
|
T. pyri
|
mortaliteit |
0,15 |
2 |
21 |
1,1 |
>0,122 |
1,35 |
0,14 |
A. rhopalosiphi
|
mortaliteit |
0,15 |
2 |
21 |
1,1 |
0,068 |
2,43 |
0,24 |
|
Extended laboratory studies |
||||||||
A. rhopalosiphi
|
mortaliteit |
0,15 |
2 |
21 |
1,1 |
0,034 |
4,85 |
0,49 |
Uit bovenstaande blijkt dat alleen A. rhopalosiphi voor de in-field situatie de norm overschrijdt. Off-field wordt er wel voldaan. Met de extended laboratorium studie is er in-field nog steeds een risico voor A. rhopalosiphi. T.pyri voldoet zowel in-field als off-field.
Verder zijn er toxiciteitswaarden beschikbaar van Chrysoperla
carnea, Poecilus cupreus en Aleochara bilineata, die bij relevante doseringen met
fluoxastrobin geen effecten>30% vertonen. Voor Coccinella septempunctata is
er bij een dosering van 35 g/ha een gecorrigeerde mortaliteit gevonden van 59%.
Bij een extended laboratorium studie was er bij een dosering van 200 g w.s./ha
een gecorrigeerde mortaliteit van 75%. Risico voor Coccinella septempunctata
is aanwezig.
Er is een semi-veldtest uitgevoerd met de meest gevoelige soort (A. rhopalosiphi).
Hierbij werd A. rhopalosiphi blootgesteld aan bladeren, bespoten met 2 maal 200 g fluoxastrobin/ha. Reproductie werd onmiddellijk na blootstelling verminderd met 32%, maar was bij 2 weken oude bespoten bladeren verminderd tot 13%. Uit dit experiment blijkt dat er binnen een ecologische relevante periode herstel op kan treden van de populatie A. rhopalosiphi bij de aangevraagde dosering.
Derhalve voldoet de aangevraagde toepassing op basis van de huidig beschikbare gegevens voor fluoxastrobin aan de norm voor niet-doelwit arthropoden volgens de Uniforme Beginselen (UB).
Beoordeling prothioconazole
Volgens de benadering van
ESCORT2 kan voor T. pyri en A. rhopalosiphi het risico zowel
‘in-field’ als ‘off-field’ worden geschat. In tabel M.22 is de hazard quotiënt
berekend op basis van de LR50. Er is een DT50waarde
(bladeren) voor prothioconazole van 2,96 dagen (Hall and Duah, 2002).
Volgens de Escort 2 benadering is de MAF dan 1,1.
De HQ’s van de in-field en off-field van standaard
laboratorium studies moeten < 2. In een extended laboratorium studie moet
dit < 1.
Tabel M.22 Hazard
quotiënt voor Typhlodromus pyri en Aphidius rhopalosiphi
|
Soort |
Effect |
Dosering |
Freq. |
Interv. |
MAF |
LR50 |
In-field HQ |
Off-field HQ |
|
|
|
[kg/ha] |
|
|
|
kg/ha |
|
|
T. pyri
|
mortaliteit |
0,15 |
2 |
21 |
1,1 |
0,019 |
8,68 |
0,87 |
A. rhopalosiphi
|
mortaliteit |
0,15 |
2 |
21 |
1,1 |
0,140 |
1,18 |
0,12 |
|
Extended laboratory studies |
||||||||
T. pyri
|
mortaliteit |
0,15 |
2 |
21 |
1,1 |
0,445 |
0,37 |
0,037 |
Uit bovenstaande blijkt dat alleen T.pyri voor de in-field situatie de norm overschrijdt. Off-field wordt er wel voldaan. De extended laboratorium studie laat zien dat ook in-field het risico voor T. pyri gering is. A. rhopalosiphi voldoet zowel in-field als off-field.
Verder zijn er toxiciteitswaarden beschikbaar van Chrysoperla
carnea, Poecilus cupreus en Aleochara bilineata, die bij relevante doseringen met
prothioconazole geen effecten>30% vertonen. Voor Coccinella septempunctata is
er bij een dosering van 180 g/ha een gecorrigeerde mortaliteit gevonden van
30,7%, bij een dosering van 375 g/ha was de mortaliteit > 50%. Risico voor Coccinella septempunctata is aanwezig. Hierom is er een higher tier
test (aged residue test) met de meest gevoelige soort (T. pyri) uitgevoerd. Na
1 dag aging was er bij een dosering van 300g/ha de mortaliteit 14,5%. Hiermee
is aangetoond dat er op korte termijn herstel van de populatie op kan treden.
Omdat deze test is
uitgevoerd met de meest gevoelige soort, wordt ook verondersteld dat populaties
van Coccinella septempunctata binnen een ecologisch relevante periode
herstellen.
Derhalve voldoet de aangevraagde toepassing op basis van de huidig beschikbare gegevens wat betreft prothioconazole aan de norm voor niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Conclusie
FANDANGO met betrekking tot
niet-doelwit arthropoden
De beide werkzame stoffen voldoen aan de norm voor
niet-doelwit arthropoden. Uit de gegevens van de beschikbare extended
laboratorium studies van A. rhopalosiphi en T. pyri blijkt dat de
afzonderlijke stoffen toxischer zijn dan de formulering. Derhalve wordt
geconcludeerd dat er bij de aangevraagde toepassingen een gering risico is voor
niet-doelwit arthropoden en wordt er voldaan aan de norm voor niet-doelwit
arthropoden zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB). Voor een
toekomstige beoordeling dient er echter een derde soort niet-doelwit
arthropoden getest te worden met het middel FANDANGO. De soorten die daarbij de voorkeur
verdienen zijn: Orius laevigatus, Chrysoperla carnea, Coccinella
septempunctata en Aleochara bilineata, o.a. vanwege het
feit dat de beschikbare gegevens er op duiden dat deze organismen relatief
gevoelig zijn en er goede testmethoden beschikbaar zijn.
Risicobeoordeling voor regenwormen
Beoordeling
fluoxastrobin
De norm
voor regenwormen wordt gebaseerd op de norm uit de Uniforme Beginselen (UB).
Dat betekent dat de norm voor de PIEC gesteld wordt op 0,1 maal de LC50.
De norm bedraagt op basis van de naar 5% organische stof genormaliseerde
14-dagen LC50 (> 500 mg w.s./kg) van fluoxastrobin voor
regenwormen van 50 mg w.s./kg. Voor zowel M40 als M48 bedraagt de
LC50 >1000 mg/kg en is de
norm dus 100 mg/kg (niet genormaliseerd: Log Kow < 2).
Tabel M.23 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding
|
Stof |
Dosering [kg/ha]1 |
Freq. |
Inter-val [dag] |
Fractie op bodem |
PIEC bodem [mg/kg] |
Norm-overschrijding |
|
Fluoxastrobin |
0,15 |
2 |
21 |
0,8 |
0,17 |
<0,0034 |
|
M40 |
0,019 |
2 |
21 |
0,8 |
0,022 |
<0,001 |
|
M48 |
0,084 |
2 |
21 |
0,8 |
0,096 |
<0,001 |
1Voor de metabolieten is dit
aangepast aan het maximale vormingpercentages van resp 12,7 en 56%.
De frequentie is 2 maal per seizoen maar de DT90-waarde
van fluoxastrobin > 100 dagen, dus is sublethaalonderzoek noodzakelijk. De sublethale norm wordt gesteld op 0,2 maal de
NOEC. Er is een gecorrigeerde NOEC beschikbaar van 1,33 mg w.s./kg. De norm is
dan 0,27. De normoverschreiding is PIEC/0,2*NOEC = 0,56. Hiermee voldoet
de genoemde toepassing voor fluoxastrobin aan
de chronische norm voor regenwormen, zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen.
Beoordeling
prothioconazole
De norm
voor regenwormen wordt gebaseerd op de norm uit de Uniforme Beginselen (UB).
Dat betekent dat de norm voor de PIEC gesteld wordt op 0,1 maal de LC50.
De norm bedraagt op basis van de naar 5% organische stof genormaliseerde
14-dagen LC50 (125 mg/kg) van prothioconazole voor regenwormen van
12,5mg/kg. Voor zowel prothioconazole-desthio als prothioconazole-S-metyl
bedraagt de genormaliseerd LC50 50 mg/kg
Tabel M.24 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding
|
Stof |
Dosering [kg/ha]1 |
Freq. |
Inter-val [dag] |
Fractie op bodem |
PIEC bodem [mg/kg] |
Norm-overschrijding |
|
Prothioconazole |
0,15 |
2 |
21 |
0,8 |
0,17 |
0,014 |
|
Prothioconazole-S-methyl |
0,022 |
2 |
21 |
0,8 |
0,025 |
0,00050 |
|
Prothioconazole-desthio |
0,086 |
2 |
21 |
0,8 |
0,098 |
0,0020 |
1Voor de metabolieten is dit
aangepast aan het maximale vormingpercentages van respectievelijk 14,6 en 57,1%
Wanneer tabel M.24 in
ogenschouw genomen wordt en aangezien de frequentie 2 per seizoen is en de DT90-waarde
van de stof <100 dagen is, is sublethaalonderzoek niet noodzakelijk en
voldoet de genoemde toepassing voor prothioconazole aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Beoordeling
FANDANGO
Voor het
middel FANDANGO wordt de toxiciteit voor regenwormen zowel bepaald door
combinatie additie van de werkzame stoffen, als door beoordeling met de
toxiciteittswaarde van het middel. Voor het middel FANDANGO is een LC50
voor regenwormen beschikbaar. De norm voor regenwormen wordt gebaseerd op de
norm uit de Uniforme Beginselen (UB). Dat betekent dat de norm voor de PIEC
gesteld wordt op 0,1 maal de LC50. De norm bedraagt op basis van de
naar 5% organische stof genormaliseerde 14-dagen LC50 (>100 mg
w.s./kg) van FANDANGO voor regenwormen van >10 mg/kg.
Tabel M.25 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding
|
Stof |
Dosering [kg/ha]1 |
Freq. |
Inter-val [dag] |
Fractie op bodem |
PIEC bodem [mg/kg] |
Norm-overschrijding |
|
Fluoxastrobin |
0,15 |
2 |
21 |
0,8 |
0,17 |
<0,0034 |
|
Prothioconazole |
0,15 |
2 |
21 |
0,8 |
0,17 |
0,014 |
|
Combinatie |
0,3 |
|
|
|
0,34 |
0,014 |
|
FANDANGO |
0,3 |
2 |
21 |
0,8 |
0,34 |
<0,034 |
Wanneer tabel M.25 in ogenschouw
genomen wordt en aangezien de frequentie 2 per seizoen is en de DT90-waarde
van de stof < 100 dagen is, is sublethaalonderzoek niet noodzakelijk en
voldoet de genoemde toepassing voor fandango aan de norm voor regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Risicobeoordeling voor bodemmicro-organismen
Fluoxastrobin
In de geteste gronden zijn bij
de relevante doseringen van 2,12 kg w.s./ha met fluoxastrobin en geen effecten
op de respiratie en nitrificatieprocessen waargenomen. Aangezien het
reductiepercentage < 25% na 100 dagen wordt voldaan aan de norm voor
bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de
Uniforme Beginselen (UB).
Prothioconazole
In de geteste gronden zijn bij
de relevante doseringen van 2 kg w.s./ha met prothioconazole en
prothioconazole-S-metyl en doseringen van 0,2 kg w.s./ha met
prothioconazole-desthio geen effecten op de respiratie en nitrificatieprocessen
waargenomen. Aangezien het reductiepercentage < 25% na 100 dagen wordt
voldaan aan de norm voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
FANDANGO
In de geteste gronden zijn bij
de relevante doseringen van 4 kg w.s./ha met FANDANGO geen effecten op de
respiratie en nitrificatieprocessen waargenomen. Aangezien het
reductiepercentage < 25% na 100 dagen wordt voldaan aan de norm voor
bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de
Uniforme Beginselen (UB).
Effecten op ander
niet-doelorganismen (flora en fauna)
Voor herbiciden en plant growth regulators zijn gegevens over mogelijke effecten op niet-doelwit planten in EU vereist. Voor de Nederlandse beoordeling is dit pas vereist met ingang van het nieuwe Handleiding Toelating Bestrijdingsmiddelen (versie 1.0). Aangezien de gegevens al beschikbaar zijn, wordt er in deze beoordeling wel gebruik van gemaakt. Echter, eventuele risico’s voor niet-doelwitplanten hebben nog geen gevolgen voor de huidige beoordeling.
Beoordeling
fluoxastrobin
Voor de beoordeling van de
toxiciteit van fluoxastrobin voor niet-doelwit planten zijn alleen gegevens van
de screening trial uit de monografie beschikbaar. Tot 500 g w.s./ha zijn zowel
voor opkomst als na opkomst geen effecten gevonden. Daar de gebruikte dosering
beduidend hoger ligt dan de hier aangevraagde dosering, wordt er weinig risico
verwacht en wordt er voldaan aan de norm voor niet-doelwit planten, zoals
opgenomen in de UB.
Beoordeling
prothioconazole
Bij de beoordeling van de
effecten op niet-doelwit planten wordt rekening gehouden met de volgende
afstanden en driftpercentages:
-1 meter voor volveldsteelten
en bodemtoedieningen: 10%.
Volgens het Guidance document
on terrestrial ecotoxicology is er weinig risico wanneer blootstelling
(g/ha)/ER50 <0,2. De ER50 is >250 g/ha, de norm is
dus <50.
Tabel M.26 Overzicht concentraties in bodem en normoverschrijding
|
Dosering [kg w.s. /ha] |
Freq. |
Drift% (off-field
blootstelling) |
Blootstelling (g w.s./ha)1 |
Normoverschrijding |
|
0,2 |
2 |
10 |
40 |
<0,8 |
1Hierbij is
geen rekening gehouden met tussentijdse afbraak.
Uit bovenstaande blijkt dat er
voor prothioconazole wordt voldaan de norm voor niet-doelwit planten, zoals
opgenomen in de UB.
Het middel FANDANGO voldoet aan
de norm voor niet-doelwit planten, zoals opgenomen in de UB.
Etikettering milieu
Voorstel voor classificatie werkzame stof
fluoxastrobin (symbolen en R-zinnen)
(EU
classificatie)
|
Symbool: |
N |
met als onderschrift: Milieugevaarlijk |
|
R-zinnen |
R50/R53 |
Zeer giftig voor in het water levende organismen, kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken |
Voorstel voor classificatie werkzame stof
prothioconazole (symbolen en R-zinnen)
(EU
classificatie)
|
Symbool: |
N |
met als onderschrift: Milieugevaarlijk |
|
R-zinnen |
R51/R53 |
Zeer giftig voor in het water levende organismen, kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken |
Voorstel voor classificatie en etikettering
formulering(en) met betrekking tot het milieu
Op basis van bovenstaand profiel van de stof, de geleverde formuleringstoxicologie voor het middel en de eigenschappen van de hulpcomponenten, wordt voorgesteld het middel als volgt te etiketteren:
|
1 |
Stoffen die met chemische benaming op het etiket moeten worden vermeld (andere zeer giftige, giftige, bijtende of schadelijke stoffen): |
|||
|
|
- |
|||
|
2c) |
Gevaarsymbool: |
N |
aanduiding: |
Milieugevaarlijk |
|
|
R-zinnen |
51/53 |
Vergiftig voor in het water levende organismen, kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
S-zinnen |
61 |
Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies/veiligheidskaart. |
|
|
|
|
|
|
|
|
2d) |
Specifieke vermeldingen: DPD-zinnen |
- |
- |
|
|
|
|
|
|
|
|
2f) |
Gewasbeschermings-middelenzin: DPD-zin |
DPD01 |
- |
|
|
2h) |
Kinderveilige sluiting verplicht? |
- |
||
|
|
Voelbare gevaarsaanduiding verplicht? |
- |
||
Conclusie met betrekking tot milieu
1.
Fluoxastrobin
en de metabolieten voldoen aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in
de Uniforme Beginselen (UB).
2.
Prothioconazole
en de metabolieten voldoen aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in
de Uniforme Beginselen (UB).
3.
De
aangevraagde toepassing van FANDANGO voldoet aan de normen voor uitspoeling
naar het ondiepe grondwater zoals opgenomen de Uniforme Beginselen (UB).
4.
De
genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de normen voor toxiciteit
waterorganismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
5.
Fluoxastrobin
voldoet aan de normen voor bioconcentratie zoals opgenomen in de Uniforme
Beginselen (UB).
6.
Prothioconazole
voldoet aan de normen voor bioconcentratie zoals opgenomen in de Uniforme
Beginselen (UB).
7.
De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor
vogels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
8.
De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor
zoogdieren zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
9.
De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor bijen
en hommels zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
10.
De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor
niet-doelwit arthropoden zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
11.
De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor
regenwormen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB)
12.
De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet voldoen aan de norm
voor bodemmicro-organismen zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
13.
De genoemde toepassing van FANDANGO voldoet aan de norm voor niet-doelwit
planten, zoals opgenomen in de Uniforme Beginselen (UB).
Ontbrekende gegevens
Er ontbreken geen gegevens.
Gegevens voor toekomstige beoordeling
Ter bevestiging van de geringe toxiciteit van FANDANGO op niet-doelwit arthropoden:
- een test met het middel FANDANGO op een derde soort niet-doelwit arthropode. De soorten die daarbij de voorkeur verdienen zijn: Orius laevigatus, Chrysoperla carnea, Coccinella septempunctata en Aleochara bilineata.
Conclusie
Bij gebruik volgens het wettelijk gebruiksvoorschrift en
gebruiksaanwijzing is het middel FANDANGO, op basis van prothioconazool en
fluoxastrobin, voldoende werkzaam en heeft het geen schadelijke uitwerking op
de gezondheid van de mens en het milieu
(artikel 3, 3a en 24 Bestrijdingsmiddelenwet 1962).
Als einddatum voor de werkzame stoffen fluoxastrobin en
prothioconazool wordt
1 augustus 2008 vastgesteld.
Als expiratiedatum voor het middel FANDANGO wordt 1 augustus
2008 vastgesteld
(= einddatum fluoxastrobin en prothioconazool).
Etikettering:
Gevaarsymbool: N aanduiding: Milieugevaarlijk
R-zinnen: 51/53 Vergiftig voor in het water levende
organismen, kan in het
aquatisch
milieu op lange termijn schadelijke effecten
veroorzaken.
S-zinnen 21 Niet roken tijdens gebruik
37 Draag geschikte handschoenen
61 Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale
instructies/veiligheidsgegevenskaart.
DPD-zinnen DPD01 Volg
de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu
te voorkomen
Vragen die voortkomen uit de EU-beoordeling van de werkzame stoffen prothioconazool en fluoxastrobin en/of het middel FANDANGO zullen onverkort gelden voor de Nederlandse beoordeling.
Besluit
|
· Het College besluit de aanvraag tot voorlopige toelating van het bestrijdingsmiddel FANDANGO, 20040277 TG, op basis van fluoxastrobin en prothioconazool, toegepast als schimmelbestrijdingsmiddel in de teelt van winter- en zomertarwe, triticale en winter- en zomergerst, te honoreren op grond van artikel 3, 3a en 24 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962. · Als
einddatum voor de werkzame stoffen fluoxastrobin en prothioconazool wordt · Als expiratiedatum voor het middel FANDANGO wordt 1 augustus 2008 vastgesteld (= einddatum fluoxastrobin en prothioconazool). · Etikettering: Gevaarsymbool: N aanduiding: Milieugevaarlijk. R-zinnen: 51/53 Vergiftig voor in het water levende
organismen, kan in het aquatisch milieu op lange termijn
schadelijke effecten veroorzaken. S-zinnen 21 Niet roken tijdens gebruik. 37 Draag
geschikte handschoenen. 62 Voorkom lozing in het milieu. Vraag om speciale instructies/veiligheidsgegevenskaart. DPD-zinnen DPD01 Volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen. · Vragen die voortkomen uit de EU-beoordeling van de werkzame stoffen prothioconazool en fluoxastrobin en/of het middel FANDANGO zullen onverkort gelden voor de Nederlandse beoordeling. |
HET
COLLEGE VOOR DE TOELATING VAN BESTRIJDINGSMIDDELEN,
(voorzitter)